`Ik laat muren vallen'

De Frans-Algerijnse Assia Djebar werd als eerste schrijver uit de Magreb opgenomen in de illustere Académie Française. `Deze zetel is belangrijk voor Algerije.'

,,Zo, stelt u maar een vraag'', zegt de Frans-Algerijnse schrijfster Assia Djebar (1936) in de woonkamer van haar appartement vlakbij Père Lachaise in Parijs. Een half uur lang ratelde ze al over haar gezondheidsproblemen, over haar recente echtscheiding, de hitte in Parijs en haar chique appartement in Washington, waar ze ook dit jaar weer literatuurcolleges zal geven. ,,Nog even koffie zetten'', zegt ze al opstaand, ,,ik had geen tijd om Arabische lekkernijen voor u te halen. Door die verkiezing tot de Académie française heb ik het zo druk!''

Vanuit de keuken oreert de frequent voor de Nobelprijs genoemde schrijfster verder over de eer die haar vlak voor de zomer ten deel viel. Het maakt haar tot de eerste auteur uit de Magreb die een zetel krijgt in de kring van de veertig `onsterfelijken'. Ach, trots, nee, dat is ze niet. Maar een opwinding dat het heeft veroorzaakt! Niet alleen in Frankrijk, maar vooral in Algerije. Ze heeft wel even geaarzeld voordat ze die zetel accepteerde, maar uiteindelijk is het in het belang van de francofonie. Daarom heeft ze ja gezegd.

Djebar: ,,Onder francofonie vat ik iedereen die in het Frans schrijft, maar een andere moedertaal heeft. Iedereen uit de voormalige koloniën is tweetalig. Als je dan gaat schrijven moet je één taal verlaten. Frankrijk heeft tijdens de kolonisatie het Arabisch uit het onderwijsprogramma gehaald en daarvoor in de plaats het Frans verplicht gesteld. Na de onafhankelijkheid bleef het Frans een culturele troef. Zelf ben ik het Arabisch niet vergeten, maar ik ben door het Frans gevormd. Die zetel van mij in de Académie française is belangrijk voor de francofonie en voor Algerije in het bijzonder.''

Nominatie

,,Mijn aarzeling ten aanzien van de nominatie kwam voort uit het feit dat ik pas sinds kort de Franse nationaliteit heb. Ik heb nu een dubbele nationaliteit, de Algerijnse en de Franse. Ik heb lang gewacht omdat ik een aangenomen dochter heb in Algerije – ik wilde haar legaal adopteren. Dat zal wel nooit lukken, want in Algerije interpreteren ze het woord van de islam heel letterlijk. Je kunt er alleen wezen adopteren en degene die je adopteert kun je niet je naam geven en in je stamboom opnemen. Dat wilde ik nu juist wél. Ik heb mijn dochter naar Algerije gestuurd om er te gaan studeren. Ik dacht dat ik haar later zou volgen, maar door de bloedige gebeurtenissen in de jaren negentig en de komst van de fundamentalisten is dat allemaal anders geworden. Het is niet voor niets dat mijn meest recente boek La disparition de la langue française heet.''

De letterlijke vertaling van de titel luidt `De verdwijning van de Franse taal', maar de Nederlandse uitgever koos voor het kortere Het verloren woord. Het is een echte Djebar-roman over taal en liefde, verscheurdheid, ballingschap en verloren illusies tegen de achtergrond van Algerije, waar gewone mensen het slachtoffer worden van door religie ingegeven geweld. Haar hoofdpersoon is Berkane, die decennialang in Frankrijk heeft gewoond en gewerkt, en zijn oude dag in zijn geboorteland wil slijten, in een huis aan zee dat aan zijn familie toebehoort. Zijn timing is slecht: hij gaat terug in 1991, het jaar waarin de gewelddadigheden, de verdwijningen en de moordpartijen in Algerije beginnen. Vooral Franstalige intellectuelen zijn het slachtoffer. Berkane is naïef, niet op de hoogte van de dreigende politieke en religieuze situatie, en alleen op zoek naar de mooie beelden van de kashba waaraan hij in Frankrijk vol weemoed terugdacht. Via zijn broer, journalist, maakt hij kennis met diens vakgenote Nadjia, die haar geboorteland al jaren geleden verlaten heeft en alleen voor familieaangelegenheden nog terugkomt. Berkane en Nadjia, die een aantal liefdesnachten beleven, vertellen elkaar (net als in Djebars roman Nachten van Straatsburg) hun levensverhaal, beheerst door de dramatische geschiedenis van Algerije.

,,Die titel La disparition de la langue française achtervolgde me al jaren, sinds ik een groot deel van het jaar in New York woon om precies te zijn. Ik wandel er veel, loop cafés binnen, luister naar flarden gesprekken en maak er aantekeningen van. Ik kon mezelf wel verstaanbaar maken in het Engels, maar echt goed beheerste ik die taal aanvankelijk niet. In mijn hersens moest het Frans verdwijnen om plaats te maken voor het Engels. Verder is er de man aan wie ik dit boek heb opgedragen, Djaffar L. Het is een oude vriend van me, die mij vaak naar het vliegveld brengt en ook weer ophaalt. Een groot deel van de jeugdherinneringen van mijn personage, Berkane, is het verhaal van Djaffar L. Hij is een paar dagen bij mij in New York komen logeren, het sneeuwde, hij heeft mij zijn levensverhaal verteld en ik heb alles op band opgenomen. Hij had eerst zelf geprobeerd het op te schrijven, maar dat was niets geworden. Er was een tijd dat iedere Algerijn zijn levensverhaal op papier wilde zetten, iedereen is gemarteld, iedereen is bang geweest. In zekere zin is dit boek een vervolg op Le Blanc de l'Algérie en Oran, langue morte, mijn roman over de strijd voor onafhankelijkheid in Algerije. Het verhaal van het kind dat bijna van school wordt gestuurd omdat het in een tekening de Algerijnse vlag tekent en niet de Franse. Het verhaal van de slager die voor zijn eigen zaak door de Fransen wordt opgehangen. Het verhaal van de martelingen. Het is allemaal waar. Ik heb maar een klein aantal verhalen in dit boek kunnen opnemen, ik denk nog over een vervolg hierop.''

Martelingen

,,Ik heb natuurlijk wel mijn talent op de documentaire basisgegevens losgelaten. Ik schrijf geen politieke geschiedenis. Mijn personage heeft erg geleden en dertig jaar later blijkt die wond nog precies zo schrijnend te zijn. Voor de vrouw die hij ontmoet geldt dat net zo, ook al hebben ze hun leven heel anders ingericht. De een ging naar Frankrijk, de ander naar Libanon. De liefdesscène in het boek is cruciaal. Daarna voeren ze een politieke discussie, zij is beter geïnformeerd dan hij. Hij ging terug omdat hij de kashba uit zijn jeugd wil terugzien, zijn herinnering aan zijn moeder tot leven wil roepen. Zij laat hem vertellen over zijn arrestatie door de Franse militairen, zijn tijd in het kamp, de martelingen die hij onderging. Daardoor komt hij op het idee een roman te gaan schrijven.''

,,Zo, stelt u maar een vraag.'' Sirenes razen langs haar woning, ze staat op doet de ramen dicht en vervolgens weer open, becommentarieert de ongemakken van wonen in Parijs in het algemeen en die van haar straat in het bijzonder. ,,Als studente stond ik natuurlijk aan de kant van de FLN, het bevrijdingsfront voor Algerije. Ik hoorde veel, maar altijd van de kant van de nationalisten. Nu ben ik beter in staat ook de andere kant te zien. Dat is iets van de laatste tijd, er zijn muren die vallen. Het gaat er nu om herinneringen te bewaren aan die tijd, ze te boekstaven.

,,Er zitten ook een paar autobiografische fragmenten in mijn boek. De taxichauffeur bijvoorbeeld, die op de radio naar de ophitsende taal luistert van een radicale imam en het volume opdraait als de vrouw bij hem in de auto stapt. Misprijzend kijkt hij naar haar westerse kleding. Dat heb ik zelf meegemaakt. Het was voor mij een teken aan de wand. Sindsdien ben ik niet meer teruggeweest in mijn geboorteland, behalve voor de begrafenis van mijn vader. Met het einde van de roman had ik wel een probleem. Ik had een personage gecreeërd die een roman schrijft. Die kon ik niet zomaar laten zitten. Ik heb hem dus spoorloos laten verdwijnen.''

,,Zo, stelt u maar een vraag.'' De bel gaat, ze staat op. Even later zet ze koffie voor de televisieploeg uit Stockholm.

Assia Djebar: Het verloren woord. Vertaald uit het Frans door Jan Versteeg. De Geus, 189 blz. €18,90