Niet gekooid door de barbaren

Jarenlang is de identiteit van de schrijver van Ali en Nino – het inmiddels klassieke liefdesverhaal van een moslimjongen en een christelijk meisje onduidelijk geweest. Wie school nu werkelijk achter het pseudoniem Kurban Said? Enkele jaren geleden wist een Amerikaanse journalist, Tom Reiss, in een beschouwing voor de New Yorker het geheim te ontrafelen: de auteur was een zekere Lev Nussimbaum, een tot de islam bekeerde joodse schrijver. Afkomstig uit de Kaukasische oliestad Bakoe raakte hij na veel omzwervingen verzeild in Wenen, waar zijn roman in 1937 verscheen.

Reiss raakte zo door diens levensverhaal gefascineerd dat hij inmiddels een volledige biografie aan de wederwaardigheden van Nussimbaum heeft gewijd. En we mogen de biograaf dankbaar zijn dat hij dit zonderlinge leven aan de vergetelheid heeft ontrukt. Tussen 1905 en 1942, dat wil zeggen in de zevenendertig jaar dat hij heeft geleefd, zijn we getuige van een opeenstapeling van historische gebeurtenissen en van gedaantewisselingen van de hoofdrolspeler. Diens identiteit mag dan zijn achterhaald voor de burgerlijke stand, maar Lev Nussimbaum, nu beter bekend als Kurban Said en in zijn eigen tijd beroemd als Essad-Bey, onttrekt zich aan gemakkelijke plaatsbepalingen.

De volgende kenschets van Reiss lijkt treffend: `Hij was een raciale en religieuze travestiet in een tijd dat ras en religie de doodstraf met zich met konden brengen.' Ga maar na: een jood die door het leven gaat als aristocratische moslim en in het Berlijn van de jaren twintig en dertig een gevierd schrijver wordt onder de naam Essad-Bey. Na de machtsovername door Hitler komt hij via Wenen uiteindelijk in de loop van 1938 in Italië terecht waar hij tegen het einde van zijn leven uit alle macht probeert om de officiële biograaf van Mussolini te worden.

In een dramatische brief probeert hij zijn raciale zuiverheid te bewijzen tegenover de onwillige bureaucraten van het fascistische Italië: `De waterdichte bewijzen van een Arische afkomst tot in de derde generatie van mijn familie zijn buitengewoon moeilijk te verkrijgen omdat alle relevante documenten in handen zijn van de bolsjewieken [...] Kunt u in Rome of Florence een ter zake deskundige antropoloog aanbevelen, die na onderzoek een definitieve uitspraak kan doen over mijn raciale aard?'

Dan zijn we in de nadagen van een roerig leven, dat in totale ontluistering zal eindigen aan de golf van Amalfi, niet ver van Napels. Daar bezwijkt Nussimbaum aan de gevolgen van een ziekte die hem langzaam sloopt. `Hij was in Positano aangekomen als een knappe jongeman van begin dertig. Een paar jaar later leek hij wel twee keer zo oud en was hij verslaafd aan opiaten.' Die verdovende middelen waren het enige dat hielp bij het bestrijden van helse pijn, die zijn kwaal opriep. Hij overleed in 1942 en op het kerkhof van Positano herinnert een kleine marmeren zuil met daarop een gebeeldhouwde tulband aan zijn laatste rustplaats.

De omstandigheden waarin Lev Nussimbaum als zoon van een joodse oliemagnaat ter wereld komt zijn ook al niet zonder drama. Het is oktober 1905 en zojuist heeft de tsaar na de mislukte revolutie van dat jaar hervormingen aangekondigd. Overal in het land breken onlusten uit, en honderden pogroms tegen joden vinden plaats.

Het gezin is weinig harmonieus, sterker nog tot op het bot verdeeld. Terwijl zijn vader deel uitmaakt van de maatschappelijke bovenlaag en een aanzienlijk fortuin verdient in de olie-industrie, is Levs moeder betrokken bij de revolutionairen. Zijn moeder komt onder onduidelijke omstandigheden op jonge leeftijd om. Lev is dan pas zes jaar oud. Pas later wordt hem duidelijk dat ze zelfmoord heeft gepleegd, misschien omdat de verschillende loyaliteiten niet meer bijeen te houden waren.

Misschien, want we weten het niet. Zo zijn er wel meer lacunes in het levensverhaal van Nussibaum. De biograaf registreert ze zorgvuldig, maar weerstaat soms de verleiding niet om het spaarzame materiaal aan te vullen met historische uitweidingen.

Wanneer het Rode Leger in 1920 Bakoe binnentrekt slaan vader en zoon op de vlucht. Ze reizen over de Kaspische Zee en keren maanden later via Perzië terug. De stad is heroverd door Turkse en Duitse troepen en Azerbajdzjan zal een korte tijd als onafhankelijke republiek een bloeitijd meemaken. Ook in democratisch opzicht, als het enige moslimland waar vrouwen kiesrecht hadden. Maar met de betrekkelijke rust is het snel gedaan, wanneer het Rode Leger in 1921 het land opnieuw inneemt en een ware terreur ontketent tegen vooral de elite van Bakoe. Opnieuw slaan vader en zoon op de vlucht en via Constantinopel en Parijs belanden ze uiteindelijk in Berlijn. Van de ene revolutie naar de andere zou je kunnen zeggen, want in de Duitse hoofdstad zullen ze de opkomst van Hitler van nabij meemaken.

Hoe verder hij weg raakt van zijn geboortestad, hoe sterker de identificatie wordt met de oriënt en de islam. Ook het verblijf in Constantinopel, dat kort daarna herdoopt zal worden tot Istanbul, heeft een grote invloed gehad op de jonge vluchteling. In Berlijn bekeert Nussimbaum zich tot de islam in aanwezigheid van de imam van de Turkse ambassade. Dat is in de zomer van 1922 en kort daarna gaat hij, terwijl hij zijn middelbare school nog moet afmaken, Turks en Arabisch studeren aan de universiteit. Vanaf dat moment neemt hij zijn nieuwe identiteit aan en beweert overal dat zijn vader een moslim is van adellijke afkomst.

Reiss plaatst Nussimbaums oriëntalisme in een bredere context en wijst erop dat er veel meer joodse intellectuelen waren die droomden van een verzoening tussen jodendom en islam, in een lotsverbondenheid van de semitische volkeren. Een verbondenheid waar de term antisemitisme ook een uiting van is. `Hij begon te fantaseren over een pan-islamitische geest die tegenwicht kon bieden tegen de revolutionaire omwentelingen. Zijn bekering is volgens Reiss geen vlucht voor het antisemitisme, maar een manier om de multi-etnische atmosfeer van zijn jeugdjaren te herontdekken.

In Ali en Nino heeft hij de geromantiseerde herinnering aan het kosmopolitische Bakoe vastgelegd. Reiss schrijft: `Het is niets minder dan een hartstochtelijke steunbetuiging aan het idee van etnische, culturele en religieuze vermenging.' Zeker in het licht van de gebeurtenissen daarna was zijn herinnering aan die dagen van betrekkelijk onbezorgd samenleven meer dan een nostalgisch gebaar. Hij zag in de multi-etnische Kaukasus `een vluchthaven tegen de dogma's van de moderne wereld', aldus zijn biograaf.

Wat ook de precieze redenen van zijn bekering zijn geweest, vanaf dat moment is een nieuw personage ontstaan: Lev Nussimbaum ging op in Mohammed Essad-Bey. Hij mag graag in oriëntaalse kledij in het uitgangsleven verschijnen. Intussen studeert en schrijft hij als een bezetene. Zijn talent als schrijver blijft niet lang onopgemerkt in het Berlijn van de Weimar-republiek. Hij vindt onderdak bij het tijdschrift Die literarische Welt en publiceert op zijn vierentwintigste, als eerste van niet minder dan zestien boeken, het zeer succesvolle Öl und Blut im Orient. Twee jaar later werkt hij tegelijkertijd aan biografieën van Mohammed en Stalin, die kort daarop verschijnen. In de jaren dertig maakt hij tot ver in het buitenland naam als schrijver, maar tegelijkertijd wordt hij door islamitische organisaties en door extreem-rechtse bewegingen achtervolgd met zijn ware identiteit.

Zijn teloorgang in de tweede helft van de jaren dertig heeft zeker met een leven te maken dat beklemd was geraakt tussen de grote totalitaire ideologieën van zijn tijd, het communisme en fascisme. Altijd op de vlucht: in 1920 voor het Rode Leger, in 1933 voor Hitler, in 1938 na de Duitse inlijving van Oostenrijk en daarna een marginaal bestaan in het Italië van Mussolini. Toch had hij na een kortstondig verblijf in New York ook in Amerika kunnen blijven: aanbiedingen waren er genoeg. Op zijn sterfbed in Positano schrijft hij in memoires, die door Reiss bij toeval zijn ontdekt, dat de gedachte voor altijd in Amerika te blijven `een onbegrijpelijke afschuw' bij hem opriep. `Er was geen rationele verklaring, het was een irrationeel gevoel dat me naar de rand van de afgrond drong, een van die momenten waarop een mens een beslissing neemt die de loop van zijn leven zal veranderen.'

In Ali en Nino heeft hij een soms iets te clichématige, maar wel zeer ontroerende liefdesgeschiedenis geschreven. In zijn eigen leven was hij veel minder gelukkig in de liefde. Zijn huwelijk met de rijke Erika Loewendahl hield geen stand en die mislukking verteerde hem een leven lang. De titel van die ongepubliceerde memoires die hij oog in oog met de dood schreef is niet toevallig De man die niets van de liefde wist.

Wat overblijft van dit turbulente leven is een oeuvre dat nog steeds zeer leesbaar is. Dat geldt zeker voor zijn twee romans, maar ook voor sommige van zijn biografieën. Reiss is terughoudend in zijn conclusies over de schrijver van wie hij via vele omwegen de identiteit op het spoor is gekomen. Er zat iets merkwaardigs, zeg maar gerust gekte in de geheimen omtrent zijn afkomst, die hij cultiveerde en die te zeer bekend waren om echte geheimen te zijn. Misschien was het vooral de pose van een tragische avonturier, maar Reiss gelooft dat er een diepere betekenis achter schuilgaat: `Het was Levs manier om de wereld en zichzelf duidelijk te maken dat men hem niet kon opsluiten in een kooi van de meest recente barbaarse makelij.'

Tom Reiss: Een reiziger uit de Oriënt. Over het verborgen leven van de schrijver van `Ali en Nino'. Vertaald uit het Engels door Tinke Davids. De Bezige Bij, 423 blz. €29,90