Zwanenzang vol doodshoofden

New Orleans was voor de komst van de orkaan Katrina een stad om dronken van te worden. Het verleden was er door niets en niemand tot vertrek te bewegen.

Het begon er al mee dat Solomon Burke op het winderige terrein in de Amsterdamse Bijlmermeer verborgen achter een langzaam met hem meeschuivend gordijntje het podium werd opgedragen. Met stoel en al, als een patiënt die door de zuster op de steek was gezet. Maar het hmmmmm, direct gevolgd door een hartgrondig hmmm hmmm hmmmm, dat aan zijn keel ontsnapte, leek nog geheel in harmonie met de kosmische zoem waarop het publiek was afgestemd.

De keer daarvoor dat ik in een gospeltent stond, was zestien jaar terug in New Orleans.

Op een oude renbaan aan Gentilly Boulevard werd daar al sinds jaar en dag het Jazz & Heritage Festival gehouden, en mijn radio-collega Jan Donkers en ik hadden de VPRO ervan weten te overtuigen dat het echt noodzakelijk was dat wij daar een keer bij aanwezig zouden zijn om interviews te doen en live-opnames te scoren.

Kwantitatief was de oogst mager, maar de hele onderneming was alleen al een succes doordat wij erin geslaagd waren een gesprek te arrangeren met Allen Toussaint, de als onbenaderbaar bekendstaande godfather van de muziekscene van het New Orleans uit de jaren zestig en zeventig. Hij bleek een zacht sprekende, in zeegroen pak gestoken zwarte heer van stand te zijn, die ons op zijn huisvleugel geduldig de hele muzikale geschiedenis van New Orleans voorspeelde: vanaf de rosse jazz uit Storyville aan het begin van de vorige eeuw via de hink-stap-springerige rhythm en blues en pompende rock'n'roll uit de jaren vijftig en de gouden souldagen van de jaren zestig tot aan de elastisch zwiepende funk en semi-psychedelische moerasdeltasoep van de jaren zeventig. Toussaint, een man die je vanzelf aansprak met Sir, schudde de dartel over elkaar heen rollende piano-akkoorden uit zijn mouw als een beroepsgokker op de Mississippi zijn azen, heren en schoppenvrouwen.

Het beeld dat ik vooraf van New Orleans had, was bepaald door het expressionistisch geschilderde decor van een soort bluesoperette die ik als kind op televisie had gezien – een grillig en hoekig labyrint van galmende binnenplaatsen, zwevende balkonnetjes en klepperende cafédeuren. Maar ook door de Elvis-film King Creole die zich er afspeelt, de verhalen van mijn ouders over het toneelstuk A Streetcar Named Desire van Tennessee Williams en het hilarisch-hallucinerende boek A Confederacy of Dunces van John Kennedy Toole dat er geschreven is. En dan was er nog `The House Of The Rising Sun' van The Animals met zijn belofte van even zoete als verdoemde zondigheid, en, vlak voor ons vertrek uitgekomen, `New Orleans Is Sinking' van de Canadese band Tragically Hip waarin de zanger zegt liever samen met de zinkende stad te verdrinken dan zich zwemmend te redden.

Grafstenen

En ik zat er niet ver naast. Het was een stad om dronken van te worden. Gistend van een dag en nacht gevierd romantisch verval. Een plek waar het verleden – om Bob Dylans Chronicles te parafraseren – door geen macht ter wereld tot vertrek is te bewegen, en waar de geesten niet alleen blijven rondhangen tussen de monumentale grafstenen op de vele begraafplaatsen die de stad rijk is, maar ook gewoon op straat, in de tuinen, de huizen en kerken. Het wemelt er van de met magnolia's omkranste mazen in het net van de werkelijkheid die toegang geven tot andere dimensies, en in de meeste daarvan is het feest. De atmosfeer klotst er, vloeibaar van broeierige vochtigheid, in een loom, sensueel ritme tegen je slapen en de architectuur is er een uit een koortsdroom: hangende tuinen, zuilengalerijen, salon-bordelen, kathedraal-huizen. Plus een bevolking als een circusoptocht: zwarte indianen, witte negers, tweeling-travestieten, voodoo-koninginnen een carnaval van verloren en hervonden zielen. Iedereen kan er elk moment in lachen of huilen uitbarsten. Een plek om gevaarlijk te leven. Een zwaar verslavende zwanenzang vol rozen en doodshoofden.

Zolang je tenminste wegbleef uit Bourbon Street die was, met zijn souvenirshops, uitverkoopblues en tietenbars, de in een helse lachspiegel vertekende pretparkversie van het bovenstaande. En je moest je ook weer niet te ver daarvandaan wagen, want dan begon opeens de Derde Wereld en erger.

Op het festivalterrein sleepten we elkaar van de broodjes alligator en cochon-au-lait naar de jambalya, crawfish pie en filé gumbo, en daartussendoor, als twee eenogige katten in een viswinkel, een beetje giechelig van de muzikale overvloed, van het ene podium naar het andere: van Ernie K-Doe naar Bobby Marchan, van Al Ferrier naar Al Green, van Alex Chilton naar B.B. King.

Bijna ongemerkt richtten onze schreden zich ook steeds vaker in de richting van de gospeltent, het epicentrum van alle muziek om ons heen.

Warm, opgetogen, hunkerend, uitdagend, dodelijk serieus, gekweld, trots, pathetisch, treurig, bezonnen, woedend, extatisch er was geen emotie of bijpassende muziekstijl die niet aan bod kwam in de stemmen van de mannen en vrouwen die daar in hun zondagse goed op het podium stonden en heen en weer zwaaiden, in de rondte draaiden, opsprongen, neervielen en weer opstonden. Natuurlijk werd daarbij regelmatig ook Zijn naam genoemd, maar whats in a name? Antwoord: alles, eigenlijk – alles wat te veel en te groot is om nog benoembaar te zijn en alleen kan worden samengevat en uitgedrukt in een kreun of een schreeuw. Een diep menselijk geluid, maar ook doortrokken van de tweehonderd procent zekerheid dat er zoiets bestaat als een ultieme thuishaven en dat niets of niemand de zingenden er van kon weerhouden daar ooit te geraken, óók de kerk niet als die moeilijk zou gaan doen, zelfs Jezus niet. De ziel, eenmaal in beweging, stopt nergens meer, niet in de hel (`been there'), niet in de hemel (`done that') – niet tot we allemaal weer terug zijn op aarde, terug in ons eigen lichaam of dat van een ander, eindelijk samen en vrij, werkelijk vrij. Thats the spirit. En het zingen zelf biedt daarop al een vorstelijk voorschot, `a foretaste of glory', als het er al niet gewoon de vervulling van is. Hmmm mmmm mmmm.

In die tent in New Orleans leek het opeens allesbehalve een onzinnige gedachte dat ik mijn leven nog eens zou eindigen – tweede rij, derde van links – als hulpkreuner in een gospelgroep. Als ik mij daarvoor tenminste zou kunnen kwalificeren. Wat nog helemaal niet gezegd was.

Vrouwenkoor

Zestien jaar later is New Orleans gezonken en sta ik in Amsterdam-Zuidoost in een tent naar Solomon Burke alias The Bishop Of Soul te kijken en weet ik ondanks het aandoenlijke enthousiasme van het plaatselijke vrouwenkoor dat hem begeleidt niet waar ik het zoeken moet. Wat er aan braambossen had gebrand was snel gedoofd, en de heel even naderbij gelokte heiligen waren afgemarcheerd op het moment dat een van Burkes grote dochters plotseling het podium in beslag kwam nemen en direct veel te vaak en te hard en te dwingend blij de Here begon aan te roepen. Om vervolgens met haar alleen maar verschrikkelijk luide stem elk laatste restje spirit of soul uit de gospels die zij zong weg te zandstralen, terwijl haar vader achter haar op zijn troon als in trance `O yes, Jesus' prevelend naar haar schuddende billen zat te kijken.

Op weg naar de metro valt mij op hoe uitzonderlijk galant alle auto's bij Ganzenhoef de zebrapaden respecteren en moet ik terugdenken aan mijn tweede bezoek aan New Orleans, een jaar of vier na het eerste. Nog geen drie uur na aankomst was mijn auto gestolen, een Cadillac Eldorado uit '77 – een uitbundig opgemaakte schoonheid die ik van kennissen uit Atlanta had geleend – en had ik tot half vier 's ochtends op de politie staan wachten terwijl om mij heen de cafés en bars één voor één hun lichten doofden en de nacht steeds vreemder volk over straat spoelde.

Toen ik de auto de volgende dag terugzag op een parkeerterrein van de politie herkende ik hem niet. Hij stond op houten stompen, want alle vier de wielen waren afgezet. De koplampen waren uit hun kassen gerukt. De romp zat onder de littekens waar het chroom was verwijderd, en onder de motorkap markeerden afgesneden draden en slangen de plaatsen waar vitale onderdelen waren weggenomen. Binnenin was de bekleding tot op het geraamte afgestroopt.

Ik heb mijn hoofd op de kofferbak gelegd en ben in tranen uitgebarsten. Mijn leven had kunnen eindigen als hulpkreuner in een gospelgroep