Kruistocht naar het Westen

Kan de gedeelde afkeer van George Bush Europa politiek verenigen? De auteurs van drie nieuwe boeken houden een vurig pleidooi voor meer Europese eenheid, ondanks de huidige malaise en de moeizame gesprekken met Turkije.

De kruisvaarders zijn terug. De schatten die Europese soldaten, edellieden, boeren en landlopers rond 1100 na Christus meenamen (of liever gezegd roofden) uit het Heilige Land zijn momenteel te zien op een tentoonstelling in het Catharijneconvent in Utrecht. Op één van de getoonde fresco's achtervolgt een kruisridder, fier en hoog te paard, zijn gluiperige Arabische vijand.

Destijds belandde een deel van de kruisbeelden, schilderijen en relikwieën in Rome. Ze waren bedoeld als tribuut aan de heilige stad, waar pausen als Urbanus II en Gregorius VIII opgeroepen hadden tot de herovering van Jeruzalem, wat in 1099 ook lukte. Overal in Europa had de roep geklonken om mee te doen aan de redding van medegelovigen uit hun benarde omstandigheden. Urbanus en Gregorius maakten er handig gebruik van om hun gezag uit te breiden. Rome smeedde Europa aaneen, met dank aan het spookbeeld van de gevaarlijke Arabier.

Dezer dagen lijkt er sprake te zijn van een nieuwe Europese mars, maar nu richting het Westen. Dit keer gaat het niet zozeer om een gevaarlijke vijand als wel om een afvallige vriend. Opnieuw moet een dreiging van buiten Europa, namelijk het schrikbeeld van de Verenigde Staten van George Bush, het continent zijn felbegeerde eenheid en zelfvertrouwen schenken. Dat is hard nodig. Sinds het Europees Grondwettelijk Verdrag in de stemhokjes sneuvelde en Europese regeringsleiders openlijk ruziën over de vraag `hoe nu verder?', lijkt Europa weinig zelfbewustzijn over te hebben. Begin deze week strandde bijna een ander groot Europees project, de voorgenomen opening van de onderhandelingen met Turkije over een toekomstig lidmaatschap. Het geloof in een eigen, positieve boodschap van Europa, waarover premier Balkenende als EU-voorzitter een jaar geleden enkele conferenties organiseerde, is ver weg.

Wellicht kan de gedeelde weerzin van veel Europese lidstaten jegens de politiek van Bush dus uitkomst bieden. Drie recente publicaties stellen vast dat het gedrag van de Verenigde Staten op het wereldtoneel Europa dusdanig in de problemen brengt dat het continent geen andere keuze heeft dan onderling meer samen te gaan werken. Hoogleraar Karel van Wolferen en oud-NRC-journalist Jan Sampiemon achten in hun pamflet Een keerpunt in de vaderlandse geschiedenis de zittende regering Bush zo agressief van beleid en zo onfatsoenlijk van karakter, dat Europa geen andere keuze heeft dan meer eendracht.

Zo ver wil Rob de Wijk niet gaan. Maar in Supermacht Europa constateert de televisiecommentator en hoogleraar strategische studies aan de Leidse universiteit wel dat de Amerikaanse machtspolitiek Europa noopt om in gezamenlijkheid zijn eigen boontjes te gaan doppen. In zijn filosofisch getinte werk The Idea of an European Superstate ten slotte noemt Harvard-hoogleraar Glynn Morgan het bieden van veiligheid de enige kans voor de EU om verdere eenwording te rechtvaardigen, nu Amerika die veiligheid niet meer biedt.

Dat twee van de drie genoemde publicaties van Nederlandse bodem zijn, bewijst dat niet iedereen zich hier door de huidige malaisestemming rond de Europese Unie wil laten meeslepen. Integendeel, de angry old men Van Wolferen (1941) en Sampiemon (1933) schreven hun pamflet zowel uit woede over het gedrag van George Bush en zijn neoconservatieve kompanen als uit betrokkenheid bij het Europese project. De bestorming van Irak buiten VN en NAVO om, het gewelddadig optreden van Amerikaanse troepen in dat land, de schending van de internationale rechtsorde in Guantanamo Bay, de gevaarlijke doctrine van de preventieve oorlogsvoering; ze vormen alle een breuk met de transatlantische waarden van vrede en voorspoed. `Het politiek betekenisvolle Westen dat Europa en Amerika verenigde, is gestorven in de eerste regeringsperiode van de Amerikaanse president', schrijven de auteurs.

De Nederlandse regering en de media weigeren dat in te zien. Ze blijven gevangenen van het sprookje van de Atlantische samenwerking. Op zichzelf vinden de auteurs dat wel begrijpelijk. De NAVO lijkt nog een van de weinige ankers te zijn in een snel veranderende, globaliserende wereld. Toch dwingen de genoemde feiten ons land een nieuwe weg in te slaan, stellen Van Wolferen en Sampiemon. Nederland moet (samen met de rest van de Unie) zo snel mogelijk uitspreken dat het samen met andere grote mogendheden als China en India wil werken aan een stabiele wereldorde, nu de Verenigde Staten het zo opzichtig laten afweten. Bovendien moet de Europese Unie luid en duidelijk haar steun betuigen aan het Handvest van de Verenigde Naties. Verder moet Europa op eigen kracht strijden tegen de verspreiding van kernwapens en vervuiling van het milieu.

De kracht van het pamflet zit in de polemische conclusies die uit bekende feiten worden getrokken. Als dat politici tot meer duidelijkheid dwingt over de vraag wat de NAVO tegenwoordig nog voorstelt, en waarvoor de EU eigenlijk in het leven is geroepen, is dat winst. De vraag is echter of die politici zich daartoe op grond van deze publicatie zullen laten dwingen. Daarvoor zijn de zwaktes van het pamflet te groot.

Die zitten voor een deel in de hinderlijk belerende toon (`Wat ernstig onderbelicht is gebleven', `een kardinaal aspect van beide crises werd over het hoofd gezien.') Belangrijker is echter dat de poging om een breuk in de geschiedenis te construeren door het absolute kwaad bij George Bush te vinden, strandt in ongeloofwaardigheid. De aanpak van Van Wolferen en Sampiemon vergt namelijk een iets te grondige witwasoperatie van de geschiedenis van de betrekkingen tussen Amerika en Europa vóór Bush. Door de huidige president als een schurk voor te stellen wordt Richard Nixon bijvoorbeeld met terugwerkende kracht een onschuldige padvinder. De transatlantische samenwerking uit het verleden wordt ook te gunstig voorgesteld. En hoe past het aanbod van Bush' minister van Buitenlandse zaken, Condoleezza Rice, om te bemiddelen in de kwestie-Turkije begin deze week, eigenlijk in het zwartwitschema van het pamflet?

Van Wolferen en Sampiemon situeren de omslag in de verhoudingen tussen Amerika en Europa in het opzeggen van het ABM-(raketafweer)verdrag door Bush, de doctrine van de preventieve aanval, de groei van de defensie-uitgaven en het buiten de NAVO om opereren in bijvoorbeeld Irak. Maar die voorstelling van zaken klopt niet. Uit de analyse van Rob de Wijk in Supermacht Europa blijkt dat de oorsprong van de genoemde wendingen niet bij Bush ligt, maar zo'n anderhalf jaar voor de komst van de huidige Amerikaanse president naar het Witte Huis.

Op 7 augustus 1998 werden de Amerikaanse ambassades in Nairobi (Kenia) en Dar-es-Salaam (Tanzania) door bomaanslagen van Al-Qaeda verwoest. Daarbij vielen 258 doden. De toenmalige Amerikaanse president Clinton reageerde direct met kruisraketaanvallen op Soedan, waar hij de terroristen vermoedde. Maar dat was niet het belangrijkste. De Wijk schrijft hoe sinds die tijd de Verenigde Staten zich minder gingen richten op de veiligheid van Europa. De (mogelijk gewelddadige) verwijdering van Saddam Hussein in Irak werd hoger op de prioriteitenlijst van de Amerikaanse regering geplaatst. De nationale defensie-uitgaven die tot dan toe daalden, gingen weer stijgen. Clinton haalde oude plannen voor een schild in de ruimte tegen een raketaanval uit de archiefladen. De oorlog tegen het terrorisme was de facto begonnen. Europa deed er plotseling veel minder toe.

Vanuit realistisch perspectief beschrijft De Wijk in zijn (overigens slordig geredigeerde) boek hoe deze structurele ontwikkeling Europa dwingt om een eigen koers te gaan varen. De terroristische dreiging die alle Amerikaanse aandacht opeist, is daarbij maar één factor; de strijd om de schaarse grondstoffen op de wereld is zeker zo belangrijk. Nu al zijn de andere mogendheden, met name Amerika en China, druk bezig hun belangen veilig te stellen. Daarbij gaat het vooral om het garanderen van de toevoer van olie en het beveiligen van belangrijke handelsroutes. Zo bracht een grote Chinese energiemaatschappij enkele maanden geleden een vijandig bod uit op het Amerikaanse Unocal om de olievoorziening voor de komende decennia te kunnen verzekeren. De Chinese regering doet voor dat doel onbekommerd zaken met foute regimes in Birma en Soedan. De Amerikaanse bemoeienis met het olierijke Irak spreekt voor zich, net als de oefeningen van de Amerikaanse marine met die van Azerbajdzjan ter bescherming van de olierijkdommen in de Kaspische zee.

En waar is Europa in dit geopolitieke spel? Europa is nergens, stelt De Wijk vast. Sterker nog, de EU snijdt zichzelf in de vingers. Enerzijds is lidstaten de mogelijkheid ontnomen om een zelfstandige energiepolitiek te voeren na de door Brussel afgedwongen liberalisering van de energiemaatschappijen. Anderzijds is de energiepolitiek niet zo gecentraliseerd dat Brussel effectief op het wereldtoneel kan opereren.

Het spel wordt in de wereldpolitiek hard gespeeld, en niet alleen in dit opzicht. Europa mag dan, niet zonder reden, trots zijn op zijn andere aanpak van internationale conflicten dan de Amerikanen – meer gericht op overleg, diplomatie en eerbiediging van internationaal recht (`soft power'). Maar dat betekent niet automatisch dat Europa daarmee ook succes boekt. De weinig geslaagde Europese beteugeling van de nucleaire ambities van Iran demonstreert dat. Ook Europa, schrijft De Wijk, zal meer `hard power' (militaire en economische kracht) moeten ontwikkelen om verwezenlijking van het ideaal van `soft power' kracht bij te kunnen zetten. Dat vergt een eigen leger, een krachtige centrale sturing van het buitenlands beleid en een meer realistische kijk op internationale gevaren zoals terrorisme. De lange lijst van verijdelde aanslagen in het boek die enkele weken geleden veel media haalde, spreekt met z'n vele Europese doelen (kerstmarkt Straatsburg, Eiffeltoren, Europees kampioenschap voetbal) voor zich.

Hoe die `hard power' van de EU gerealiseerd moet worden, blijft echter onduidelijk. De Wijks analyse is overtuigender dan zijn conclusies. Die blijven te veel hangen in een uitgebreid pleidooi voor verbetering van alle technische coördinatiemechanismen die Brussel nu kent, het ineenschuiven van de diverse defensiebureaucratieën, en de oprichting van een `transatlantische stuurgroep'. Maar stuurgroepen leiden geen landen of continenten door moeilijke tijden. Dat doen presidenten, opperbevelhebbers en bestuurders met andere duidelijke bevoegheden, bijvoorbeeld op het gebied van energiezaken. Kennelijk is dat voor De Wijk nog (te) verre toekomstmuziek. Krachtig politiek optreden vergt immers een duidelijk democratisch mandaat, bijvoorbeeld in de vorm van directe verkiezingen van een toekomstig Europees president of van Europese commissarissen.

De studie van Glynn Morgan onder de titel The Idea of a European Superstate. Public justification and European Integration is een verrassende bijdrage aan het debat over die democratische legitimatie. Morgan, hoogleraar bestuurskunde en sociale studies aan de Amerikaanse Harvard-universiteit, pleit namelijk voor iets dat tijdens de referendumcampagne in Nederland dit voorjaar nog een scheldwoord was: Europa als superstaat.

Morgan sluipt langzaam naar die conclusie toe, alsof hij zich bewust is van het riskante van de operatie. Hij begint met de constatering dat de invloed van Brussel op het dagelijks leven van veel burgers zo sterk is gegroeid, dat een volstrekt heldere rechtvaardiging nodig is waarom de EU zo diep mag ingrijpen in het leven van burgers. De bestaande redegevingen zoals behoud van vrede en welvaart schieten daarbij tekort. Vrede is er al te lang om de steeds gedetailleerdere Brusselse bemoeienis te rechtvaardigen. En welvaart is ook buiten de EU geen onbekend verschijnsel.

Het nieuwe antwoord moet volgens Morgan aan drie voorwaarden voldoen. Het moet voor een zo groot mogelijke meerderheid van de Europeanen geldigheid hebben. Ten tweede moet iedereen dat antwoord kunnen begrijpen. Ten derde moet het antwoord duidelijk maken dat de Europese eenheid inderdaad de enige politieke constructie is die de geformuleerde taak kan vervullen.

Daarvoor komt alleen het begrip veiligheid in aanmerking. De EU is de enige organisatie die Europeanen veiligheid kan bieden. De nationale staten kunnen dat niet meer door wereldwijde bedreigingen als het terrorisme, dat zich niets aantrekt van nationale grenzen. De NAVO kan het ook niet meer, omdat de Verenigde Staten als enig overgebleven supermacht op de wereld andere dingen aan hun hoofd hebben.

Europeanen verkeren nu in onveiligheid, stelt Morgan, omdat ze afhankelijk zijn van Amerika. Amerikanen kunnen bepalen wie de vrienden en wie de vijanden van Europa zijn. Maar het is lang niet zeker dat de Verenigde Staten daarbij altijd het Europese belang in het oog zullen houden. Als Europa een onafhankelijke mogendheid is die op defensie- en buitenlands-politiek terrein voor zichzelf kan zorgen, zullen de Verenigde Staten gedwongen worden rekening te houden met het Europees belang.

Opiniepeilingen lijken Morgan gelijk te geven dat Europeanen gevoelig zijn voor het veiligheidsargument. Uit de peilingen blijkt immers consequente steun voor meer Europese samenwerking op buitenlands-politiek terrein. Tegelijkertijd kan die steun razendsnel minder worden als het strategisch denken op concrete dossiers wordt toegepast. De kwestie-Turkije van deze week demonstreert dat. De strategische argumenten die Europese leiders hebben gebruikt voor de Turkse toetreding (dicht bij Midden-Oosten en de olierijkdommen van de Kaspische Zee) hebben het wantrouwen in Europa tegenover de Turkse moslims nauwelijks kunnen wegnemen.

Het optreden van de Verenigde Staten in de wereld bewijst volgens Morgan dat je een nationale soevereine macht nodig hebt om zelfbewuste actie mogelijk te maken. Hij verwerpt dan ook de redenering van de Britse premier Tony Blair. Die pleit wel voor een supermacht Europa met een eigen rol op het wereldtoneel, maar tegen een superstaat Europa, die zich met van alles en nog wat bemoeit. Maar een supermacht zonder superstaat bestaat niet, zegt Morgan. Je hebt op z'n minst een krachtige federale overheid nodig met een president, een opperbevelhebber en andere leiders die troepen op de been kunnen brengen en die de lidstaten kunnen dwingen hiervoor mensen en middelen te leveren.

Verrassend aan het pleidooi van Morgan is dat het eurosceptisch begint en eurofiel eindigt. Maar is zijn pleidooi voor een superstaat ook realistisch? Nee, zegt Morgan zelf. Tenminste niet op de korte termijn. Hij verwacht dat Europa eerst nog een of twee fikse crises door moet maken, plus een Amerikaanse weigering om Europa te hulp te schieten, voordat de noodzaak ervan begint te dagen.

Losjes beschrijft Morgan aan het eind van zijn boek het scenario waarbij op een mooie najaarsdag, bijvoorbeeld op 11 september volgend jaar, terroristen tegelijkertijd Westminster Abbey in Londen, het Louvre in Parijs, de Rijksdag in Berlijn en het Vaticaan in Rome binnenvliegen. Al snel ontdekken de justitiële autoriteiten dat de zelfmoordenaars afkomstig zijn uit een van de landen van de Maghreb. Vragen om hulp in de richting van Washington om samen druk uit te oefenen op de landen die het terroristisch netwerk herbergen, leveren weinig op. De Verenigde Staten zitten nog vast in Irak of zijn verwikkeld in een zoveelste crisis in China. Pas na het nodige getandenknars in de Europese hoofdsteden over die vervelende isolationistische Amerikanen, zal het besef volgens Morgan bij de leiders van Europa doordringen: dat ze eindelijk hun eigen boontjes moeten leren doppen.

Karel van Wolferen en Jan Sampiemon: Een keerpunt in de vaderlandse geschiedenis. Meulenhoff, 136 blz. €7,50

Rob de Wijk: Supermacht Europa. Mets & Schilt, 224 blz. €22,50

Glyn Morgan: The Idea of a European Superstate. Public Justification and European Integration. Princeton University Press, 204 blz. €32,40