Op bezoek bij je zoon

Martin Waddell maakte voor de kinderboekenweek het prentenboek `Waar ben je, Kleine Beer?' Net als zijn vorige Kleine Beer-boeken is het sterk autobiografisch.

Ouders van Nederland opgelet. Als u Welterusten, Kleine Beer van Martin Waddell (tekst) en Barbara Firth (tekeningen) voorleest en Grote Beer bromt `Kun je niet slapen, Kleine Beer?' – nadat hij voor de zoveelste keer zijn boek heeft neergelegd en naar het bed is gesjokt omdat Kleine Beer niet slapen kan – dan is het dus niet de bedoeling dat u dat met een zoet stemmetje fluistert. Dan moet u – Waddell doet het u even voor – uw wenkbrauwen fronsen, uw mondhoek optrekken en uw stem zwaar maken. U moet brommen. Desnoods gromt u er zelf nog achteraan: `Slapen, nu!'

Net als dit eerste Kleine Beer-boek uit 1988 is ook het kinderboekenweekgeschenk 2005 Waar ben je, Kleine Beer? een autobiografisch prentenboek. Welterusten, Kleine Beer schreef Waddell toen hij huisvader was en voor zijn drie zoons zorgde – als hij wilde schrijven, kon dat alleen als de kinderen sliepen. ,,Dat frustreerde me. Ik dacht: wat doe ik hier? Ik wil verder met mijn leven.'' Waar ben je, Kleine Beer?, waarin Kleine Beer in zijn eentje in zijn eigen speelhol wil slapen, schreef Waddell dit jaar nadat hij bij zijn zoon op bezoek was geweest die het ouderlijk huis verlaten had en voor het eerst een eigen huis bezat. De zoon leidde de vader rond door een leeg huis, waarin – net zoals vroeger in zijn hutten – alleen een tafel, een stoel en een bed stond. `Kijk, daar is mijn berenstoel, dit is de tafel, en dat is mijn bed', laat Waddell Kleine Beer zeggen.

Martin Waddell werd in 1941 in Belfast geboren tijdens een bombardement. In 1972 werd hij samen met een kerk de lucht ingeblazen door een bom en daarna levend onder het puin begraven van diezelfde kerk. De wereld van Kleine Beer is er echter een van veiligheid en grote geborgenheid – maar, volgens Waddell, toch niet rimpelloos. ,,Je kunt de complexiteit van de boeken natuurlijk overschatten'', zegt hij, ,,maar het is wel waar dat in elk boek een voor een kind herkenbaar probleem wordt behandeld.'' De boeken gaan over angst voor het donker, grenzen verleggen, ouders die geen tijd voor je hebben en zelf gecreëerde angsten. ,,Als kind was ik doodsbang om de wc door te trekken. Een prentenboek kan zo'n gevoel bespreekbaar maken. Een goed prentenboek moet een kind recht in het hart raken.''

In Waar ben je, Kleine Beer? schrikt Kleine Beer uiteindelijk van zijn eigen overmoed om alleen te willen slapen. Zo alleen in zijn donkere hol, bedenkt hij zich dat hij nog geen verhaaltje heeft gehad, hij loopt naar het hol van zijn vader. `Heb je me gemist?' vroeg Kleine Beer. `Ik heb je erg gemist', zei Grote Beer. `Zal ik vannacht maar hier blijven?', zei Kleine Beer. `Dan ben je niet zo alleen.' `Dat zou fijn zijn', zei grote Beer.' Waddell: ,,Kleine Beer verzint een list om zijn angst te verbergen.''

Is dat zo? Misschien denkt Kleine Beer wel echt dat hij nu op zijn beurt voor zijn vader moet zorgen. ,,In dat geval kun je het nauwelijks nog als een kinderboek zien'', zegt Waddell – en hij begint weer te fronsen en te grommen: `Eet je soep, Grote Beer.'