Ontaarde disco

Disco geldt als het absolute tegendeel van de anarchistische punkbeweging. De twee stromingen hadden echter veel gemeen, betoogt een enthousiaste studie.

In 1989 ontsluierde Greil Marcus in Lipstick Traces. A Secret History of the Twentieth Century de officieuze voorgeschiedenis van de Engelse punk, toegespitst op de snelle opkomst en ondergang van de Sex Pistols. Met het Pistols-album Never Mind The Bollocks uit 1977 als uitgangspunt volgde Marcus met veel wilde associaties via kunststromingen als dadaïsme en situationisme het spoor terug naar obscure straatvechters ten tijde van de Franse revolutie om te eindigen bij vroegmiddeleeuwse ketterijen. Opmerkelijker dwarsverbanden dan in Lipstick traces heb ik zelden aangetroffen. Greil Marcus benadrukte dat Johnny Rotten en de andere `Pistols' nooit van dada hadden gehoord. De `geheime geschiedenis' werd niet door de punkers als zodanig beleefd, maar openbaarde zich uitsluitend achteraf aan Marcus zélf, de cultuurfilosofische inspecteur Clouseau.

Sinds Lipstick Traces wemelt het van de `geheime geschiedenissen' in de popmuziek. Communiceerde Bob Dylan in zijn teksten stiekem met de half-sjamanistische dichters William Blake en Walt Whitman? Hoe schatplichtig is Pink Floyd aan – bien étonnés – Wagner, Lawrence Sterne en Caspar David Friedrich? Waren Lou Reed en Patti Smith onafhankelijk van elkaar `in gesprek' met Edgar Allen Poe? Zo veel verborgen geschiedenissen – een beetje popmuzikant zou ervan in ademnood raken.

Dat nu ook de disco uit de jaren zeventig een `geheime geschiedenis' achter zich aan heeft fladderen, komt toch nog als een verrassing. Disco, de mechanische consumptiepop bij uitstek – daar valt met de beste wil van de wereld toch geen spoor van tegencultuur en oude avantgarde in te ontdekken?

Swing Jugend

Toch wel, naar nu blijkt. Peter Shapiro, schrijver voor poptijdschriften als Spin, Vibe en The Wire, onderscheidt in Turn The Beat Around maar liefst twee `geheime geschiedenissen'. De eerste is tamelijk vergezocht, op het potsierlijke af. In het nazi-Duitsland van de jaren dertig bestond in Hamburg een groep dissidente jongeren die zich de Swing Jugend noemde. De Swing Jugend trotseerde het verbod op jazzmuziek van die jaren, die door de nazi's werd beschouwd als `entartete Kunst'. Ze kwamen samen op geheime plekken in de Hamburg, bij voorkeur in kelders en souterrains. Tijdens een van die illegale bijeenkomsten wierp iemand uit het gezelschap zich op als vaste plaatjesdraaier. Dat was dan de eerste dj, aldus Shapiro.

Gelukkig voor Shapiro laat hij die eerste geheime geschiedenis al snel voor wat het is. Hij concentreert zich in Turn The Beat Around op een tweede `geheime geschiedenis', die hij heel wat overtuigender en uitgebreider over het voetlicht brengt. Die tweede, échte geheime geschiedenis vindt haar oorsprong in het New York van begin jaren zeventig. Shapiro schetst een beeld van een metropool in sociale, economische en morele ontreddering, op het apocalyptische af. De werkloosheid was er hoger dan waar ook in de Verenigde Staten, evenals de moord- en doodslagcijfers. Politie en lokale overheden waren vaker wél dan niet corrupt. Het aantal daklozen nam explosief toe; ondergronds ontstond in de metrostations een schaduwstad voor de allerarmsten. Stadsplanologen kochten gemeente-ambtenaren om met het doel hele wijken in Brooklyn en de Bronx te slopen teneinde allerlei wegennetten aan te leggen. Huurders in die wijken kregen standaard géén nieuwe woonruimte aangeboden. Het nieuwe Necropolis werd New York in die jaren genoemd. Martin Scorcese zou de onttakelde stad vastleggen in de klassieker Taxi Driver (1976).

In deze sociaal en moreel verloederde metropool zochten jonge zwarte stadsbewoners, latino's en ondergronds opererende homoseksuelen elkaar op in verwaarloosde en leegstaande loodsen en fabrieksgebouwen. Op die plaatsen organiseerde men illegale dansfeesten, opererend vanuit hetzelfde levensgevoel dat later, toen met punk en new wave als muzikale aanjager, opgeld deed in West-Europa: no future. Zonder zicht op een beter bestaan besloot men massaal te gaan dansen, zij het op de rand van de vulkaan.

Deze stelling van Shapiro is wél een interessante: punk en disco mogen te boek staan als muziekstromingen die elkaars tegenpolen zijn, maar de beide genres zijn wel ontstaan uit vergelijkbare ongenoegens over economische malaise, sociale repressie en morele bekrompenheid. Toch vervaagt het dystopische New York van begin jaren zeventig naarmate Turn The Beat Around vordert. Want Shapiro concentreert zich steeds sterker op één aspect van de in het begin van de jaren zeventig nog obscure muziekstroming. Telkens benadrukt hij dat disco onmiskenbaar van homoseksuele makelij was.

Anno 2005 is een hedonistische manier van uitgaan en feestvieren in clubs en discotheken bijna routine onder homo's, hetero's, jong, oud, blank en zwart. Maar in de jaren zeventig was het opeisen van zo'n hedonistische genots- en uitgaanscultuur niet minder dan een daad van verzet. Dertig tot veertig jaar geleden was ook in New York homodiscriminatie eerder regel dan uitzondering. De homoseksueel in New York die een eigen manier van uitgaan opeiste, was genoodzaakt `ondergronds' te gaan. Disco vormde aanvankelijk de soundtrack van de zelfbevrijding van veel jonge New-Yorkse homoseksuelen.

Turn The Beat Around schetst de opkomst en ondergang van allerlei exclusief door en voor homo's ontworpen uitgaansgelegenheden, badhuizen, sauna's en illegale clubs, waar de muziek klonk die aanvankelijk de Amerikaanse popzenders niet haalde: de discosound, de opzettelijk artificiële dansmuziek, met de elektrische gitaar als nieuw taboe-instrument en de synthesizer als de nieuwe muziekmachine die wonderen doet. De specifieke `seksuele energie' van de discosound onderstreepte de coming out van de Amerikaanse Gay Pride-beweging.

Homoclubs

Danste een man met een man, dan was dat in het homofobe Amerika van die jaren een daad van verzet. Pleasure is politics was een van de leuzen die de opkomst van de disco markeerde. De machinale, door synthesizers aangestuurde monotonie van veel discoplaten leek er speciaal voor ontworpen om de bezoeker van illegale homoclubs en -discotheken in trance te brengen. Die trance werd dan weer versterkt en opgesierd door diverse soorten drugs.

Ook het zogeheten Stonewall-incident komt in Turn The Beat Around ter sprake. De Stonewall Inn was een van de halflegale clubs waar homo's samenkwamen, met sommige avonden speciaal voor travestieten. Openlijke travestie was in sommige staten bij wet verboden, net als het `samengroepen' van homoseksuelen – maar in de praktijk konden controles door clubeigenaren worden afgekocht bij vaak openlijk corrupte korpsen. Maar op een nacht in 1969 lichtte de New-Yorkse politie een groot aantal travestieten van de dansvloer en dirigeerde ze in arrestatiewagens. Rellen onder de bezoekers waren het resultaat, overigens in Turn The Beat Around met smaak gememoreerd: `Queer power exploded with all the fury of a gay atomic bomb'. `Stonewall' werd een symbolisch merkteken van verzet en strijdbaarheid, te vergelijken met het groepje Afro-Amerikanen dat in de jaren zestig een `alleen voor blanken' bestemde streekbus in Alabama betrad.

Ook in een ander opzicht betekende disco voor de homoseksuele doelgroep het verleidelijke alternatief voor de door hetero's gedomineerde flower-powercultuur van de jaren zestig. Na de periode van aanbidding van de popster die zich als een sjamaan op het podium presenteerde, ontwikkelde zich een tegenbeeld van die feodale structuur van verafgood popidool versus anonieme fan. Er bleek grote behoefte aan wat wel genoemd wordt `de democratie van de dansvloer'. Op die dansvloer kan en mag iedereen a star in his own right zijn. `Dancing with yourself' werd de opzettelijk apolitieke slogan, die paradoxaal gezien juist ook weer wél politiek was, gezien de rechten en de vrijheid die homo's opeisten.

Eenmaal aanbeland bij de `hogere' aspecten van het destijds clandestiene homoseksuele hedonisme haalt Shapiro er ineens de Franse poststructuralistische filosofie bij, in het bijzonder in de persoon van Gilles Deleuze. Als het gaat om schaduwgeschiedenissen, lijkt Deleuze en zijn opzettelijke amorfe filosofie altijd wel inzetbaar. Shapiro heeft Deleuze nodig om uit te weiden over een wereld die afstevent op een gelukzalige zelfbevrijding. Na te zijn verlost van sociale, economische en politieke verplichtingen, kan de mens zich idealiter ontwikkelen tot een `verlangenmachine' die in trance-toestand contact kon leggen met een andere `verlangenmachine' teneinde op te gaan in een gedeelde roes. Een verfijnd netwerk van `verlangenmachines' zal dit Utopia vervolmaken. En hoe streef je, terug bij Shapiro, in de praktijk zo'n roes na? In de disco! Op de dansvloer!

Van de denkbeelden van Gilles Deleuze naar de vierkwartsmaat van Chic en Sister Sledge – ziehier in telegramstijl het traject dat Richard Shapiro aflegt in Turn The Beat Around. Dansend en wel steeg men op en trad men uit dankzij het monotone synthi-ritme van Sylvester, Girogro Moroder, Donna Summer, Van McCoy, KC and the Sunshineband, de Silver Convention en allerlei andere disco-acts. Shapiro keert de beste en aanstekelijkste discohits van deze artiesten van weleer binnenstebuiten. Hij speelt het daarbij klaar om een compleet hoofdstuk te wijden aan één enkele discohit: `I Feel Love' van Donna Summer. Dat is alleen al opmerkelijk doordat de tekst van dit liedje uit weinig meer woorden bestaat dan die uit de titel. Beheerst hijgend en kreunend herhaalt Donna Summer die woorden in extenso.

Shapiro beschouwt `I Feel love' als een radicale protestsong die ingaat tegen allerlei stereotypen. Donna Summer voegde zich niet in de cliché-rol van de warmbloedige zwarte vrouw (de `soul sista') maar eigende zich de gestalte toe van de doorgaans blanke seksuele ijskoningin. Waar James Brown ooit zong dat hij een seksmachine kon en wilde zijn, daar verdwijnt Summer echt in die machine; ze wordt er onderdeel van. Met haar opzettelijk kille monotonie stak ze de draak met de heteroseksuele oververhitting en celebreerde ze de koele, gestileerde homo-erotische blik. Donna Summer was de eerste zingende cyborg in de popmuziek. Het mag duidelijk zijn dat Peter Shapiro grote woorden niet schuwt.

Hitparademuziek

Shapiro betreurt het dat disco in de tweede helft van de jaren zeventig van `geheime' soundtrack van de Amerikaanse homobeweging evolueerde tot de algemeen geaccepteerde hitparademuziek voor het hele gezin. Het idee dat iedereen een ster op de dansvloer kon zijn, sloeg over op de gevestigde hetero-cultuur; in de tweede helft van de jaren zeventig vertienvoudigde het aantal discotheken in de Verenigde Staten en Europa. De homo-emancipatie slaagde volop; in die jaren kwamen de exclusief homoseksuele uitgaansgelegenheden bovengronds.

Dat disco zich ontwikkelde tot een algemeen geaccepteerd cultuurgoed, betekende uiteindelijk de doodsteek voor het genre. Want zonder de meerwaarde van een radicale homocultuur bleef er van disco niet veel meer over dan de platst denkbare plastificatie van de popmuziek. `Disco' werd synoniem van de breed uitgevente wansmaak van plateauschoenen, rolschaatsen, glitterbollen en hangsnorren. In breder verband vormden veel discohits het auditieve behang waarmee het iktijdperk werd gestoffeerd.

Commercieel ijkpunt in de epoche van de disco was natuurlijk de speelfilm Saturday Night Fever (1977), met in de hoofdrol John Travolta als de working class hero die door de week werd afgebekt en uitgebuit door bazen en bovenmeesters, maar die in het weekend transformeerde tot superster op de dansvloer. Saturday Night Fever, niet zonder reden voorzien van een broeierige homo-erotische ondertoon, leverde aldus voor een miljoenenpubliek de heteroseksuele variatie op het verhaal van de hardnekkig veronachtzaamde jonge homoseksueel die voor zijn manier van leven opkomt.

Nog geen jaar na het succes van Saturday Night Fever zakte de discocultuur ineens als een plumpudding in elkaar. Het was een kwestie van één zomer, zo snel was het verzadigingspunt bereikt. In de VS begonnen dj's van radiostations antidisco-acties. In diverse Amerikaanse steden werden ludieke bijeenkomsten georganiseerd waar jongeren hun discoplaten en plateauschoenen verbrandden. De opkomst van de zo rauw mogelijke punk was een directe reactie op het succes van de disco.

Succesverhaal

Hoe moet je dat succesverhaal achteraf interpreteren? Shapiro ziet de overname van een homoseksuele subcultuur door de heteroseksuele bourgeoisie als een onvermijdelijke ontwikkeling. Toch stoort het Shapiro zoveel jaar na dato dat de disco zich van homosubcultuur verbreedde tot heteromassacultuur. Die ergernis geeft Turn The Beat Around soms iets nuffigs en snobistisch.

Shapiro is het sterkst in zijn beschrijvingen van de hoogconjunctuur van de disco. Het `Nachleben' van de muziekstroming brengt hij iets minder overtuigend in kaart. Shapiro ziet in jaren-tachtigbands als Spandau Ballet, Duran Duran en Haircut 100 disco en new wave zich vermengen – iets waarvoor je wel heel `rekkelijk' moet luisteren.

Opmerkelijk is dat Shapiro op veel plaatsen in Turn The Beat Around exclusief Amerikaans georiënteerd is. Hierdoor is het hem misschien ontgaan dat disco indirect wel degelijk grote invloed heeft uitgeoefend op muziekstromingen in Engeland en de rest van Europa. Zo gaat Shapiro geheel voorbij aan de opkomst van de triphop in Engeland in de jaren negentig, waarbij allerlei disco-achtige elementen muzikaal gezien eindelijk op een hoger plan werden getild.

Een ander manco is de afwezigheid van de Deutsch Amerikanische Freundschaft, kortweg DAF, een Duits duo dat disco, punk en industriële noise met elkaar vermengde. DAF zorgde voor controverse met het nummer `Den Mussolini' uit 1981. Begeleid door een dampende discodreun zong het duo: `Beweg deinen Hintern / tanz den Mussolini/ tanz den Adolf Hitler/ tanz den Jesus Christus.' DAF deed aan vrolijk-nihilistische satire om op te dansen – wat wil Peter Shapiro nog meer?

Bovendien was Turn the Beat Around met het signaleren van deze culthit echt rond geweest. In de jaren tachtig dansten jongeren in Amsterdam, Berlijn en Londen op de plaat waarop de naam van de man werd gescandeerd die in de jaren dertig de dansmuziek van die jaren tot `ontaard' had verklaard. In discotermen is dat het effectiefst denkbare verzet: de vijand ontmantelen door zijn naam te reduceren tot een dansbare soundbite.

Peter Shapiro: Turn The Beat Around. The Secret History of Disco. Faber & Faber, 350 blz. 26,49