Ontdekking filmfestival zit in bijprogramma

Het Filmfestival in Utrecht biedt het publiek tien dagen lang een brede kijk op de Nederlandse cinema. En er valt meer te ontdekken dan je zou denken.

Het Nederlands Filmfestival in Utrecht heeft onder filmcritici geen grote naam. Voor mensen die het hele jaar voor hun beroep naar de bioscoop gaan, valt er misschien niet veel nieuws te vinden. De meeste films zijn al in het voorgaande jaar te zien geweest, en van die paar premières is nooit alles alleen maar meesterwerk. Het is geen Cannes, het is geen Venetië, het is geen Berlijn.

Maar Utrecht is wel, en vooral, een publieksfestival. In de tien dagen dat het festival duurt, hangt er een grotere opwinding rond de Nederlandse film dan doorgaans in de rest van het jaar. En niet alleen op momenten dat er prijzen worden uitgereikt (bijvoorbeeld het beste filmaffiche volgens vakblad Skrien: de poster van 06/05 van Theo van Gogh, ontworpen door Fred Kampes) of nominaties voor de Gouden Kalveren worden bekendgemaakt.

Meer dan honderdduizend mensen gaan in de anderhalve week dat het festival duurt in Utrecht bioscoop in en bioscoop uit – en daar valt nog heel veel te ontdekken. Er zijn Nederlandse klassiekers, die je domweg niet vaak genoeg kunt vertonen. Het complete werk van Jos Stelling en van Theo van Gogh is tijdens het festival in de bioscoop te zien. Loes Luca heeft haar eigen greep in het Nederlands filmerfgoed gedaan en als je een stap verder wilt gaan, dan luister je naar een beroemde regisseur als István Szabo (Mephisto) die in het weekeinde in zijn `cinema militans' vraagtekens zette bij begrippen als waarheid en realisme in de filmkunst. (Overigens zaten uitgerekend daar maar enkele tientallen luisteraars.)

Er zijn verborgen schatten op het festival, vooral onder de korte films. De wonderlijke geschiedenis van Wolfgang Krone bijvoorbeeld, ooit een ambitieus amateurfilmer uit Hannover die Napoleons veldtocht naar Rusland op 8mm film probeerde te krijgen en daar gezien de documentaire Voor even Napoleon van Bart van Esch nog aardig in is geslaagd ook. Maar daarna is hij veroordeeld tot een bestaan ,,zonder vrouw, zonder kinderen en zonder beroep''.

Dick Rijneke heeft zijn korte documentaire Waar is mijn jas, die begin dit jaar op het filmfestival van Rotterdam te zien was, uitgebreid tot de bijna anderhalf uur durende Nou dat was het dan. In de eerste versie zagen we een explosief gesprek van de filmmakers Paul Verhoeven en Wim Verstappen met journalist Ruud den Drijver in de jaren zeventig. Dit jaar zocht Den Drijver (die zijn Rotterdamse accent in de tussenliggende decennia overwonnen blijkt te hebben) Verhoeven op in Cannes en zet, helaas zonder de inmiddels overleden Verstappen, het gesprek op oude voet voort. Dat wil zeggen, vooral Verhoeven blijkt nog niets van zijn oude opvliegendheid én bevlogenheid te hebben verloren.

Er waren ook onverwachte ontmoetingen in Utrecht, zoals de beroemde bandoneonist Carel Kraaijenhof die zondag ineens opdook bij de vertoning van De grote tovenaar, een film van Ruud Monster over de experimentele filmmaker Frans Zwartjes, en daar twee nummers speelde. Van Zwartjes, die nooit een groot publiek heeft bereikt, was in Utrecht ook een klein aantal door hemzelf geselecteerde films te zien.

Maar het belangrijkst om te zien is dat het publiek in Utrecht zijn eigen plan trekt. Zodat een film als Leef! van Willem van de Sande Bakhuyzen en Maria Goos, die vorige week door de meeste recensenten negatief werd besproken, voorlopig de ranglijst van publieksfavorieten aanvoert.