Zorgwekkende vraag over strafbaarstelling

De raad voor de rechtspraak vindt het wetsvoorstel dat het verheerlijken van terroristische misdrijven strafbaar stelt, onvoldoende duidelijk.

Bij wijze van voorbeeld vraagt de raad zich af of een betoog dat het Amerikaanse optreden in Irak meer doden heeft gekost dan de aanslagen van 11 september, onder het vergoelijken van terrorisme valt (NRC Handelsblad, 1 oktober). Dat dit überhaupt een vraag is, is zorgwekkend. Het optreden in Irak hééft immers meer doden gekost dan de aanslagen van 11 september.

Dat is geen mening maar een controleerbaar feit. Zo draait de aarde om de zon, zonder dat de vervolging van Galileo daar iets aan heeft kunnen veranderen. En feiten vergoelijken niet, ze legitimeren hooguit.

Dat de illegale aanvalsoorlog tegen Irak met al haar gevolgen veel erger is dan de aanslagen van 11 september, is wél een mening. Onder andere de mijne. Ik zie niet hoe ik door het uiten van deze mening terroristische daden vergoelijk. Ik trek uit mijn oordeel niet de conclusie dat terroristische acties gerechtvaardigd zijn. Dat anderen die conclusie mogelijk wel trekken, kan mij niet verweten worden. Maar hoe zit het met die anderen? Als die nu oprecht van mening zijn dat de Amerikaanse agressie terrorisme rechtvaardigt? Mogen ze die mening dan niet uiten? Waarom eigenlijk niet? Hoe kan ik dan met die mensen in debat gaan om ze te overtuigen van hun ongelijk?

Het strafbaar stellen van vergoelijking vormt, ook als dat voldoende duidelijk gebeurt, een ontoelaatbare want onnodige en zelfs contraproductieve inbreuk op de vrije meningsuiting. Het opruien tot terroristische daden vormt uiteraard een ander verhaal. Opruien leidt tot actie en is dan ook allang strafbaar gesteld.