Rondhangen op verlaten plantages

Na veertien jaar burgeroorlog en twee jaar overgangsregering houdt Liberia volgende week verkiezingen. Grote groepen ex-soldaten en -rebellen hangen nog overal mokkend rond.

Vroeger vochten ze tegen elkaar. Tegenwoordig wonen ze samen. Ze slapen onder uitgezakte plafonds, op vochtige cementen vloeren, in huizen die in elk ander land onbewoonbaar zouden zijn verklaard. Terwijl ze wachten op werk, geld en een nieuw leven, snuiven ze cocaïne om de verveling te verdrijven.

Nee, de ex-soldaten van Liberia zijn geen frisse jongens. De bitse ogen en de verbeten trek om de mond van Lion Fighter (28) spreken boekdelen. Tot zijn veertiende ging hij gewoon naar school. De tweede helft van zijn leven bracht hij in de bush door, lukraak schietend op de vijand vier palmbomen verderop. Wat heeft al dat bloedvergieten hem opgeleverd? ,,Niets'', sneert de tengere jongen. Zelfs zijn wapen heeft hij niet meer. Hij heeft alleen nog zijn maten, jongens met namen als Blood Sucker en Red Fox. Jongens die net als hij geestelijk getekend zijn door de Liberiaanse burgeroorlog.

Sinds twee jaar wordt er niet meer gevochten, maar in de duizenden hectares grote rubberplantage van Guthrie is de herinnering aan de oorlog nog heel vers. Het dorpje bij de plantage wordt bevolkt door ex-soldaten. Ze verkopen T-shirts met opdruk van de rapper Eminem en roken gesmokkelde sigaretten. Ze sissen opdringerig naar passerende vrouwen.

De plantage is in handen van voormalige rebellen en regeringsmilities. Kort nadat hun leiders een vredesakkoord sloten dat een einde maakte aan veertien jaar burgeroorlog, trokken meer dan 3.000 overbodig geworden jongemannen de verlaten plantage binnen.

Elders is het verhaal precies hetzelfde. In de rubberplantage van Sinoe zwaait General Devil de scepter over 2.000 voormalige strijders van de rebellengroep MODEL. In het bosrijke gebied van Liberia hebben honderden strijders hun kalasjnikov ingeruild voor een kettingzaag. Vrijwel overal is de militaire hiërarchie intact gebleven. Voor een bezoek aan Guthrie verwijst Lion Fighter naar zijn `generaal', die, zo legt hij in slecht Engels uit, hem ooit ronselde voor de rebellengroep LURD.

Tienduizenden voormalige strijders leven als Lion Fighter. Snuivend, rokend, rondlummelend tot er een beetje geld binnenkomt. Meestal steken ze zelf geen vinger uit: ze laten burgers het vuile werk opknappen. De roofbouw die onder de neus van de VN-vredesmacht UNMIL op de rijkdommen van het land wordt gepleegd, is volgens veel Liberianen typerend voor de niet ingeloste beloftes van de VN.

Bij zijn aantreden als speciaal VN-gezant voor Liberia kondigde de Amerikaan Jacques Klein met veel bombarie aan dat hij het totaal verwoeste land van de grond af zou opbouwen. Ook zei hij wel raad te weten met ,,menselijk afval'' als Lion Fighter. Dat was in september 2003. Klein vergat dat de VN geen wonderen verrichten, en dat hij moest samenwerken met een door en door corrupte overgangsregering. Twee jaar later is Klein abrupt vertrokken en zijn de leefomstandigheden van de Liberianen niet verbeterd. De hoofdstad Monrovia zit nog steeds zonder water en elektriciteit. Het platteland blijft grotendeels onbegaanbaar omdat het wegennet is weggespoeld. Het ziekenhuis van Monrovia biedt weer fatsoenlijke medische zorg, maar niemand kan die betalen. De zorg is gratis voor VN-personeel.

Het belangrijkste wapenfeit van de VN is de organisatie van presidents- en parlementsverkiezingen op 11 oktober, die het fundament voor een democratische rechtsstaat moeten leggen. Honderdduizenden ontheemden zijn vanuit kampen teruggebracht naar hun geboortedorp, zodat ze daar kunnen stemmen. Zelfs in de 200 voor terreinwagens ontoegankelijke dorpen komen stembussen te staan, aangevoerd door dragers te voet, zegt VN-woordvoerder Paul Risley. ,,Het wordt een stenen-tijdperkaanpak van verkiezingen'', zegt hij vrolijk.

Minder succesvol was de reïntegratie – na ontwapening – van rebellen, milities en regeringssoldaten. ,,Een lastige kwestie'', verzucht Andrea Tamagnini, net benoemd als VN-hoofd voor reïntegratie. Hij somt de feiten op. Sinds het begin van de ontwapening vorig jaar hebben precies 101.449 Liberianen hun vuurwapen of kogels ingeleverd, drie keer zoveel als waar de VN op hadden gerekend. In ruil kregen de strijders een deken, een `demobilisatiekaart' en 300 dollar; een fortuin in Liberia, waar 85 procent van de bevolking werkloos is. Ruim 70.000 jongens mochten terug naar school – die op veel plaatsen ontbrak - of kregen een cursus timmeren of autotechniek aangeboden. Toen was het geld op.

Wat is het nut van een timmercursus als je geen hamer kunt kopen, vraagt Lion Fighter. Hij is een van de 26.000 voormalige rebellen waar de VN voorlopig niets voor kunnen doen. ,,De VN waren alleen geïnteresseerd in onze wapens'', zegt hij. ,,Verder moeten we het zelf uitzoeken. Daarom blijven we op de plantage zitten. We moeten toch ergens van leven?''

De regering heeft de jongens in de rubberplantages vergeefs gesommeerd te vertrekken. ,,Guthrie is het bewijs dat het ontwapeningsprogramma van de VN hopeloos is mislukt'', vindt Alfred Brownell, een gedreven advocaat die de verkwanseling van de Liberiaanse rijkdommen probeert tegen te houden. De ex-rebellen in de rubberplantages plunderen precies die hulpbronnen die we nodig hebben om het land er weer bovenop te helpen, zegt Brownell in zijn kantoor in Monrovia. ,,Wat veel erger is: ze vormen een bedreiging voor de vrede. Als we niet uitkijken begint de oorlog straks opnieuw.''