Aardappelen met lawaaisaus

Echte Friese mensen bevolkten de boeken van Nynke van Hichtum, meende de kinderboekenschrijfster zelf. Haar biografie is een literaire, maar ook sociale geschiedenis: het laat zien hoe Nederland in politiek-maatschappelijk opzicht van een negentiende-eeuws een twintigste-eeuws land werd.

In 1962 opgewekt mijn carrière als lezer begonnen, met behulp van een leermiddel uit 1910: Hoogeveens Aap-Noot-Mies-leesplank, met plaatjes van C. Jetses. Het tweede stadium in mijn leesonderwijs sloot daar naadloos op aan. De Ot en Sien-reeks van Jan Ligthart en H. Scheepstra uit 1904. Eenvoudig leven op het platteland van vlak na de eeuwwisseling, natuurromantiek uit de tijd toen het leven nog overzichtelijk was. Zo raakte ik nostalgisch op een leeftijd waarop men nauwelijks nog iets heeft om naar terug te verlangen. In mijn Friese dorp Terwispel keek men al televisie, in mijn leren lezen-boekjes werd nog niet eens getelefoneerd.

De wereld waarin ik lezertje werd, was de wereld van mijn grootvader. Mooi, dan ben je in 1966 dus zo ongeveer een lezertje. Ik ging verder met C. Joh. Kieviets Fulco de minstreel (1903) en Chr. van Abkoudes Pietje Bell of de lotgevallen van een ondeugenden jongen (1914). Ademloos. Prachtige boeken, maar er ontbrak iets aan. Het was een andere wereld dan die van mij. De vakgroep der minstrelen was al eeuwenlang opgeheven, Pietje Bell was een vooroorlogs grotestadsschoffie uit Rotterdam (Z.H.). C. Joh. Kieviets Uit het leven van Dik Trom (1899) kwam met zijn bokkenwagenritjes en omgekeerde ezeldrijverij alweer dichter bij huis. Maar vooral de boeken van Nynke van Hichtum maakten grote indruk, zoals Afkes tiental (1903), Jelle van Sipke-Froukjes (1932) en Schimmels voor de koets, of vlooien voor de koekepan? (1936). Dat was nog steeds niet precies mijn wereld. De boeken van Nynke van Hichtum spelen in het uiterste noordoosten van de provincie, op de kaart even linksboven Dokkum. Friesland kent immers ook regio's, waarvan de `kleistreek' en het `woudengebied' onderling misschien wel de meeste verschillen vertonen. Van Hichtum beschrijft duidelijk het leven op de klei, met akkerbouw (aardappelen, vlas) en de typische Friese kleisport: kaatsen. Jelle van Sipke-Froukjes besluit zelfs met een overzicht van de ins en outs van deze sport, die in de Friese wouden niet wordt beoefend.

Nostalgie is een hardnekkig verschijnsel. Veel mensen lijden er aan, mijn Friese opvoeders niet in de laatste plaats. Ze hadden me immers ook met modernere boeken lezen kunnen leren. Maar nostalgie is besmettelijk. Anders kan ik niet verklaren waarom ik naast alle Ot en Sien-boekjes, óók Nynke van Hichtums Jelle van Sipke-Froukjes nog steeds in mijn boekenkast heb staan. Dezelfde nostalgie draagt bij aan mijn blijdschap over de verschijning van Aukje Holtrops biografie Nynke van Hichtum. Leven en wereld van Sjoukje Troelstra-Bokma de Boer 1860-1939.

Leven en wereld van Sjoukje Bokma de Boer bieden rijke stof voor een biograaf. In de eerste plaats omdat ze bijna twintig jaar een turbulent, steeds wankeler huwelijk in stand hield met een publieke figuur, zodat Holtrop kon putten uit meer dan slechts privé-correspondentie of getuigenissen van nabestaanden. In zo'n huwelijk is ruimte voor de biograaf als psycholoog of socioloog. Iedereen in Nederland kende verder Sjoukjes man, de socialist Pieter Jelles Troelstra, die ook buiten zijn huwelijk in turbulentie verkeerde. Want roerig is de maatschappelijke geschiedenis van 1880 tot 1910 beslist: strijd tegen het politiek-maatschappelijke establishment, niet in de laatste plaats ook strijd tussen de socialisten onderling (de `anarchisten' onder Domela Nieuwenhuis, de sociaal-democraten onder Troelstra). Fascinerend is eveneens de moeizame verhouding van Pieter Jelles met zijn vader Jelle Troelstra, een sociaal voelend liberaal die zijn zoon te links vond en van zijn hart geen moordkuil maakte. Het echtpaar Troelstra staat midden in zijn tijd, waardoor een Nynke van Hichtum-biografie ook meteen een prachtig beeld kan opleveren van hoe Nederland in politiek-maatschappelijk opzicht van een negentiende-eeuws een twintigste-eeuws land wordt. Ten slotte is er nog de literaire component, die in Nynke van Hichtums geval sterk samenhangt met (volks)traditie en de maatschappelijke rol van literatuur. Je gaat als biograaf handenwrijvend aan de slag. Op dezelfde manier begon ik als lezer aan Nynke van Hichtum. Leven en wereld van Sjoukje Troelstra-Bokma de Boer.

Het gaat er aanvankelijk echter moeizaam aan toe in deze biografie. Ik heb lang nagedacht over waarom het zoveel inspanning kost om je dit boek in te werken. In eerste instantie dacht ik dat een Woudfries misschien wel niet geschikt is voor Kleifriezenproza. Is Aukje Holtrop `van de klei', is ze überhaupt Fries? Ik zie een `Hollander' niet zo snel een Van Hichtum-biografie schrijven, en de familienaamstatistieken van het volkskundige P.J. Meertensinstituut melden het bestaan van 307 Holtrops in Friesland, tegen 0 in Zeeland en 1 in Limburg. Friezen kunnen stug schrijven, maar dat vermogen is auteurs aller landen gegeven. Ik vrees dan ook dat er iets anders aan de hand is, wat weinig met de biograaf te maken heeft. In zijn jeugd weet een auteur nog niet dat hij of zij een auteur is, iemand waar andere mensen belang in stellen. Er zijn ijdeltuiten als ik, die alles bewaarden. De meeste mensen beginnen echter gewoon bescheiden als kind, zonder op je sporen te letten. Zo ook de auteur Nynke van Hichtum, toen nog de predikantsdochter Sjoukje Bokma de Boer. En dan is er dus meteen het probleem van de biograaf: hoe reconstrueer je uit een paar overgebleven brokstukken de jeugd van je onderwerp? Dat probleem zie je in Nynke van Hichtum. Leven en wereld van Sjoukje Troelstra-Bokma de Boer 1860-1939 terug. De biograaf gaat tastend in de werkelijkheid rond. Ik geloof niet dat Holtrop er in dit `ezeltje prik-spel' vaak naast zit, maar ze herhaalt zichzelf vaak en veel vaart komt er vooralsnog niet in. Haar proza is stug. Ik kan het niet anders noemen. Niet alleen de lezer, maar ook Aukje Holtrop zelf had moeite zich dit leven in te werken.

Dan ontmoet Nynke van Hichtum haar aanstaande, Pieter Jelles Troelstra. Langzaam wordt Holtrops toon minder stug. Ze herhaalt haar gegevens minder, ze komt los. Zeker als Troelstra zich vlak bij Leeuwarden vestigt als advocaat en hij zich begint te roeren in de socialistische beweging. Een gecompliceerd man, Piet Troelstra. Getalenteerd, ook als dichter, een imposant retorisch talent, en een warme vader als hij en Sjoukje eenmaal kinderen hebben. In dezelfde Brust leeft echter ook een andere Seele: een ruziemaker met een vlijmscherpe tong, onderhevig aan sterk wisselende stemmingen. Het is de vraag of zijn vrouw dat in eerste instantie ook zo ziet. Sjoukje adoreert haar man, gaat helemaal mee in zijn streven, ze speelt de ideale echtgenote en is dat waarschijnlijk in de ogen van Troelstra ook. Ze stuwen elkaar wederzijds op. Troelstra betrekt Sjoukje als columniste en recensente bij de kranten die hij redigeert, zij van haar kant geeft hem extra kracht zich op te werken als socialistisch voorman.

Mooi hoe biograaf Holtrop opkomst en ondergang van dit huwelijk beschrijft. Duidelijk met de bril op de neus van het postfeministische relatietijdperk, maar met veel historisch inlevingsvermogen en zeer overtuigend wordt ons voorgeschilderd hoe twee mensen hun liefderijke huwelijk langzaam omtoveren in een gevangenis. De tomeloze Troelstra is voortdurend van huis voor propaganda en partijbijeenkomsten, als hij doodvermoeid thuiskomt dan vindt hij een ziekelijke vrouw. Ook de man zelf gaat gebukt onder een buitengewoon breekbaar gestel. Zakt de ene levensgezel niet door de bodem van de gemoedsrust, dan ligt de ander wel met koorts en ingezonken zenuwen te bed. Kuuroordbezoeken zijn aan de orde van het jaar. Ze kunnen zichzelf niet overeind houden en elkaar niet opvangen, wat gevoelens oplevert dat het lood alleen maar zwaarder doet wegen: schuld, het gevoel tekort te schieten. Daarbij is er chronische geldnood. Financieel laten zich Troelstra's bezigheden als advocaat en socialist zeer slecht combineren, Sjoukje brengt evenmin veel geld binnen en hun beider buitenlandse kuren zijn duur. Als Troelstra tenslotte verliefd wordt op een andere Sjoukje, is dit niet voor niets een nuchtere, praktische vrouw, zonder al te veel eigen ambitie en gezegend met schouders die veel kunnen dragen.

Met hun scheiding in 1907 keerde Troelstra resoluut hun negentien jaar oude huwelijk de rug toe. Over en uit, moet hij gedacht hebben. Dit heeft Sjoukje Bokma de Boer verbitterd, al heeft ze zich hier zeer spaarzaam over uitgelaten. Als Holtrop suggereert dat ze desondanks altijd van haar Piet is blijven houden geloof ik haar meteen. Alleen al het feit dat ze zich Troelstra-Bokma de Boer is blijven noemen spreekt boekdelen. Tegelijkertijd heeft de scheiding ongetwijfeld ook een bevrijding betekend. Nynke van Hichtum kon eindelijk uit de schaduw van de grote Pieter Jelles tevoorschijn komen.

Afgezien van de subtiele (en soms ronduit meeslepende) manier waarop Holtrop de geschiedenis van het eerste Troelstra-huwelijk uiteenzet, compleet met maatschappelijke achtergronden en de modefilosofieën van die tijd (neo-malthusianisme, water- en openluchtkuren, reformbeweging, spiritisme) vormen de hoofdstukken over de literaire carrière van Nynke van Hichtum het pièce de résistance van deze over het geheel genomen indrukwekkende biografie. De biograaf is daar op haar best: vakkundig, erudiet, helder en trefzeker. Van Hichtum staat met twee benen in de volkskundige traditie die zich vanuit emancipatorische behoeften in het Friesland van de negentiende eeuw bijzonder sterk manifesteerde. Net als de beroemde gebroeders Halbertsma (de Friese gebroeders Grimm) en Waling Dijkstra verzamelde Nynke van Hichtum haar leven lang volksverhalen, die ze bewerkte en publiceerde in bundels als Friesche schetsen (1905), Moeders Vertellingen (1911), Oude en nieuwe verhalen (1913). Mijn grootmoeder kan het onvergetelijke stapelvers `Der wier ris in âld wyfke' uit de orale traditie hebben overgehouden (de koe moet uit de stal maar de koe wil niet, knuppel sla de koe, nee zegt de knuppel, vuur brand de knuppel, nee zegt het vuur, water blus het vuur, nee zegt het water, tot er eentje ja zegt en de koe uiteindelijk de stal uit wordt gedreven), maar in Nynke van Hichtums Er was eens een oud vrouwtje (1908) staat het afgedrukt. Ook buitenlandse sprookjes, sagen en legenden hadden Van Hichtums belangstelling. Ze publiceerde bewerkingen van de Grimm-sprookjes (1920), een jaar later van de Vertellingen uit de Duizend en één nacht en kwam nog op hoge leeftijd met haar bundeling Russische sprookjes (1933).

Krakende wagens rijden het langst, die uitdrukking schiet je onwillekeurig te binnen als je de taaie Sjoukje Troelstra-Bokma de Boer aan het werk ziet. Ze heeft beslist langer geleefd dan je gezien haar zwakke constitutie zou verwachten, en tussen alle bedlegerigheid door legt ze ware energie-explosies aan de dag. De uitgevers kunnen haar werktempo soms nauwelijks aan (`Laten we nu niet teveel onder handen nemen...'). Aandoenlijk is ook haar zakelijke instelling en de zelfbewustheid waarmee ze haar eisen stelt. Aan de andere kant: de Van Hichtum-edities en haar oorspronkelijk werk kregen erkenning in binnen- en buitenland. Haar vertelkunst werd geroemd, daarbij gold ze in Nederland door haar vele dag- en weekbladrecensies als autoriteit op het gebied van de kinderliteratuur.

De literaire reputatie van Nynke van Hichtum werd gevestigd in 1903, het jaar waarin ze Afke's tiental publiceerde. Een stormachtig jaar, waarin minister-president Abraham Kuijper `met ijzeren vuist' de Spoorwegstaking brak, en de socialistische beweging hopeloos verdeeld raakte. De lof voor haar plattelandsroman over een arbeidersgezin met tien kinderen was alom, het bleek daarbij zeer in de smaak te vallen bij volwassen lezers, waar ze niet weinig trots op was. Ot en Sien-auteur Jan Ligthart schreef een jubelende recensie, Jacob Israël de Haan prees Van Hichtums `heldere kijk op de simpele dingen van 't gewone leven en 'n zuiver zeggen van de waarneming in 'n meestal zeer goede taal'. In socialistische kringen kon Afke's tiental alleen al vanwege het onderwerp niet stuk.

Afke's tiental is een literair werk, maar blijkt uiterst dicht bij de werkelijkheid te liggen. Ook in haar oorspronkelijke werken was de verzamelaar in Nynke van Hichtum werkzaam. Ze moet de verhalen van haar dienstbode Hiltje Feenstra zorgvuldig hebben vastgelegd - het is het Feenstra-gezin dat tot in details model heeft gestaan voor Afke's tiental. Ook voor wat ze aanvankelijk als `haar laatste boek' beschouwde, Jelle van Sipke-Froukjes. Een schets uit het Friese dorpsleven uit 1932 - ze was toen in de zeventig - deed ze uitgebreid onderzoek, naar opvallende plattelandsgewoonten, typisch Friese uitdrukkingen, zegswijzen, rijmpjes, anekdotes uit de krant, et cetera. Voor de kaatspassage raadpleegde ze een kenner van deze sport. En als ze in een inleidend `Lees dit eerst!' schrijft dat in haar boek `echte Friese mensen en kinderen voorkomen' gaat dit zowel letterlijk als figuurlijk op.

En nog bleek Nynke van Hichtums schrijverschap niet uitgeput. In 1936 verscheen het lijvige Schimmels voor de koets of ... vlooien voor de koekepan? (ditmaal helemaal gebaseerd op het levensverhaal `van een man die ze in haar geboortedorp Nes als arme arbeidersjongen had gekend), een jaar later Drie van de oude plaats, een dramatische geschiedenis over vervallend plattelandsleven tijdens veeziektes en misoogsten, wederom gebaseerd op een levensverhaal - Van Hichtum had het in 1917 toegestuurd gekregen van een vrouw die vond dat haar moeder zoveel op de `mem' in Afke's tiental leek. Volgden tenslotte nog enkele korte verhalen en de bundel Nynke van Hichtum vertelt weer (1939). Sjoukje Troelstra-Bokma de Boer was intussen opgenomen in een Haarlems verzorgingstehuis, waar ze op 9 januari 1939 haar laatste adem uitblies.

Inmiddels opnieuw het boek ter hand genomen dat ik in 1966 voor het eerst las, toen het al meer dan dertig jaar oud was: Jelle van Sipke-Froukjes. Een schets uit het Friese dorpsleven door N. van Hichtum. Het is nu meer dan zeventig jaar oud, maar ik voel weer hetzelfde: niet helemaal mijn wereld, maar dezelfde nostalgie. Die misschien wel wordt versterkt omdat het bijna, maar niet helemaal mijn wereld is. Ik zit weer in de banken van de lagere school te Terwispel, met mijn nog onbedorven leesbrevet in het vak onder het schrijfblad. Ik volg Jelle en zijn trouwe hond Bijke (die hij het leven had gered) over de kale klei, `rondom allemaal even kaal en vlak - geen boompje of struikje te zien in de hele omtrek!' Als hij thuiskomt heeft hij een gruwelijke honger: `En o, wat smaakten hem die dag de aardappelen met ,,lawaaisaus'' lekker!'

Alleen al om die regels kan Nynke van Hichtum nog honderd jaar mee.

Aukje Holtrop: Nynke van Hichtum. Leven en wereld van Sjoukje Troelstra-Bokma de Boer 1860-1939. Contact, 640 blz. € 45,-

Zondag a.s. spreekt Aukje Holtrop over haar biografie `Nynke van Hichtum' in Boeken&cetera, Nederland 3, 13.00-13.25 uur