Onjuist vergelijk over `buiten spelen'

In het artikel `Buiten spelen is niet meer gewoon' (17 september) een hartstochtelijk pleidooi voor een herinrichting van de openbare ruimte, gericht op een vergroting van de mogelijkheden voor opgroeiende kinderen om onbekommerd buiten te kunnen spelen. Jeugdarts Rensen uit Utrecht waarschuwt tegen de gevolgen van het inleveren van trapveldjes tegen parkeerplekken voor auto's. Volgens hem zijn die gevolgen groot: want ,,als je buiten speelt, leer je afstanden inschatten, je leert begrippen als boven, onder, links, rechts. Je krijgt ruimtelijk inzicht dat je weer nodig hebt voor wiskunde''. Rensen noemt nog een aantal motieven.

Maar, laat ik het voorzichtig formuleren: ik ken geen onderzoek dat dit argument van Rensen ondersteunt; ik ken uitsluitend onderzoek dat dit argument naar het rijk der fabelen verwijst. Dat `buiten spelen' winst oplevert voor wiskundige ontwikkeling, berust op een mythe die al veel te lang wordt gekoesterd door lieden die koste wat kost gymnastiekonderwijs en andere stimuleringen van lichamelijke inspanning willen propageren. Jammer, want het lokt argwaan uit met betrekking tot die andere, meer geldige motieven.