Massamoord op de koop toe

De boektitel Totale waanzin wekt geen hoge verwachtingen ten aanzien van het analytisch gehalte van de inhoud. `Totale waanzin' is immers net zo'n omschrijving als `voorportalen van de hel' in oorlogsreportages. Zulke dramatische kwalificaties in de beschrijving van feiten en omstandigheden lijken er veelal op gericht het verstand op nul te zetten: dit is zo erg, dat je niet kunt begrijpen hoe het zo ver heeft kunnen komen; dat is ook niet nodig; voldoende is beschrijven hoe erg het is geweest.

Gerekend naar deze verwachtingen valt het boek van Janine di Giovanni, correspondente van The Times en Vanity Fair in voormalig Joegoslavië, alleszins mee. Het is een uitstekend geschreven verslag, grotendeels vormgegeven als een terugblik, van haar belevenissen in de laatste oorlogsjaren, te beginnen met de Kosovo-crisis van 1999. In een persoonlijke stijl doet Di Giovanni verslag van haar belevenissen in de oorlogsgebieden, die veelal een soort borderline-ervaringen zijn: hoe komen mensen zo wreed en zo slecht?

Onderzoek ontbreekt niet in het boek. Het bevat bijvoorbeeld uitvoerige portretten van de Bosnisch-Servische leiders Nikola Koljević en Biljana Plavšić, twee minder bekende Bosnisch-Servische leiders. Ook staat het boek vol met allerlei anekdotes over de familie Milošević, en doet de auteur smakelijk verslag van de uiteindelijke arrestatie van deze Servische leider. Di Giovanni schrijft met groot inlevingsvermogen, in de psyche van schurken én slachtoffers.

Toch vraag je je een beetje af, waarom zo'n reportageboek uit de eerste hand nu nog verschijnt. Wordt het niet zo langzamerhand tijd om de beschrijving van wat er in ex-Joegoslavië gebeurd is – deze jarenlange lawine van politieke, militaire en menselijke gebeurtenissen te verruilen voor een meer conceptuele benadering?

Hoe heeft het kunnen gebeuren dat in de over het algemeen vreedzaam verlopen ondergang van het communisme in Europa na 1989, uitgerekend alle nachtmerries waar zijn geworden in het land, dat algemeen doorging voor het meest open, tolerante en verwesterde van de zogeheten `socialistische' landen?

Ton Zwaan en Bob de Graaf hebben een dergelijke meer analytische benadering in hun boek geprobeerd. Hun uitgangspunt is genocide – de basis van het boek is een oorspronkelijk voor het Joegoslavië-Tribunaal in Den Haag geschreven expertise-rapport. De opbouw van het boek is dan ook academisch: na een algemeen hoofdstuk over genocide, en een tweede over genocide in Joegoslavië, volgt een zeer goed overzicht van de politieke en militaire geschiedenis in de aanloop tot de oorlog in ex-Joegoslavië en een overzicht van die oorlog zelf.

Er is in die oorlog, of oorlogen, ontzettend veel gebeurd. Maar Zwaan en De Graaf weten aannemelijk te maken, dat bij de verschillende partijen vanaf het begin de bereidheid heeft bestaan, de grootscheepse vernietiging van bevolkingsgroepen tenminste op de koop toe te nemen. De inductie van haat en angst in de bevolking, ten aanzien van het optreden van andere bevolkingsgroepen is vanaf het begin een belangrijk gegeven geweest in het conflict.

En passant behandelen de auteurs ook andere elementen uit het conflict, de evolutie van het federale leger, de JNA, tot een in essentie Servische strijdmacht bijvoorbeeld. Opvallend is, aan het eind van het boek, hun buitengewoon sombere inschatting van de overlevingskansen van de diverse kleine republiekjes en staatkundige eenheden waarin het land uiteen is gevallen. Wat eens niet alleen het leefbaarste en vrijste land van Oost-Europa was, bestaat nu uit een groot aantal republiekjes, waarvan er veel gedoemd lijken nog in lengte van dagen op economische steun van buiten aangewezen te zijn.

Twee interessante boeken dus, die echter nog veel vragen onbeantwoord laten. Al ten tijde van de oorlogen in ex-Joegoslavië waren theorieën te horen dat Joegoslavië als het ware gedoemd was ten onder te gaan. Het zou een `onnatuurlijk' samengaan van meerdere nationaliteiten zijn geweest, een samenvoeging van gebieden die grotendeels tot het Oostenrijks-Hongaarse rijk hadden behoord met Servië, het enige eigenlijk van de onderdelen van Joegoslavië waarin sinds de bevrijding van het Ottomaanse `juk' een staatstraditie was opgebouwd. Als gevolg daarvan maakten, reeds in het koninkrijk Joegoslavië van voor de Tweede Wereldoorlog, Serviërs op veel bestuursniveaus de dienst uit.

Zo'n samenwerkingsverband was wel gedoemd te mislukken, was dan de redenering. Het onafhankelijkheidsstreven van de Slovenen en Kroaten aan het begin van de oorlog kon dan ook – vooral in Duitsland en Oostenrijk maar zeker niet daar alleen – in de rest van Europa op behoorlijk veel sympathie rekenen. Dat het Servië van Milošević in het decennium vóór de oorlog al duidelijk een voorschot had genomen op de waarschijnlijk geachte deling van Joegoslavië, in de vorm van een agressieve benadering van de autonomie in Kosovo en de Vojvodina, kwam bij de organisatie van deze sympathie goed van pas.

Alleen: was het ook waar? Tot op de huidige dag kun je in het tot Mickey Mouse-republiekjes vervallen Joegoslavië mensen tegenkomen die vinden dat het leven ten tijde van de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië, behalve veel welvarender, ook veel vrijer en interessanter was dan nu. Moeten we werkelijk geloven, zoals ook de onderhavige boeken impliciet doen, dat een door en door corrupte en kwaadwillige politieke elite een heel volk vermag aan te zetten, elkaar te haten en uit te moorden? Ik heb zo mijn twijfels, Maar geen alternatieve verklaring.

Janine di Giovanni: Totale waanzin. Vertaald door Tinke Davids. Contact, 336 blz. €24,90

Ton Zwaan en Bob de Graaff: Genocide en de crisis van Joegoslavië 1985-2005. Contact, 287 blz. €24,90