Medicijn vaak laat beschikbaar

Noren betalen veel aan kankerzorg. Maar ze komen niet sneller aan nieuwe kankermedicijnen dan Nederlanders. Dat bleek uit Zweeds onderzoek.

Kankerpatiënten in Frankrijk hebben het getroffen. Ze krijgen moderne medicijnen – de overheid betaalt de 33 nieuwste medicijnen voor de volle honderd procent.

Nederlandse patiënten zijn slechter af: of zij de nieuwe en vaak dure medicijnen krijgen hangt af van hun postcode – van de vraag of de regionale ziektekostenverzekeraar en het ziekenhuis samen geld opzij leggen voor dure kankermedicijnen.

Kankerpatiënten in Europa komen niet overal even snel en gemakkelijk aan hun medicijnen. Dat staat in een vanmiddag gepresenteerde vergelijkende studie naar de beschikbaarheid van nieuwe kankermedicijnen in 19 Europese landen. Het gaat om 56 geneesmiddelen die tussen 1999 en 2004 door de Europese geneesmiddelenautoriteit werden toegelaten op de markt als remedie tegen vooral borst-, darm- en longkanker. Onderzoekers van het Karolinska Instituut in Stockholm onderzochten – met een subsidie-zonder-voorwaarden van farmaceutisch fabrikant Roche – hoe lang het duurt voordat deze nieuwe middelen patiënten bereiken.

Van de Europese Commissie moet een middel 180 dagen na Europese toelating overal in Europa beschikbaar zijn. Maar die norm overschrijdt een meerderheid van twaalf landen, ook Nederland. Dat komt volgens de Zweedse onderzoekers door nationale toelatingsprocedures en financiële belemmeringen. Terwijl de Europese geneesmiddelennautoriteit een medicijn heeft getest op veiligheid, effectiviteit en kwaliteit, toetsen verschillende landen de medicijnen nog een keer op grond van werkzaamheid, kosten-effectiviteit en beschikbaar overheidsgeld om de prijs te bepalen.

In Oostenrijk, Spanje en Zwitserland bereiken de medicijnen het eerst de patiënten, staat in A pan-European comparison regarding patient access to cancer drugs, en dan is de financiële vergoeding geregeld. In Tsjechië, Hongarije, Noorwegen en Groot-Brittannië zijn verscheidene nieuwe geneesmiddelen vier jaar na introductie nog niet beschikbaar voor artsen en patiënten. En Polen bungelt onderaan: die inwoners hebben de laatste zeven jaar geen nieuwe antikankermedicijnen gehad.

Is dat erg? Anders gezegd: sterven meer Polen aan borst-, darm- en longkanker omdat ze niet de nieuwste geneesmiddelen hebben gekregen? Inderdaad zijn de sterftecijfers aan deze kankervormen in Polen hoger dan elders in Europa. Maar of dat komt door tekortschietende medicatie of ligt aan andere tekortkomingen in de kankerzorg, hebben de onderzoekers niet kunnen achterhalen.

Steeds meer inwoners van Europa krijgen kanker en tegelijkertijd leven ze er langer mee. Want door snellere diagnose, verbeterde operatie- en bestralingstechnieken en adequatere behandeling wordt kanker steeds meer een chronische ziekte: het aantal patiënten dat vijf jaar na de diagnose nog in leven is, neemt toe. Ook is kanker in Europa doodsoorzaak nummer twee: vorig jaar stierven er 1,7 miljoen Europeanen aan.

Of de verbeterde overlevingskansen van Europese kankerpatiënten iets met de medicijnen te maken hebben, konden de onderzoekers niet vaststellen. In het rapport is een analyse van de Amerikaan Frank Lichtenberg van Colombia University opgenomen. Hij probeerde met een rekenmodel de verschillende één- en vijfjaarsoverlevingen in Europese landen te relateren aan snelle of trage beschikbaarheid van nieuwe medicijnen. Maar de uitkomst was statistisch niet hard te maken. In de samenvatting van het rapport wordt dat niettemin opgewaardeerd tot `Lichtenberg benadrukt dat toegang tot meer kankermedicijnen leidt tot verbeterde overlevingscijfers.' Zo'n verband toonde de econoom eerder wel aan voor de situatie in de Verenigde Staten. Verbeterde overlevingskansen in de eerste zes jaar na de diagnose kunnen volgens de Amerikaan voor ongeveer de helft op het conto van medicijnen worden geschreven.

De beperking `tot zes jaar na diagnose' maakt duidelijk dat kankermedicijnen nog steeds zelden genezen. Ze verlengen vooral het leven, meestal geteld in maanden. Opereren en bestralen zijn de therapieën die kanker echt kunnen genezen. Chemotherapie helpt veelal alleen als aanvulling bij die technieken. Slechts bij een enkele tumor kan chemotherapie een fors deel van de patiënten genezen. Wielrenner Lance Armstrong is daar een gelukkig voorbeeld van. Hij genas van uitgezaaide zaadbalkanker na operaties en chemotherapie.

Uit de vergelijkende studie blijkt ook dat ongeveer 5 procent van de Europese gezondheidsuitgaven wordt besteed aan kankerzorg, een vergelijkbaar percentage als in de Verenigde Staten. Dat komt neer op 54 miljard euro. Daarvan gaat zo'n 10 procent naar kankermedicijnen. Gemiddeld besteedt een inwoner in de onderzochte landen per jaar 120 euro aan kanker: een Nederlander is met 94 euro per jaar goedkoop uit tegenover Duitsers en Noren die elk jaar respectievelijk 150 en 191 euro opzij leggen. En dan zijn de Noren domweg duur uit. Want hun land behoort volgens de onderzoekers tot de achterhoede van Europa als het gaat om beschikbaarheid van antikankermedicijnen.