Als een dier met drie poten

Herman Brusselmans schreef in drieëntwintig jaar tijd `meer dan veertig boeken', zoals hij met gepaste trots vermeldt in Het spook van Toetegaai, zijn nieuwe roman. Van elk van die boeken zouden naar zijn zeggen 20.000 exemplaren verspreid worden. Geen wonder dus dat hij, althans in zijn woonplaats Gent, waar al zijn romans zich afspelen, grote naams- en gezichtsbekendheid geniet. Taxichauffeurs, studenten, agenten van politie, cafégangers en willekeurige passanten herkennen hem moeiteloos, als wij Brusselmans tenminste mogen geloven. Ze laten zich niet altijd even vleiend over hem uit. `Gij zijt precies lelijker dan op tv', zegt een zekere Vandendriessche tegen hem. Schrijnend is verder dat bijna niemand ooit daadwerkelijk een boek van hem leest. Neem bijvoorbeeld Sofie, die hij ontmoet in café Het Geval. `Sofie had nog nooit een boek van mij gelezen. Ze was negentien jaar oud en haar hobby was shoppen. Een vijg tegen haar oren kon ze van me krijgen.' De weinigen die wel een boek van hem uitlazen, zoals oma Brusselmans, hebben kritiek: `Van plotontwikkeling heeft hij ook niet veel verstand', meent de oude dame.

Van de meer dan veertig boeken van Brusselmans heb ik maar een fractie gelezen. Mijn gedachten over zijn oeuvre berustten tot voor kort meer op overlevering dan op veel eigen leeservaring. Een prettig aspect van zijn autobiografische schrijverschap blijkt dan te zijn dat men er zogezegd gemakkelijk in kan stappen. Na enkele hoofdstukken in het nieuwe boek is men al in grote lijnen ingevoerd in zijn levensgeschiedenis. Geboren in het Oost-Vlaamse Hamme in oktober 1957, zoon van een veehandelaar, bijna profvoetballer geworden (bij SV Lokeren) en uiteindelijk beroepsschrijver geworden in Gent, waar hij ruim tien jaar geleden een tweede huwelijk is begonnen met Tania. `In m'n werk heet ze Phoebe. Onder m'n fans is dat een bekend gegeven', schrijft Brusselmans in Het spook van Toetegaai. Hier zien we ook meteen het spel dat Brusselmans met zijn lezers speelt. Is het echt wat hij beschrijft? Neemt hij hen met verzonnen levensverhalen regelmatig in het ootje? Of zit de spanning juist in de afwisseling tussen echt en onecht? Hij beschrijft met vaardige hand de drinkgelagen in Den Dauphiné Libéré en Het Geval, maar deelt ook mee dat hij al twaalf jaar niet meer drinkt. Hij is uiterst mededeelzaam en biedt tot drie keer toe zijn e-mailadres aan, maar schrijft ook dat hij een enigmatische persoon is, die zichzelf alleen blootgeeft als daar een zeer dringende reden voor is.

Vraagt men zich af waar dit boek nu eigenlijk over gaat, dan zijn er verschillende antwoorden mogelijk. Je zou kunnen zeggen dat het een detective is. Een man, Herman Brusselmans genaamd, maakt kennis met het meisje Indra. Hij vindt haar niet erg aardig, maar hoopt wel op seks met haar. Maar voordat hij een begerige blik heeft kunnen slaan op haar `foef', komen ze tot de ontdekking dat er een man voor haar huisdeur ligt, met een mes in zijn rug. Brusselmans, die stof ruikt voor een spannende roman, gaat achter de dader aan en vat hem, na de nodige verwikkelingen, in het laatste hoofdstuk in de kraag. Deze plot, we moeten het zijn oma nazeggen, is niet erg sterk uitgewerkt en dus ook niet bijzonder overtuigend. Erg veel waarde moet aan deze thrillerkant van de roman ook niet worden gehecht, vermoed ik.

Een andere mogelijkheid is om in Het spook van Toetegaai het bij vlagen hilarisch verslag te zien van een moeizaam schrijversleven dat alleen met pillen, drank, sigaretten en veel nachtleven op gang kan worden gehouden, vooral als de vrouw een week van huis is. We zien de schrijver zitten achter zijn zoveelste glaasje whisky met `die verweerde kop, dat lange haar, die bril, die neus, die priemende oogjes'. Hij voert chagrijnige gesprekken en overpeinst uiteenlopende zaken: de regelmatig terugkerende `jeuk aan mijn penis', de stoelgang van prinses Mathilde, zijn steeds opnieuw uitgestelde voornemen om te stoppen met roken, zijn huiver voor `allochtone' gerechten, zijn voorliefde voor dieren, zijn wantrouwen jegens moslims, homo's en eigenlijk alle andere mensen en zijn afkeer van dokters die permanent hun stethoscoop bij zich hebben. `Ik ben een neerlandicus', merkt hij gemelijk op, `en loop ik met een woordenboek rond m'n nek?' Verder geeft hij geregeld gehoor aan zijn innerlijke stem, die hij het spook van Toetegaai noemt en die fungeert als een soort beschermengel.

Er valt ook iets voor te zeggen om in Het spook van Toetegaai een zogenoemde poëticale roman te zien, waarin Herman Brusselmans aan zichzelf en zijn lezers verantwoording aflegt over zijn schrijfvorderingen. `En nu zijn we toe aan een ziekenhuisscène die zo typisch is voor m'n oeuvre', valt er op zeker moment bijvoorbeeld te lezen. Of: `Met herhaling moet je uitkijken, dat heb ik al verschillende malen gezegd.' En ook komt hij meer dan eens terug op de kwestie van het echte en het gefantaseerde leven. `Wat werkelijk is en wat verzonnen, tussen die twee moet ik het onderscheid behouden', verzucht hij op ongeveer eenderde van de roman, `maar tegelijkertijd moet ik ze mengen tot een brij die te verteren valt. Daar ben ik dagelijks mee bezig en een sinecure is het niet.'

Meer nog dan iets anders lijkt Het spook van Toetegaai mij een psychologische roman, geschreven in een soepele, associatieve stijl met tragikomische accenten die nu eens aan Reve, dan weer aan Grunberg doet denken. Hier is iemand aan het woord die het moeilijk heeft met zichzelf en de wereld. `Ik ben een man van veel tristesse', zoals Brusselmans het zelf uitdrukt. Als hij een week op zichzelf is aangewezen, in de rouw bovendien om zijn dode en gecremeerde hondje Woody, wiens `urne' hij dagelijks toespreekt, dan raakt hij vanzelf in een existentiële crisis. Wanhopig is hij op zoek naar mensen om mee van gedachten te kunnen wisselen of naar vrouwen om de liefde mee te kunnen bedrijven, maar al die pogingen lopen op niets uit. Hij noemt zichzelf een `communicatiedeskundige', maar het valt hem in de praktijk niet mee om ook maar de eenvoudigste conversatie op gang te houden. De verveling, de ergernis, de achterdocht en de walging slaan vrijwel onmiddellijk toe. Gesprekken lopen spaak en ontmoetingen krijgen al gauw een schril aanzien. Als Brusselmans bij zo'n toevallige ontmoeting een klein meisje vaderlijk toespreekt, dan deinst zij zo'n beetje achteruit. `Het kind bekeek mij alsof ik mijn hersens aan de wetenschap had afgestaan', schrijft hij. En meteen daarna is hij het kind ook alweer vergeten en borduurt hij voort op dat denkbeeld van die afgestane hersens. `Misschien doe ik dat wel na mijn verscheiden. God weet wat men allemaal vindt in die grijze blubber van mij. Mogelijk het kenmerk dat een doorsnee boerenlul uit Hamme tot de grootste auteur van zijn generatie maakt.'

Hier spreekt de onverbeterlijke egocentricus, die zich waarschijnlijk nooit helemaal kan hechten aan een ander mens omdat hij vreest daarmee zijn eigenheid en zijn dwarse schrijverspersoonlijkheid te verliezen. Onder een geweldige berg kletspraat over van alles en nog wat, onder een menigte aan grappen en grollen over zichzelf en de wereld, schuilt een eenzame ziel die nu al meer dan veertig boeken lang bang is dat hij niet echt tot de lezende medemens weet door te dringen. En het toch telkens opnieuw probeert.

Herman Brusselmans: Het spook van Toetegaai. Prometheus, 336 blz. €17,95