Ambtenaren uitten voor de oorlog in Irak al twijfels

Achteraf kan je twijfelen over de Amerikaanse invasie in Irak, vindt minister Bot. Maar had de Nederlandse regering daar niet al veel eerder signalen voor?

Vele malen debatteerde de Tweede Kamer sinds maart 2003 over de Amerikaanse inval in Irak, die door de Nederlandse regering politiek werd gesteund. Zoals op 19 februari vorig jaar, toen minister Bot (Buitenlandse Zaken, CDA) antwoord probeerde te geven op de vraag waarop die politieke steun eigenlijk was gebaseerd. Het toenmalige ,,dreigingsbeeld'', aldus de bewindsman, ,,was in gemoede zo overtuigend dat de regering die stap (steun geven aan de oorlog, red.) kon zetten.'' En hij zei er nog wat bij: dat het ,,geen zin had om weer eens in dat potje te gaan roeren.''

Gisteren dacht de minister daar blijkbaar anders over. Zijn opmerking in de Kamer dat je achteraf kan twijfelen over de Amerikaanse invasie brengen opnieuw enkele cruciale vragen boven die, ondanks de vele debatten, nooit beantwoord zijn.

Bot liet zich gisteren ontvallen dat het, met de kennis van nu, wellicht verstandig was geweest om de diplomatie langer haar werk te laten doen en het onderzoek naar vermeende massavernietigingswapens in Irak voort te zetten. Kennelijk acht de bewindsman het ,,dreigingsbeeld'' nu minder overtuigend dan hij in februari 2004 de Kamer voorhield, al benadrukte hij dat hij zijn opmerkingen ,,achteraf en terugkijkend'' maakte. Maar kreeg de Nederlandse regering aan de vooravond van de oorlog niet ook al signalen die het dreigingsbeeld nuanceerden?

De Nederlandse steun aan de oorlog is gebaseerd op de weigering van Irak om de vele resoluties van de Verenigde Naties uit te voeren. Maar ook de kwestie van de massavernietingswapens, waar Bot gisteren aan refereerde, speelde mee. ,,De legitimatie voor optreden van de internationale gemeenschap ligt voor mij nagelvast in de kwestie van de massavernietigingswapens'', zei voormalig minister van Buitenlandse Zaken De Hoop Scheffer, enkele maanden vóór de oorlog.

Zijn collega Kamp (Defensie) was er op 12 februari 2003 nóg duidelijker over: ,,Als die verdwijnen, hoeft daar niets te gebeuren. Er wordt dan niets aangevallen. De vlag kan dan in top.''

Nederland, zo heeft het kabinet steeds benadrukt, maakte over de dreiging van de massavernietigingswapens een ,,volstrekt soevereine afweging''. Die vond plaats bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) en gebeurde op basis van gegevens van de VN-wapeninspecteurs, het Internationaal Atoomagentschap, van Amerikaanse en Britse zusterdiensten en op basis van ,,beperkte eigen informatie''.

Inmiddels is in zowel de VS als Groot- Brittannië duidelijk geworden dat de informatie uit het inlichtingenapparaat niet klopte. De Nederlandse diensten hadden daar al eerder twijfels over. Uit onderzoek van deze krant vorig jaar bleek dat de MIVD, vóór de inval, al genuanceerder tegen de dreiging van de massavernietigingswapens aankeek dan haar Amerikaanse- en Britse zusterdiensten. In een achteraf gemaakte analyse, die de MIVD in juli 2003 maakte, staat dat de buitenlandse informatie weliswaar ,,over het algemeen correct'' was, maar dat er ,,verschillen van mening'' bestonden ,,over de conclusies die aan de gegevens verbonden konden worden''(...) ,,De MIVD is, ondanks het feit dat er beperkt andere bronnen voorhanden waren, regelmatig tot andere conclusies gekomen dan de Amerikaanse en Britse politieke leiders presenteerden''.

Met andere woorden: niet alleen achteraf, zoals Bot gisteren zei, maar ook vóór de oorlog waren er in Nederland twijfels. Wat is daarmee gedaan? Welke invloed had dat op de `soevereine afweging'? De oppositie heeft het kabinet meerdere malen om alle gegevens gevraagd, maar dat is altijd geweigerd. Zoals de regering ook ministeriële notities over de juridische legitimatie van de oorlog niet openbaar wil maken.

Volgens premier Balkenende lag aan de Nederlandse steun ,,een sluitende juridische redenering'' ten grondslag. Maar de directie juridische zaken van het ministerie van Buitenlandse Zaken gaf in een notitie van 1 maart 2003 al aan dat de toenmalige VN-resoluties ,,niet per definitie'' kunnen worden opgevat ,,als een machtiging tot het gebruik van geweld''. De directeur juridische zaken van het ministerie van Defensie was eerder, op 28 januari 2003, nóg duidelijker geweest. Alleen een nieuwe, extra VN-resolutie kon ,,als een grondslag dienen voor een rechtmatige aanval''.

Hoe is Nederland destijds precies met zijn, in de woorden van Balkenende ,,eigen verantwoordelijkheid'' omgegaan? Werden adviezen in de wind geslagen en voer men voornamelijk op het kompas van Washington en Londen? Of was er wellicht méér informatie die nu nog steeds onbekend is? Antwoorden op deze vragen zullen er alleen komen als alle relevante documenten openbaar worden. Maar daar lijkt het kabinet niets voor te voelen.

Of, zoals minister Kamp vorig jaar in het parlement zei: ,,Uitgaande van het algemene vertrouwen dat het parlement in de regering mag hebben en het ontbreken van aanwijzingen dat er iets anders is, meen ik dat het verantwoord is dat de Kamer genoegen neemt met de informatie die namens de regering is verschaft.''

Het onderzoek naar de besluitvorming om de oorlog in Irak te steunen werd op 12 juni 2004 in deze krant gepubliceerd en is na te lezen via www.nrc.nl.