Wang Qi moet leren, niet spelen, om verder te komen

In de week van 1 oktober heeft China vrij om te vieren dat Mao de Volksrepubliek heeft uitgeroepen, dit jaar 56 jaar geleden. Een serieuze communistische gedenkdag dus, maar in de steden toch vooral een ideale gelegenheid om je helemaal suf te shoppen. Meisjes met kleurige sjerpen proberen ook mij te verleiden om de nieuwste Sony Ericsson met ingebouwde walkman voor een speciale feestprijs aan te schaffen. Ik kan alleen niet goed horen wat ze zeggen: voor de telefoonwinkel staan enorme boxen waar muziek uitknalt die me juist weer moet verleiden toch maar liever een Nokia te nemen.

Eén dag winkelgeweld is me wel genoeg. Als een vriend me belt om met hem en zijn oude klasgenoten van de middelbare school op bezoek te gaan bij een boer op het platteland, wil ik meteen mee.

De 70-jarige boer Wang Chaoshun is vooral een goede vriend van Bai Qin. Bai Qin, met zijn 56 jaar net als zijn klasgenoten precies even oud als de Volksrepubliek, werkte tijdens de Culturele Revolutie in de jaren zestig twee jaar in de productiebrigade van boer Wang. Toen nam Wang de jonge en onervaren Bai een beetje in bescherming. Nu is het Bai die voor Wang en zijn familie de scherpste kantjes van de armoede afslijpt.

Zo gaan we vandaag een oud bakbeest van een computer brengen die een klasgenoot van Bai heeft opgeknapt. De klasgenoot geeft ICT-les aan een technische hogeschool, dus hij is de man die de computer met de loshangende elektrische draden en de telefoon moet verbinden. De elektra hangt boven een rode dekenkist, net onder een poster waarop China's leiders Mao, Deng Xiaoping, Jiang Zemin en Hu Jintao gebroederlijk naast elkaar te zien zijn. Onder die poster moet de computer komen.

,,Je kunt hem mooi gebruiken om er je tamme kastanjes mee aan de man te brengen'', legt Bai uit. Wangs vrouw ziet daar wel heil in, maar niemand kan haar zo snel uitleggen hoe ze dat in de praktijk dan precies zou moeten aanpakken. De computer is ook niet voor haar bedoeld, maar voor haar 14-jarige kleindochter, Wang Qi.

Wang Qi woont alweer twaalf jaar bij haar opa en oma. Of Wang Qi's vader eigenlijk nog leeft, weet niemand. Hij liep kort na haar geboorte weg toen hij geestelijke problemen kreeg en liet zijn dochter bij zijn vrouw achter. Die had geen zin haar kans te verpesten om opnieuw te trouwen. Ze dropte de tweejarige Wang Qi bij haar grootouders, om daarna ook het dorp te verlaten.

Wang Qi kan goed leren. Ze hoort bij de beste tien leerlingen van haar jaar, dat uit zo'n vijftig kinderen bestaat. Haar oma vindt dat niet iets om trots op te zijn. ,,Ik ben pas tevreden als ze de eerste is'', zegt ze streng, en de anderen leggen uit waarom. Alleen de beste vier of vijf kinderen kunnen ook naar de hogere middelbare school. Alleen met die opleiding begin je een beetje een kans op de arbeidsmarkt te krijgen.

Wang Qi mag van haar oma niet bij andere kinderen thuis spelen en ook geen kinderen mee naar huis mag nemen. ,,Ze moet leren, niet spelen'', vindt oma, die maar al te goed weet wat voor een leven je te wachten staat als je je brood alleen met ongeschoolde arbeid kunt verdienen.

De mannen uit de stad zijn milder en moderner. ,,Je moet haar juist aanmoedigen en complimenten geven'', zegt de ICT-leraar. ,,Dan gaat ze vanzelf goed haar best doen op school.'' En hij kan het weten, want zijn dochter is inmiddels gepromoveerd aan een Amerikaanse universiteit.

De kans dat dat Wang Qi ook gaat lukken, lijkt niet zo heel groot. Het is maar twee kinderen uit het dorp met tweehonderd gezinnen ooit gelukt naar een universiteit in Peking te gaan. Zoiets is duur en moeilijk als je les krijgt van matige dorpsonderwijzers.

,,Ik zou heel graag gaan studeren'', zegt Wang Qi, die meteen achter de computer kruipt als de ICT-leraar het ding met engelengeduld weer aan de praat heeft gekregen. ,,Je moet de computer gebruiken om er dingen mee op te zoeken, niet om te spelen'', raadt iedereen haar aan. Wang Qi knikt beleefd. De volwassenen zetten zich aan de copieuze maaltijd, een maaltijd uit dankbaarheid voor de hulp die ze van hun stadse vrienden krijgen. Oma en kleindochter eten niet mee: zij verdwijnen af en toe naar de keuken om nieuwe gerechten voor ons aan te dragen.

Als we weggaan, krijgen we elk een zak gepofte kastanjes mee voor onderweg; kastanjes die de oude Wang nog steeds zelf naar beneden haalt door in de bomen te klimmen. ,,De twee mensen die ik inhuur voor de oogst, durf ik niet omhoog te sturen, want als ze naar beneden vallen heb ik geen geld om hun ziekenhuisrekeningen te betalen'', legt Wang uit.

Voordat we het busje instappen, nemen we ook afscheid van Wang Qi. Ze ziet ons nauwelijks meer staan, want ze is helemaal verdiept in de computer. Ze heeft het spelletjesprogramma voor patience gevonden. Daar geeft ze zich volledig aan over. Het is tenslotte ook haar oktobervakantie.