Waar het omroepdebat écht om moet gaan

Van een debat in het parlement over de publieke omroep kijken weinig mensen op. Wie lang in Hilversum werkt, is wel wat gewend – er wordt al jaren gepraat, en de enige constante bij alle veranderingen is bestuurlijke chaos. Voor een normaal mens is er sowieso niets te begrijpen van de omroepdiscussie.

Toch is het debat komende maandag cruciaal. En het hoofdprobleem is dat het waarschijnlijk niet gaat waar het over zou moeten gaan: als de plannen van het kabinet doorgaan, nemen we afscheid van onafhankelijke (omroep)journalistiek.

Dit kabinet stimuleert de omroepverenigingen afstand te nemen van alle elementaire journalistieke beginselen.

De mogelijke opheffing van de NPS is een verhaal apart, waar we het hier even niet over hebben. Waar het om gaat, is dat we afscheid moeten gaan nemen van Netwerk, Twee Vandaag en Nova in hun huidige, journalistieke opzet.

Verschillende bronnen raadplegen, een onderwerp vanuit verschillende invalshoeken belichten en onpartijdig zijn hoort bij de NOS, zo staat te lezen in het kabinetsplan voor de publieke omroep na 2008. De achtergronden bij het nieuws worden verzorgd door de omroepverenigingen, en die hoeven zich niet te houden aan journalistieke normen en waarden, want die moeten zich profileren.

Ook al zal niet bij elke omroep onafhankelijke journalistiek plaatsmaken voor profielzucht, het is toch griezelig dat het kabinet deze gedachte aanprijst. Zijn feiten soms een hinderlijk obstakel voor meningen? Is de toekomst dan aan een fenomeen uit het verleden, de partij-journalistiek?

Er is nog een probleem. Profileren en samenwerken gaan niet samen.

Dat betekent in de praktijk dat de omroepverenigingen helemaal geen actualiteitenrubriek meer kunnen maken, want het is onbetaalbaar dat in je eentje doen. Ineens hoor je niemand meer over het stimuleren van de onderlinge samenwerking.

Het organisatie- en adviesbureau McKinsey heeft er miljoenen aan verdiend om precies uit te zoeken hoe je efficiënter samenwerkt, maar dat blijkt nu weggegooid geld. Alleen dit gegeven is al voldoende om op Hilversum eens een parlementaire enquête los te laten.

Waar het ten onrechte ook niet over gaat, is de legitimiteit van omroepverenigingen. Ik pleit niet voor opheffing van de omroepen, maar in het bijna doodgezwegen rapport van de Raad voor Cultuur staat pijnlijk helder beschreven dat omroepen allang geen traditionele achterban meer hebben, de EO waarschijnlijk uitgezonderd.

Onlangs schreven Job Cohen en Herman Wijffels in de Volkskrant nog een opgewekt verhaal over die levendige verenigingen, maar dat liet alleen maar zien dat ze al jaren niet meer op een omroepledenvergadering zijn geweest. Jongeren zijn op dit soort bijeenkomsten een bezienswaardigheid.

Er zijn 22 omroeporganisaties, waarvan meer dan de helft een levensbeschouwelijk karakter heeft. In onze seculiere samenleving is dat wel wat veel. Dáár zouden we het maandag in Den Haag over moeten hebben.

En ook over de reclame-inkomsten. Als je de publieke omroep zo belangrijk vindt als het kabinet zegt, moet je er ook iets voor overhebben. In het kabinetsplan staat dat wij in Europa het minste aan publieke omroep uitgeven.

In Hilversum zijn alweer nieuwe bezuinigingen aangekondigd, los van deze plannen, de dalende reclame-inkomsten niet eens meegerekend. Het gaat ten koste van de programma's. Van de salarissen van de programmamakers kan het niet meer af, want zelfs Polen komen er niet meer voor naar het Gooi.

Waarom de publieke omroep niet minder afhankelijk maken van reclame-inkomsten? Nu mogen de omroepen van het kabinet ook commerciële activiteiten ontwikkelen – wat Brussel vindt is nog niet bekend. Dat wordt een ingewikkelde dubbele boekhouding, nog los van de principiële vraag of het gezond is dat een publieke organisatie gestimuleerd wordt tevens de vrije markt op te gaan.

De publieke omroep is van en voor iedereen, en daar moet je ook iets voor overhebben. En dat is vooral een ander en beter plan.

Kees Boonman is hoofdredacteur Netwerk (KRO)