Iedereen moest dood

Verschrikkingen zijn vaak nijvere leveranciers van goede verhalen. Het gruwelijke heeft een gênant sterke esthetische actieradius en schrijvers maken daar soms gretig gebruik van. Hoe huiveringwekkender de werkelijkheid, hoe verleidelijker ze als prooi voor de fictie wordt, juist omdat die werkelijkheid van zichzelf al een verpletterende verbeeldingskracht lijkt te bezitten. Met dergelijk materiaal binnen handbereik wordt de schrijver een oorlogsverslaggever die een scala aan emoties ontwaart en oproept: verontwaardiging, smart, afgrijzen, compassie, etc.

Verdichting van onzegbaar leed kent echter ook vele valkuilen. Hoe ver kun je gaan zonder de lezer van je te vervreemden door het surrealisme van de werkelijkheid al te inhalig te benadrukken en zonder in larmoyante uitingen te vervallen? Nog gecompliceerder wordt het als je vorm wilt geven aan rampspoed die je zelf niet hebt meegemaakt maar die niettemin een schaduw op je bestaan werpt omdat je voorouders erdoor zijn aangetast. In zijn onvolprezen debuutroman Everything is illuminated demonstreerde Jonathan Safran Foer op indrukwekkende wijze hoe je zoiets kunt aanpakken: door een volmaakt gedoseerde mengeling van humor, branie, empathie, levendige fantasie en pijnlijke schoonheid.

De Italiaans-Armeense Antonia Arslan beproeft in haar eerste boek Het huis met de leeuweriken een vergelijkbare onderneming. Zij beoogt immers de ijselijke geschiedenis te reconstrueren en evoceren van familie die ten prooi is gevallen aan de Turkse genocide die in 1915 ongeveer een miljoen Armeense burgers het leven kostte. In het eerste deel van haar roman beschrijft ze in de tegenwoordige tijd een verleden dat door de tand des tijds roofzuchtig aan stukken is gescheurd. In een stadje in oostelijk Anatolië woont de apotheker Sempad met zijn halfzussen, zijn vrouw en zeven kinderen. De sfeer is haast idyllisch, het verhaal baadt in een impressionistische weelde van kleuren en geuren, vermengd met vleugjes magisch realisme: dit is het paradijs waaruit men aanstonds verdreven zal worden.

Hoopvolle voorbereidingen worden getroffen voor een ontmoeting tussen Sempad en zijn broer Yerwant (de grootvader van de schrijfster), die al vele decennia in Venetië woont als succesvol arts. Daartoe wordt in opdracht van Sempad een oude boerderij van de familie, het `huis met de leeuweriken', omgetoverd tot luxueuze vakantiewoning. Een gazon wordt aangelegd, een erker gebouwd, een gat gegraven voor een tennisbaan. Ook Yerwant voedt zijn verlangen naar de spoedige hereniging: hij bestelt een piano voor het huis, koopt landkaarten en verrekijkers en laat zelfs twee paar damasten slobkousen maken.

Dan – zoals ook de cursief gedrukte flashforwards al aanduidden – keert het tij en gooit de geschiedenis roet in het feestmaal van de Armeense broers: Italië mengt zich in de oorlog, de grens met Oostenrijk-Hongarije wordt gesloten en voor de Venetiaanse Yerwant wordt zijn geboortegrond definitief `verloren land'. Voor Sempad zijn de consequenties echter nog veel tragischer omdat Talaat Pasja, de Ottomaanse minister van Binnenlandse Zaken, in 1915 bevel geeft tot deportatie en gedeeltelijke uitroeiing van de Armeense bevolkingsgroep.

Zo verandert het landhuis van de familie abrupt van een arcadisch in een apocalyptisch oord. De lyriek die Arslan hanteerde om de gelukzalige toestand van Sempads familie te illustreren wordt nu ingezet om haar monsterlijke teloorgang te schilderen. Terwijl `de geur van rode rozen en de klimjasmijn zich met een bedwelmende weemoed door de lucht verspreidt' vindt er een ware slachting plaats in en rondom het bekoorlijk gerenoveerde huis. Weldra raakt het gras van het nieuwe gazon doordrenkt van het bloed dat uit de afgehakte hoofden van Sempad en zijn zoons stroomt.

Ook binnenshuis, op `het verfijnde bloempatroon' van het behang `spetteren bloed en hersenen'. En de kuil voor de tennisbaan wordt gebruikt als stortplaats voor de afgeslachte mannen terwijl de vrouwen en meisjes tot toeschouwers van dit sinistere schouwspel worden gedegradeerd. `Zo ontstaan de bloedbloemen van de Armeense lijdensweg', becommentarieert Arslan haast schaamteloos dichterlijk deze tragedie.

In het tweede deel van de roman is de toonzetting van de gruwelen minder lyrisch. Nogmaals wordt `glanzend gras' vochtig van vergoten bloed wanneer een Koerdische bende een groep vluchtelingen berooft en verkracht, maar spoedig oogt het palet soberder. Het relaas van de deportatie die de echtgenote, halfzussen en dochters van Sempad treft, krijgt zelfs de trekken van een avonturenroman met picareske elementen. Pijnlijk realistisch zijn de ontberingen (hongerige kinderen die in paardenmest wroeten op zoek naar zaadjes) die de barre mars naar Aleppo veroorzaakt, maar spannend sprookjesachtig zijn de pogingen van een listige bedelaar en een gehaaide klaagvrouw om de overgebleven familie van Sempad te redden.

Zo zorgt Arslan er op tijd voor dat de lezer niet amechtig wordt van alle misère. Ze is genoeg schrijfster om te beseffen dat je het ijzingwekkende het best kunt uitbeelden door de lezer te confronteren met verschillende gevoelstemperaturen. Dat zij daarbij soms pamflettistisch of sentimenteel wordt door het Armeense volk bij herhaling als `zachtmoedig en dromerig' af te schilderen en bepaalde historische feiten te verzwijgen die deze eigenschappen enigszins logenstraffen, zij haar vergeven. Zo duizelingwekkend en gedurfd als Everything is illuminated is Het huis met de leeuweriken bij lange na niet. Maar het is een alleszins waardige poging om met de wapens van de literatuur wraak te nemen op de perversiteit van de werkelijkheid.

Antonia Arslan: Het huis met de leeuweriken. Uit het Italiaans vertaald door Manon Smits. Mouria, 256 blz. €17,50