Ode aan de seksuele revolutie

De treurige geschiedenis van een mismaakte kasteelheer verweeft Hella Haasse met de bevrijding van de jaren zestig. Deze week discussieert de Leesclub (www.nrc.nl/leesclub) over de invloed van het oproer van 1968 op `De tuinen van Bomarzo'.

Wat bevindt zich in het midden van de roos? Hella S. Haasse draait er lang omheen in De tuinen van Bomarzo, maar uiteindelijk staat op pagina 141 van het boek de meest kernachtige omschrijving van het tuinencomplex: `Orsino Orsini's park van seks en geweld'. Ze schrijft het bijna terloops, bij de uitwerking van de vraag `wat betekent de olifant?' Maar toch is dat het waar ze aan het eind van haar zoektocht bij uitkomt: de tuinen als de uiting van een gefrustreerd en gekrenkt man die bovendien `vreemde dingen' gedaan zou hebben. Haasse schrijft: `Een nog jonge, verbitterde man met een minderwaardigheidscomplex, uiterlijk mismaakt maar lichamelijk gezond, bovendien behept met een zonderlinge fantasie, oefent vrijwel onbeperkte macht uit in een afgelegen streek met nog primitieve bewoners. Daar kan van alles gebeuren. Er hoeft nog geen sprake te zijn van misdaden of perversiteiten' (p.147). Het is het soort passage (met de superieure ironie van `Daar kan van alles gebeuren') dat mensen ertoe verleid moet hebben om De tuinen van Bomarzo een roman te noemen – ook al omdat Haasse zelf de mogelijkheid oppert dat ze, op dat punt aangekomen, de werkelijkheid geweld heeft aangedaan.

De tuinen van Bomarzo is een schoolvoorbeeld van een literair essay, een poging om al schrijvend iets te ontdekken. Of de werkelijkheid daarbij geweld wordt aangedaan doet niet echt ter zake. Het is een vorm van literair onderzoek, met de bedoeling om al schrijvend iets te weten te komen wat daarvoor niet helder was. Daarbij zijn de historische feitelijkheden over de tuinen ondergeschikt aan de gedachten over hun betekenis. En misschien strekt die betekenis zich wel veel verder uit dan de historische.

Die zoekende mannier van schrijven heeft ook nadelen. Want om nu te zeggen dat De tuinen van Bomarzo je dadelijk in zijn greep krijgt, nee. Wie zonder veel voorkennis begint te lezen, blijft lang net zo gedesoriënteerd als Haasse voorwendt te zijn. Ze lijkt een aanloop te nemen, waarbij je je al lezend afvraagt wanneer het nu écht gaat beginnen. Dat de aanloop de hele race is, realiseer je je pas in het middendeel van De tuinen, als het tempo omhoog gaat en plotseling de ene na de andere allusie aan seksualiteit opduikt.

Dat begint met uitweidingen over de bruiloft van de mismaakte Orsino Orsini en de beeldschone Giulia Farnese (`de overweldigende schoonheid van deze jonge vrouw hebben zonder twijfel dat inzicht op prikkelende wijze gekruid', blz. 64-75), later gekoppeld aan de `nooit geheel verdrongen mediterrane verlangens en behoeften' blz. 94-95) en een uitweiding over de rol van seksualiteit in de Bomarzo-doeken van Dalí en Willink en het `voortdurend betrokken-zijn bij de aarde en haar geneugten' (blz. 101-102). Wanneer Haasse dan terugkeert naar de beelden zelf ziet ze wat voor beelden er achter de Grote Nimf vastgehouden worden, `met gespreide benen en het hoofd omlaag achterover' (blz. 123). De roos uit het familiewapen zou te maken hebben met de lokale dertiende-eeuwse heilige Rosa, een `aard- en vruchtbaarheidsgodin'. Men kan `in haar versierde en van lichtjes stralende zuil een fallus zien' (blz. 124)

Wat betekent die seksualiteit precies? Haasse schrijft `dat de inspiratie voor deze tuinaanleg voortkomt uit een denkwijze die nog nauwelijks door de renaissance was beroerd'. (blz. 123). Zij vermoedt dat de verwijzingen naar oude vruchtbaarheidsrituelen een belangrijke reden zijn waarom de tuinen zo lang bij zo veel mensen een snaar hebben geraakt.

Maar het gaat niet alleen om diepe driften en barbaarse verlangens. Haasse presenteert de tuinen ook als een kruisweg `langs alle staties van zijn persoonlijke problematiek' van opdrachtgever Orsino Orsini (blz.138). Dat persoonlijke staat recht tegenover de duistere, van alle zinnelijkheid ontdane Mariaverering uit de Middeleeuwen. De tuinen mogen dan niet zijn aangeraakt door de Renaissance in de kunsthistorische zin van het woord, ze worden door Haasse wel nadrukkelijk gepresenteerd als het resultaat van het werk van een individu. En de opkomst van het individualisme is in de klassieke interpretatie van de Renaissance hèt kenmerk van dat tijdvak.

Voor dat individu (Orsino Orsini) zijn de tuinen een werk van persoonlijke bevrijding, een bevrijding die bovendien een seksueel tintje heeft. Bomarzo is de bevrijding van de individuele mens, een plek waar de aanzet wordt gegeven tot een grote beschavingskracht, een wedergeboorte op weg naar iets groots, moois en nieuws. Wat Haasse beschrijft, is hoe Orsino's verbeelding het won van de dogma's van zijn tijd. De verbeelding greep de macht.

Dat kun je in verband zien met de manier waarop Haasse zich in haar eigen essay van de dorre feiten en de conventionele opvattingen afkeert en een nogal vrije interpretatie van haar stof geeft. Maar seksuele bevrijding en verbeelding die naar macht haakt, doen vooral ook denken aan de culturele revolutie die West-Europa vijfendertig jaar geleden doormaakte.

De tuinen van Bomarzo is niet alleen een boek dat toevallig verscheen in 1968, het jaar waarin studenten in veel Europese steden de gevestigde orde aan het wankelen brachten. Het is ook een boek dat daarover gáát. Over de kracht van de individuele verbeelding, met een bijzondere rol voor de seksuele bevrijding,Haasse, in 1968 een halve eeuw oud, betoonde zich misschien geen demonstrante, maar op zijn minst een sympathisant. Wat zou zij vinden van de nieuwe conservatieven die de destijds bevrijde geest van seksualiteit en onafhankelijkheid nu weer terug in de fles proberen te proppen?

Volgende week in de Leesclub: Toef Jaeger over `De tuinen van Bomarzo' als zoektocht tussen feit en fictie.