Hij gaapt en antwoordt `ik weet het niet'

Allochtone jongeren die met justitie in aanraking komen belanden langer in de cel. ,,Het jeugdrecht is minder neutraal dan het behoort te zijn.''

Criminoloog Mieke Komen zat bij het gesprek tussen een Surinaamse jongen (15) en een forensische jeugdpsychiater. Tijdens het gesprek gaapt de jongen vaak, trekt zijn T-shirt over zijn hoofd en antwoordt met ,,Ik weet niet.'' Mieke Komen zat ook bij het gesprek tussen een forensisch gedragsdeskundige en een zeventienjarige autochtone jongen. Tijdens het gesprek zit de jongen stil, hij praat rustig en toont begrip voor de mening van de gedragsdeskundige. Hij zegt: ,,Ik tel tot tien voordat ik iets doe. Dat geeft me een gevoel van rust.''

De jongens hadden allebei fikse delicten gepleegd. De Surinaamse jongen had een fiets gestolen en doorverkocht, een portemonnee gepikt van twee jongetjes en daarbij zijn voet op het hoofd van een van de jongetjes gezet zodat hij niet kon opstaan. En hij stal 1.000 euro van zijn moeder. De autochtone jongen had een portemonnee van een man gestolen en hem geschopt, tweemaal een straatoverval gepleegd en het slachtoffer bedreigd met een neppistool dat er heel echt uitzag. En hij pleegde een bedrijfsinbraak waarbij hij 3.000 euro buit maakte.

Het aantal delicten dat een jongere pleegde, en zijn strafblad, zijn van belang voor de lengte van een eventuele detentie. Het maakt ook uit of het slachtoffer letsel opliep bij het delict en of de dader fysiek geweld gebruikte. Als een verdachte eerder veroordeeld is, zal de straf ook hoger uitvallen. Maar, zegt Mieke Komen, ,,als je die variabelen constant houdt, zie je dat allochtone jongeren gemiddeld 53 dagen langer in een gesloten jeugdinrichting zitten dan autochtone jongeren. Dat etnische verschil wordt niet verklaard door de ernst van het delict en de zwaarte van de strafzaak.'' Het viel Mieke Komen in de dossiers op dat medewerkers van de raad voor de kinderbescherming, forensisch psychologen, jeugdpsychiaters en reclasseringsmedewerkers de gesprekken met allochtone verdachten vaak moeizamer vinden dan die met autochtone verdachten. Ze proberen in de gesprekken een beeld te krijgen van de persoonlijkheid van de verdachte en rapporteren daarover aan de rechter. Na het gesprek met de autochtone jongen noemt de gedragsdeskundige de jongen `type ideale schoonzoon', met een goede intelligentie en grote woordenschat. Een persoonlijkheidsonderzoek, zegt ze, verloopt dan heel gemakkelijk. ,,Bij allochtone jongens moet je heel concreet zijn en krijg je antwoorden als: `leuk, aardig, alles goed, gewoon'.''

De gedragsdeskundige benoemde daarmee precies het probleem, zegt Komen. De moeilijkheden die de onderzoekers hebben om vooral allochtone verdachten te begrijpen, hebben invloed op hun strafadvies en daarmee op de tijd dat de jongeren in de cel moeten doorbrengen. Uit de dossiers bleek ook dat deskundigen delicten gepleegd door allochtonen vaker toeschrijven aan gebrekkige gewetensontwikkeling, het niet kunnen inleven in het slachtoffer en gebrek aan spijt. Dat leidt vaak tot een advies om zwaarder te straffen. Hun strafadviezen worden in 95 procent van de gevallen overgenomen door de kinderrechters.

De forensische jeugdpsychiater adviseerde voor de Surinaamse jongen een zogenoemde PIJ-maatregel, een soort jeugd-tbs die maximaal zes jaar kan duren. De kinderrechter volgde dit advies. De forensisch gedragsdeskundige adviseert voor de autochtone jongen een deels voorwaardelijke, deels onvoorwaardelijke straf, en daarna ambulante begeleiding. Hij kreeg drie maanden cel, conform zijn voorarrest.

Deskundigen zoals medewerkers van de raad voor de kinderbescherming en jeugdpsychiaters zijn steeds belangrijker geworden in het jeugdrecht. Komen: ,,Zij leveren kennis over de verdachte. Verschillen in ervaringswereld bemoeilijken de communicatie. Die verschillen zijn groter bij allochtone verdachten. Dit maakt de praktijk van het jeugdrecht minder neutraal dan ze behoort te zijn.''