Oorlog om de oorlog

Precies wat verzetsmensen in de kampen verbond, hun overtuiging, bleek hun later te verdelen. Jolande Withuis' studie is een monument voor moedige personen.

`Alles was anders dan wij nu denken', is het zelfverzekerde slot van Jolanda Withuis' boek Na het kamp. Zo'n conclusie mag je verrassend noemen voor wie een onderwerp behandelt dat al zo uitvoerig is besproken. De geschiedenis van de bevrijding van de kampen en de gebrekkige en trage repatriëring van de Nederlanders daar is al in verschillende publicaties behandeld. En ook Withuis zelf is al eerder op het onderwerp ingegaan in onder meer Erkenning uit 2002, en artikelen voor onder meer Icodo-info, een psychologisch tijdschrift over de gevolgen van oorlog en geweld, en eentje in de bundel Binnenskamers (2002), onderdeel van een grootschalig onderzoek naar de opvang van teruggekeerde slachtoffers na de Tweede Wereldoorlog.

Na het kamp heeft soms dan ook te lijden onder die eerdere publicaties; vooral de eerste helft van het kloeke boek bevat veel observaties en getuigenissen die vanaf de jaren negentig mede dankzij Withuis zelf begonnen door te klinken in de openbaarheid. Bovendien duurt het even voordat Withuis goed en wel op gang komt, omdat ze wil dat wij de hoofdrolspelers en de vier kampen waarin zij tijdens de oorlog waren gedetailleerd leren kennen. Het boek begint daardoor als een reeks opsommingen en de stijl helpt ons daar niet echt soepel doorheen.

Maar Na het kamp is wel degelijk een aanvulling op eerder werk en het zou zonde zijn als Withuis in dat hoekige begin haar lezers kwijtraakt. In de rest van het boek krijgt het verhaal namelijk langzaam maar zeker de overhand en lijkt het ook wel alsof Withuis haar pen beter in de hand heeft. De kiemen van haar betoog blijken dan bij nader inzien wel degelijk in de eerste hoofdstukken aanwezig, zij het begraven onder de andere gegevens.

Mantelorganisatie

Na het kamp gaat om de ontwikkeling van de naoorlogse verwerking van de oorlog in kringen van de voormalige kampgevangenen en dan vooral om de tegenstelling tussen de communisten en de patriotten onder hen, de soldaten van Oranje. Withuis vat haar bevindingen in het slotwoord als volgt samen: `De kampcomités stammen niet van direct na de bevrijding en in plaats van ongecompliceerde groepen lotgenoten, zoals nu wordt aangenomen, waren ze instrumenten van de CPN-politiek. De bevrijding van de concentratie- en vernietigingskampen werd de eerste decennia nauwelijks herdacht; over trauma's ging het pas na ongeveer 1970. De Nederlandse overheid, tegenwoordig een vaste gast bij kampherdenkingen, wilde daar tot eind jaren zestig niets van weten. Het Auschwitzcomité, inmiddels een instituut met welhaast de status van een Nationaal Comité 4 en 5 mei, werd door de BVD beschouwd als een communistische mantelorganisatie – wat het ook was. Joodse en communistische overlevenden waren in de organisaties van het voormalig verzet niet welkom. Verzetslieden zagen elkaar niet alleen als lotgenoot, maar ook als vijand. De vijandelijkheden tussen communisten en andere verzetsmensen liep in de Koude Oorlog hoog op, maar heersten al in Buchenwald.'

In Na het kamp systematiseert en onderzoekt Withuis al die bovengenoemde kwesties die nu inderdaad vanzelfsprekend lijken – dat is een prachtig uitgangspunt voor een wetenschapper. Zij steunt op haar eerdere onderzoeken om in dit boek een definitief overzicht te geven van de geschiedenis van de comités van kampoverlevenden na de oorlog. Belangrijkste bevinding is wel dat wat de verschillende politieke gevangenen – en dus niet de joden – in de kampen bijeenbracht, hun overtuiging, tijdens en na de oorlog ook het principe was dat hen verdeelde. Hooguit, in een uitzonderlijk geval, kon de persoonlijke vriendschap van deze lotgenoten deze tweedracht overstijgen. Als dat gebeurt, en Withuis beschrijft daar enkele gevallen van, zijn dat ontroerende en grootse momenten. In die passages is Na het kamp een schitterend boek, een monument voor moedige en groothartige personen.

Withuis heeft in haar boek een scherp oog voor de tragiek van de naoorlogse geschiedenis, die zoveel genuanceerder, ingewikkelder, troebeler was dan de oorlogsjaren. Daar vonden de gevangenen elkaar `in de dood', zoals zij dat zelf noemden. Zo simpel was het. Bevrijd, thuis kregen ze weer onenigheid over het koningshuis, Moskou, herdenkingen en monumenten.

In die sfeer van eenheid was direct na de bevrijding de Vereniging van Ex-Politieke Gevangenen uit de Bezettingstijd opgericht. De Expogé zou álle politieke gevangenen verenigen `die het geluk smaakten levend uit de duitsche vernietigingsmachine te geraken' en zou de idealen blijven uitdragen waarvoor vele kampgenoten waren gestorven: `Vrijheid, Verdraagzaamheid en Naastenliefde.' Vier jaar later royeerde de Expogé haar communistische leden. Directe aanleiding was de communistische staatsgreep in Tsjechoslowakije in 1948 en de uitspraak van de Nederlandse communistenleider Paul de Groot dat de CPN het Rode Leger zou steunen als dat in oorlog zou komen met het `Nederlandse grootkapitaal'. Waar de verschillen in opvatting al groot waren, werd hier de scheuring in het voormalig verzet formeel zichtbaar. Comités van overlevenden werden gesplitst in twee, het een door communisten gedomineerd, het andere voor de rest. Ravensbrück, Buchenwald, Dachau – oud-kampgenoten die elkaar bij de bevrijding dikwijls eeuwig trouw hadden gezworen, keken elkaar niet meer aan.

Van Agt

`De oorlog om de oorlog', schrijft Withuis, `duurde een kwart eeuw'. In 1972 veroorzaakte het Kamerdebat over de eventuele vrijlating van de Drie van Breda namelijk zo'n eenstemmige commotie onder de oorlogsslachtoffers, dat zij hun tegenstellingen grotendeels overwonnen. ,,Van Agt heeft al onze tegenstellingen weggevaagd'', zei een verenigingsbestuurder, verwijzend naar de toenmalige minister van Justitie die voorstelde om de drie laatst-overgbeleven oorlogsmisdadigers in Nederlandse gevangenschap voortijdig vrij te laten.

Withuis stelt dat in deze tijd verschillende historische veranderingen bijeenkwamen. De koudste dagen van de Koude Oorlog waren voorbij, in de woelige jaren zestig was verzet weer `in' geraakt en de aandacht voor de psychologische gevolgen van de kampen nam snel toe. `De psychiatrische blik' op de oorlog, schrijft Withuis, was even verenigend als de politieke blik erop verdelend was.

Nu kwam de ontwikkeling in gang die heeft geleid tot hoe Nederland nu in de meidagen aan de oorlog terugdenkt. Dat is spectaculair anders dan vroeger. Tegenwoordig staan vertegenwoordigers van de overheid in al haar geledingen, als het even meezit met keppeltjes op, `Nooit meer Auschwitz' te zeggen bij de verschillende monumenten. Dat is helemaal het gevolg van de `psychiatrische blik'. De herdenking gaat niet meer over verzetslieden, maar over slachtoffers. In eerdere jaren werd juist de grootste groep slachtoffers uit de kampcomités van politieke gevangenen geweerd onder het wrange, maar heldere motto: ,,Slachtofferschap is geen verdienste''.

Dat is de historische ontwikkeling die Withuis schetst. Die is belangrijk en helder neergezet, maar het is niet de mooiste lijn in haar boek. Na het kamp raakt het meest in de pasages waar Withuis' gevoeligheid, woede en deernis in doorklinken. De passages waarin zij dicht bij uitzonderlijke mensen komt als Pim Boellaard, de verzetsman die het beruchte Nacht und Nebel-kamp Natzweiler overleefde en ten slotte werd bevrijd uit Dachau. Uit Na het kamp komt hij naar voren als een man met een onfeilbaar zuiver kompas, die zijn communistische lotgenoten kapittelde als zij zijn geliefde koningshuis aanvielen, zoals de bohémien Nico Rost. Maar die vervolgens op zijn begrafenis memoreerde hoe Rost in Dachau ,,de ouwel uit het priesterblock bracht naar een stervende om een einde te verlichten. Gezegend ben je hiervoor, toen, nu en altijd.''

Haar woede reserveert Withuis voor naoorlogse onbenullen, zoals de anti-Amerikademonstranten die bij de onthulling van een monument in Dachau de oud-gevangenen uitscholden voor fascisten, onder wie de ongelukkige communist Piet Maliepaard. Of voor de misschien wel nog grotere onbenullen uit `assertief Amsterdam-Zuid' die niet gediend waren van een `naar' Dachaumonument in het Vondelpark. `,,Dit indringende monument maakt inbreuk op mijn persoonlijke vrijheid en was manipulatie van het denken niet waar het allemaal om ging?'' filosofeerde een denker.' Daar is Withuis eigenlijk de wetenschap voorbijgegaan en op onnavolgbare wijze in de tijd die zij beschrijft gaan zitten om zich erover op te winden. Dat is voor een historicus niet de gebruikelijkste en misschien ook niet altijd de beste werkwijze, maar het komt dit boek alleen maar ten goede.

Jolande Withuis: Na het kamp. Vriendschap en politieke strijd. De Bezige Bij, 543 blz. €22,50

Rectificatie / Gerectificeerd

In het fotobijschrift bij de bespreking van Jolande Withuis' `Na het kamp' (Boeken, 08.10.05) stond een verkeerde naam vermeld. De vrouw op de foto heet Nel Pooters.