Turken, maar geen moslims

Wie zich dezer dagen wil verdiepen in de Turkse cultuur en even geen zin heeft in kebab, hoofddoeken of de nieuwste Orhan Pamuk, kan bij uitgeverij Bulaaq terecht voor iets heel anders. Tegelijkertijd met een nieuwe editie van Saadi's Rozentuin, een meesterwerk uit de Perzische literatuur, verscheen daar onlangs het Turkse Boek van Dede Korkoet. Dit epos is in de zestiende eeuw op schrift gesteld, maar gaat terug tot veel oudere mondelinge tradities; daardoor is het geen doorlopende roman, maar eerder een verzameling losse, dikwijls sterke, verhalen. De mondelinge oorsprong ervan blijkt uit de talrijke formules en herhalingen van belangrijke elementen, en uit het veelvuldige gebruik van versvormen in de loop van de afzonderlijke verhalen. Bovendien vertoont het sporen van de voor-islamitische, sjamanistische religieuze praktijken van de Turkse volkeren die op de steppen van Centraal-Azië ronddraafden op hun paarden. Daardoor hoeft het geen verbazing te wekken dat het islamitische geloof van de personages erin maar oppervlakkig is. Ze gaan zich te buiten aan paardenvlees, wijn en gegiste merriemelk, zaken waar vromere gelovigen van afblijven.

Maar zulke cultuurhistorische gedachten verbleken bij het pure leesgenot dat deze klassieker van de Turkse literatuur te bieden heeft. Dede Korkoets mannelijke hoofdpersonen zijn stoere vechtersbazen en de meeste van zijn vrouwelijke personages zijn dat eveneens. De jonge Kantoerali neemt het op tegen leeuwen, ossen en kamelen, maar ook Seldzjan zelf weet van wanten: ze gaat 's nachts een horde van zeshonderd ongelovigen te lijf en geeft zich pas aan Kantoerali na een duel met pijl en boog. Een andere held, Bamsi Beirek, leert zijn geliefde, Bani Tsjitsjek, kennen tijdens een worstelpartij. De vorstin Borla met de lange hals slaat in een veldslag meer hoofden af dan menige mannelijke strijder. Maar bij menselijke veldslagen blijft het niet: Bamsi Beirek weet de jaloezie van Bani Tsjitsjeks gekke broer, Dolle Kartsjar, te bedwingen door een leger van duizend vlooien op hem los te laten. Vervolgens wordt hij in de nacht voor de bruiloft ontvoerd, en ziet haar pas na zestien jaar weer terug, na een reeks omzwervingen en listen die je een beetje doen denken aan de zoektocht van Odysseus naar zijn geliefde Penelope.

Dede Korkoets wereld is half mythisch: ze heeft geen eenduidige locatie, maar bevat elementen van zowel Centraal-Azië als de Kaukasus; ze wordt bevolkt door nomadische ruiters, niet door enige staat met een centraal gezag. De vertaler, Rik Boeschoten, is erin geslaagd om het middeleeuwse Turks van dit boek over te brengen in hedendaags Nederlands dat soepel en geloofwaardig klinkt; bovendien verheldert hij de historische achtergronden en de hedendaagse betekenis ervan in een uitvoerig nawoord. Tussen de zestiende en negentiende eeuw is dit werk vrijwel vergeten; maar in de nieuwe Republiek Turkije voldeed het aan de nationalistische behoefte aan een voor-islamitisch Turks verleden, zodat het al gauw de status van nationaal epos kreeg, en vele van de verhalen eruit in schoolboeken belandden. Dit half mythologische nationale verleden van Turkse steppevolkeren, en de multiculturele geschiedenis van het Ottomaanse rijk, hebben het hedendaagse Turkije minstens zozeer gevormd als enige islamitische traditie. Doordat het Boek van Dede Korkoet ons daaraan herinnert, heeft deze vertaling meer dan enkel literaire waarde.

Rik Boeschoten (vert.): Het boek van Dede Korkoet. Bulaaq, 256 blz. €17,50