Literatuur in het kort

Joost Zwagerman stelde een nieuwe bundel met de beste Nederlandstalige korte verhalen samen. ,,Ik ben geen Libris-jurylid dat denkt `er moet een Vlaming en een vrouw bij'.''

Een jaar lang graasde de bloemlezer in de archieven van bibliotheken en uitgeverijen. Tienduizenden bladzijden sloeg hij om, op zoek naar onbekende juweeltjes. Het resultaat is De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen (Prometheus), een bundel waarover je al gauw in `Asterix-en-Cleopatra'-termen spreekt: acht centimeter dik, 1600 dichtbedrukte pagina's, 125 jaar literatuurgeschiedenis, 195 schrijvers van wie er 109 nog leven, 40 Vlamingen en 39 vrouwen. Veertig verhalen dateren van vóór de Tweede Wereldoorlog. Acht schrijvers zijn met het maximum van drie verhalen vertegenwoordigd en 34 met twee.

,, Dit is geen canon'', zegt samensteller Joost Zwagerman (1963). ,,En ik ben geen Komrij, die met zijn bloemlezing de poëzie herijkte. Het korte verhaal is maar één genre van de literatuur, en je kunt dan dan ook niet zeggen dat in dit boek al onze grootste prozaïsten verzameld zijn, eenvoudigweg omdat niet iedere prozaschrijver ook korte verhalen schrijft. Willem Elsschot staat er niet in, omdat al zijn novelles langer zijn dan de tienduizend woorden die ik als bovengrens heb gesteld. Tessa de Loo's beste verhaal, De meisjes van de suikerwerkfabriek, is ook te lang. En Peter Verhelst ontbreekt omdat zijn `verhalenbordeel' Tongkat te veel een eenheid was om er één stuk uit te lichten. Nee, het is toeval dat ik nu twee Belgen en een vrouw noem – ik heb bij het kiezen niet op sekse of afkomst gelet; ik ben geen Libris-jurylid dat denkt `er moet nog een Vlaming en een vrouw bij'.''

Anders dan Komrij in de jaren zeventig diepte Zwagerman geen karrenvrachten vergeten talenten op. De meeste geselecteerden zijn bekend, en veel van de verhalen behoren tot de gevestigde schoolklassiekers – of het nu Gevederde vrienden van Wolkers is of Poep van Manon Uphoff. ,,Komrij had het veel makkelijker,'' verdedigt de bloemlezer zich. ,,Hij kon putten uit de hele 19de eeuw. Mijn startpunt is 1880, wanneer het korte verhaal zich begint te ontwikkelen; daarvóór had je alleen schetsen, zoals die in de Camera obscura. Maar dat neemt niet weg dat ik op vele verrassingen ben gestuit: Reinder Blijstra bijvoorbeeld, een soort Tim Krabbé avant la lettre, en Mary Dorna, die het beste van Charlotte Mutsaers en Renate Dorrestein in zich verenigt.''

Gevraagd naar zijn drie favoriete verhalen uit de bundel noemt Zwagerman eerst De binocle van Couperus, Manuscript in een kliniek gevonden van Hermans en De fruitkar van Bordewijk. Later in het gesprek komt hij met nóg drie hoogtepunten aan: Een, twee, drie vier van Vestdijk, Uitvaart van Belcampo en Angst van Biesheuvel. Waarmee op Nescio en Hotz na alle acht schrijvers met drie verhalen zijn genoemd. Zwagerman: ,,Het hooggebergte was snel genoeg in kaart gebracht; er waren weinig klassieke verhalen die bij herlezing tegenvielen. De lagere toppen kostten veel tijd en graafwerk.''

In de inleiding bij 250 verhalen, dat woensdag wordt gepresenteerd, schetst Zwagerman een kleine geschiedenis van het korte verhaal, en stelt hij dat in de verhalen van jonge schrijvers als Grunberg en Bouazza `het beste van twee werelden – experiment en traditie' is verenigd. ,,De bloemlezer heeft de heilige taak een optimist te zijn,'' luidt zijn commentaar. ,,Maar ik zie inderdaad een positieve ontwikkeling, naar leesbare verhalen die experimenteel zijn zonder in de geheimtaal van het `Andere Proza' uit de jaren zeventig te vervallen; een versmelting van de twee soorten verhalen die de Amerikaanse criticus Harold Bloom definieerde: het Tsjechoviaanse, dat de werkelijkheid beschrijft, en het Borgesiaanse, dat vooral fantasie en taalbouwsel is.''

Zwagerman, zelf auteur van twee verhalenbundels, beaamt dat de bloemlezing ook een pleidooi is voor een in Nederland veronachtzaamd genre. ,,In Amerika staat het korte verhaal in een veel hoger aanzien. John Updike financierde zijn romans met het schrijven van korte verhalen voor tijdschriften; in Nederland moet je de uitgave van je korte verhalen bekostigen met romans. In de inleiding spreek ik de hoop uit dat de kritiek eens ophoudt het korte verhaal als `vingeroefening' of als `staalkaart van 's schrijvers kunnen' te lezen. Laten we de boel eens omdraaien en zeggen dat de romans van Connie Palmen nieuwsgierig maken naar haar eerste verhalenbundel, of dat Vestdijk zijn echte meesterschap bewaarde voor zijn kortere werk.'' Betekent dit dan dat Zwagermans volgende boek een verhalenbundel zal zijn? ,,Nee, ik heb me de afgelopen tijd zó gefixeerd op andermans verhalenproductie dat ik even moet herademen. Ik schrijf een essaybundel en werk aan nieuwe gedichten.''