Een onafhankelijke vrouw zwijgt niet

Wat Mariken van Nieumeghen bindt met vrouwen als Ayaan Hirsi Ali en Hasna El Maroudi is dat zij een zonde begaan tegen de traditie die van vrouwen eist dat zij dom en gehoorzaam zijn. Deze traditie moet worden doorbroken, meent Elsbeth Etty.

Mijn eerste kennismaking met Mariken van Nieumeghen dateert van zo'n veertig jaar geleden. Ik leerde haar kennen via de Literatuurgeschiedenis voor middelbare scholieren van H.J.M.F. Lodewick, waarin van dit uit omstreeks 1500 daterende mirakel– of heiligenspel alleen haar eerste ontmoeting met Moenen en haar gruwelijke boetedoening in het klooster waren opgenomen.

Vooral het begin: Marikens onbevreesde fascinatie voor Moenen en haar gretigheid om van hem de zeven vrije kunsten te leren – te weten retorica, muziek, logica, geometrie, arithmetica, scheikunde en alle talen van de wereld – spraken mij ten zeerste aan. ,,Al deze kunsten zijn zeer curable, noyt vrouwe en leefde op eerde so able/ als ik u maken zal'', sprak Moenen tot haar. In modern Nederlands: ,,Al deze kunsten zijn zeer achtenswaard, nooit eerder leefde zo'n capabele vrouw op de aard/ als ik u maken zal.''

Mariken antwoordde Moenen op zijn verlokking om met hem in zee te gaan: ,,Ik ben totaal niet bang voor u/ Al kwam Lucifer zelve uit de hel gedaald/ dan nog zou ik niet bevreesd zijn/, zo zit ik niet in elkaar/ ik ben vrij van alle angsten.''

Hoezo, Mariken van Nieumeghen belegen? Ze was sinds ik deze woorden van haar las, voor mij een heldin en Moenen haar verlosser. Het werkelijke kwaad in dit mysteriespel is, zoals meestal, het religieuze fundamentalisme dat Mariken strafte voor haar afvalligheid door haar in een klooster op te sluiten en haar iedere bewegingsvrijheid te ontnemen.

Als we dan toch zo nodig een Nederlandse literaire canon moeten invoeren in het onderwijs, zou ik ervoor willen pleiten daar Mariken van Nieumeghen in op te nemen. Stel het verplicht op alle Nederlandse scholen, laat ermee zien wat een vloek religie voor vrouwen is, stel Mariken niet voor als een ,,belegen braverik'' die berouwvol terugkeert in de schoot van het geloof, maar als een voorvechtster van emancipatie en vrouwenbevrijding.

Laten we ons een voorstelling van Mariken maken. Hoe oud zou ze zijn? Zestien? Zeventien? Ze ziet eruit zoals Maria eruitziet op middeleeuwse schilderijen: lange rokken, zwaar gesluierd. Zoals veel islamitische meisjes die we vandaag de dag op straat tegenkomen. Misschien is het voor ons voorstellingsvermogen goed om een jonge moslima van haar te maken.

In de proloog van het toneelstuk wordt beschreven dat in een tijd van heftige politieke conflicten op drie mijlen van Nijmegen een vrome priester, Heer Ghijsbrecht, woonde. Zijn nichtje Mariken, een wees, woonde bij hem in en deed het huishouden. De oom, laten we een imam van hem maken, stuurt Mariken op een dag voor boodschappen naar Nijmegen. Als ze niet voor donker thuis kan zijn, moet ze maar bij haar tante overnachten, zegt hij.

Mariken gaat inderdaad naar haar tante maar moet, na een woordenwisseling, noodgedwongen de nacht buiten doorbrengen. Ze kruipt onder een haag en wordt overvallen door wanhoop.

Dan verschijnt er een redder in de nood. Een aardige man die weliswaar maar één oog heeft, maar haar wil bijstaan en zelfs op gelijke voet zijn leven met haar wil delen. Hij belooft haar van alles te leren en haar bovendien een vrolijk leven te bezorgen. Ze hoeft daar niets voor terug te doen, behalve dan dat ze haar hoofddoek niet meer draagt en dat ze haar religieus getinte naam verandert. Alleen dit laatste wil Mariken niet.

In de traditionele interpretatie wordt dit uitgelegd als teken dat Mariken zich weliswaar aan de duivel uitlevert maar de band met het geloof wil behouden. Maar je kunt het ook anders zien: mannen hebben altijd van vrouwen geëist dat ze een andere naam – hún naam – aannamen. Dat Mariken dit weigert, kun je als een blijk van autonomie opvatten. Moenen geeft haar toestemming de eerste letter van haar naam te behouden, voortaan zal zij Emmeken heten.

Al snel beseft Emmeken dat Moenen door haar voormalige geloofsgenoten als de duivel zelve wordt beschouwd en dat zij zich al zozeer aan een zondig leven met hem heeft overgegeven dat een weg terug niet meer mogelijk is. Je kunt haar in dit verband vergelijken met Ayaan Hirsi Ali. Toen ik het verhaal over Mariken voor het eerst las, had ik natuurlijk nog nooit van Hirsi Ali gehoord, ze was nog niet eens geboren. Maar nu ik haar ken, haar boeken heb gelezen en op de hoogte ben van haar levensgeschiedenis, vind ik de overeenkomst tussen haar en Mariken, de manier waarop ze zich op straffe van uitsluiting, verbanning en bedreiging van haar geloof heeft losgemaakt en zich op wetenschap en retorica heeft gestort, opvallend.

Ik vermoed dat veel mensen zich, evenals ik, zorgen maken over polarisatie in de samenleving en over het aanwakkeren van tegenstellingen tussen bevolkingsgroepen, al dan niet in de vorm van godsdienstig geïnspireerde argumenten. Er kleven uiteraard gevaren aan openlijke kritiek op de islam, die maar al te makkelijk kan worden opgevat als aanval op Turken, Marokkanen en andere vreemdelingen. Kritiek op de islam zal door politici als Geert Wilders, zoals vóór hem Pim Fortuyn, gebruikt worden als electorale propaganda tegen niet-westerse immigranten. Moet men, dit gevaar erkennend, dan maar angstvallig proberen de islam buiten de discussie te laten of te vrijwaren van kritiek?

Nee. Dat is onmogelijk zolang er mensen als Mohammed B. rondlopen en onmogelijk zolang uit naam van de islam een tegenstelling tussen de islamitische en de westerse wereld wordt verkondigd die vrouwenonderdrukking legitimeert en – daaraan gekoppeld – terreur rechtvaardigt. Vergeet niet dat Theo van Gogh, nu bijna een jaar geleden, is vermoord vanwege een filmpje dat de door de koran gedicteerde mishandeling van vrouwen aan de kaak stelde. Strijd tegen vrouwenonderdrukking (en terrorisme) staat gelijk aan religiekritiek.

U denkt dat ik overdrijf? Dat de strijd tegen vrouwenonderdrukking ook heel goed los van religiekritiek kan worden gevoerd?

Lees de VPRO-gids van deze week. Daarin staan interviewtjes met vijf allochtone leerlingen van het Johan de Wittcollege in Den Haag die voor het radioprogramma Argos een dagboek bijhouden. Eén van hen, Youness, een 17-jarige jongen van Marokkaanse herkomst, schrijft daarin: ,,Ik ben een goede Marokkaan, echt. Mijn droomvrouw moet moslim zijn, en maagd. En ze moet respect hebben voor mijn ouders. Ze moet veel kinderen willen, en dan ga ik van haar houden, omdat ze mijn vrouw is.''

Kent u de titels van Hirsi Ali's boeken? Ze heten De zoontjesfabriek en De maagdenkooi en raken de kern van de islamitische (en christelijke) vrouwenonderdrukking. Ze beschrijft erin wat de `droomvrouw' van de 17-jarige Youness te wachten staat. Voor veel van zulke droomvrouwen van islamitische mannen is de enige manier om aan een leven van helse onderdrukking te ontkomen: weglopen en hopen op ondersteuning van duivels die hun onderwijs, kennis, en de kans op een onafhankelijk bestaan bieden.

Hirsi Ali was ooit zelf zo'n wegloopster. Zij is geholpen door allerhande duivels en heeft in de ogen van haar voormalige geloofsgenoten nu zelf de gedaante van een duivel aangenomen, omdat zij een einde wil maken aan de terreur tegen vrouwen die gelovigen zich met een beroep op godsdienstvrijheid – ook in Nederland – kunnen permitteren.

Hirsi Ali stelt religieus geïnspireerde vrouwenonderdrukking aan de kaak en wordt daarop aangevallen – niet alleen door radicale moslims, maar ook door verlichte islamieten en ongelovige autochtone Nederlanders. Ze zou polariseren, een tweedeling in de samenleving veroorzaken en haar doel, de emancipatie van moslimvrouwen, voorbijschieten.

Ik zou, met een beroep op Mariken van Nieumeghen, Hirsi Ali juist niet willen kenschetsen als iemand die door de zonde van de afvalligheid te begaan de vromen tegen zich in het harnas jaagt en daarmee de eenheid van de samenleving op het spel zet. De zonde van de onafhankelijke vrouw is niet dat ze polariseert, maar dat ze onafhankelijk is. Daarom wil ik Hirsi Ali verdedigen tegen het verwijt dat zij de moslimvrouwen die zij zegt te willen emanciperen niet bereikt.

Moslimvrouwen zullen – als zij dat willen – zichzelf moeten emanciperen. Wat een hels en ontmoedigend en levensgevaarlijk karwei dat is, hebben we de afgelopen week weer eens kunnen meebeleven naar aanleiding van het schokkende verhaal van Hasna El Maroudi. Zij is een moderne moslima, bepaald geen afvallige, maar wel iemand die onafhankelijk, geëmancipeerd in het leven staat en precies dát wordt haar in bepaalde moslimkringen niet vergeven.

Hasna El Maroudi, een 21-jarige studente van Marokkaanse afkomst, schreef columns voor onder andere NRC Handelsblad – ik beschouw haar als collega. Maar ze heeft dit werk moeten staken.

Nadat ze deze zomer een openhartige column had geschreven over de haat tussen Berbers en Arabieren die ook doorwerkt onder de Marokkaanse jeugd in Nederland, is ze dermate ernstig bedreigd dat ze besloten heeft voortaan haar mond te houden.

,,Ik kan niet anders dan bezwijken onder de druk. Ik durf niet meer te schrijven wat ik wil'', liet ze weten. Alweer iemand de mond gesnoerd, daar heb je tegenwoordig minister Donner niet eens meer voor nodig. Hasna El Maroudi is teruggeworpen in het hok (of de kooi) waaraan ze dacht te zijn ontsnapt.

Net zo verging het Mariken van Nieumeghen. Ook zij bezweek onder de druk, de sancties die staan op het leiden van een onafhankelijk bestaan en het uiten van een eigen mening. Na een verblijf van ongeveer zeven jaar in Antwerpen wil Mariken haar vrienden wel weer eens zien. Moenen stemt toe en samen arriveren ze in Nijmegen waar op straat een stichtelijk toneelspel wordt opgevoerd. Het stuk grijpt Mariken zo aan dat ze besluit haar vrije leven vaarwel te zeggen en Moenen de bons geeft.

Die pikt dat niet – hij is een jaloerse minnaar en wordt zo kwaad dat hij probeert haar nek te breken. Mariken wordt neergesmeten. Dan treedt Oom Ghijsbrecht, de geestelijke, naar voren om het ,,gevallen meisje'' te identificeren. Hij herkent zijn nichtje en zodra Mariken bij bewustzijn komt, biecht ze hem haar `zonden' op. Gelukkig is de middeleeuwse Oom Ghijsbrecht moderner dan menig hedendaagse imam. Hij gaat niet over tot eerwraak, omdat zijn bloedverwante haar maagdelijkheid heeft verloren en afvallig is geweest. Hij probeert slechts de duivel uit haar te drijven en doet een beroep op religieuze leiders die haar kunnen helpen bij het krijgen van absolutie. Maar omdat er geen priester te vinden is die Mariken durft te absolveren, moet ze, als boetedoening, drie ijzeren ringen om hals en armen dragen. Pas als die op miraculeuze wijze afvallen, zullen haar zonden haar vergeven zijn.

In Maastricht treedt Mariken vervolgens in het klooster van de Bekeerde Zondaressen – terug in het hok dus – waar ze zware boete doet. Na vele jaren komt een engel haar tijdens haar slaap van de ringen bevrijden en na haar begenadiging leeft zij nog twee jaar.

Moraal van het verhaal: was toch nooit teruggegaan, Mariken. Die ringen om armen en hals droeg je al voor Moenen je kwam helpen. Teruggaan naar het hok waar je juist was uitgekropen, betekent terugkeren naar een vorm van slaafse onderworpenheid waarin je niet kunt zeggen en doen wat je wilt en het dus eigenlijk niet uitmaakt of je dood of levend bent.

Na haar zogenaamde boetedoening leefde Mariken nog twee jaar. Met Moenen daarentegen had ze zeven jaren geleefd, écht geleefd. Misschien niet in volledige vrijheid, en ongetwijfeld in zonde, maar toch in de vrijheid die kennis iemand te bieden heeft. Die kennis was een ergere zonde dan haar onkuisheid en afvalligheid, precies zoals de afgelopen maanden ook Hasna El Maroudi heeft ervaren.

De moraal van Marikens verhaal is dat kennis, durf, de moed om je los te maken, meer loont dan onderworpenheid, angst en bezwijken onder druk. Niet dat ik Hasna El Maroudi verwijt dat ze zich het zwijgen heeft laten opleggen. Wat moet zij anders? Beveiliging, zoals Hirsi Ali als Kamerlid, krijgt ze niet.

Een andere vraag is of wij daar genoegen mee moeten nemen. Moeten wij zomaar accepteren dat zij, zoals Mariken, haar zwaar bevochten onafhankelijkheid aflegt, zich laat insnoeren in figuurlijke sluiers en gordels en zware boete gaat doen door te zwijgen?

Ik zou dat onacceptabel vinden en vraag me af: Wat kunnen we doen aan dit soort achterlijke toestanden? Wat kunnen wij betekenen voor vrouwen als Hasna El Maroudi en al die anderen die minder bekend zijn?

Mijn voorstel is: doorgaan met fundamentele kritiek op de achterlijke aspecten van de islam en van álle godsdiensten. Niemand zal na de doodsbedreigingen aan het adres van Ayaan Hirsi Ali en de moord op Theo van Gogh nog kunnen ontkennen dat onderdrukking van vrouwen en geweld tegen vrouwen inherent is aan traditionele godsdienstbeleving, waarin vrouwen eenvoudigweg niet als autonome wezens worden erkend.

Laten we toch eindelijk eens erkennen dat religiekritiek een voorwaarde is om aan de onderdrukking van vrouwen een eind te maken. Laten we proberen ons niets aan te trekken van bedreigingen van fundamentalistisch islamitische zijde en nog minder van die van christelijke zijde.

Laten we daarentegen iets ondernemen tegen het onbeschaamde religieuze offensief dat we heden ten dage beleven van de kant van het CDA. En laten we vrouwen die op straffe van doodsbedreigingen hun recht op onafhankelijkheid opeisen, niet afvallen, maar hen zo veel mogelijk steunen.

Mijn stelling is dat Mariken van Nieumeghen geen zonde beging tegen Maria – of tegen de christelijke geboden zoals naastenliefde of nederigheid – maar tegen de traditie die van vrouwen eist dat zij dom, afhankelijk en gehoorzaam zijn.

Elsbeth Etty is redacteur en columnist van NRC Handelsblad. Dit is een bekorte versie van een lezing die zij gisteren uitsprak als één van de zes Moenenlezingen van wetenschappers, columnisten en politici, door de Partij van de Arbeid aangeboden als geschenk aan de stad Nijmegen die dit jaar haar 2000ste verjaardag viert.