Naar Taiwan? Ga toch fietsen!

Reizen Taiwan is aantrekkelijk voor fietsers: spectaculaire natuur, Aziatische cultuur en autoverkeer dat rekening met hen houdt.

Links: gastenverblijf langs het Meer van de Zon en Maan, rechtsonder het boeddhistisch altaar van het verblijf. Rechtsboven: fietsen om het meer staat op de wensenlijst van veel Taiwanezen. Foto Istock

Het is zonnig en zacht najaarsweer, ideaal voor een fietstocht rond het Meer van de Zon en Maan in centraal Taiwan. Zelfs in oktober is het dan nog flink zweten, zeker als je soms je fiets door een gleuf langs een steile trap de heuvel op moet duwen. Die heuvels zijn hier en daar steil genoeg om bergafwaarts flink in de remmen te moeten, en een helm is geen overbodige luxe.

Maar iedereen kan het, want er zijn naast fietsen, tandems en steps ook e-bikes te huur om de weg van 33 kilometer rond het meer af te leggen. Taiwan is verrassend goed ingesteld op fietsers. In veel andere Aziatische landen word je nogal eens van de sokken gereden omdat auto’s zich niets aan fietsers gelegen laten liggen. Taiwan is daarmee een aantrekkelijke bestemming voor mensen die hun vakantie fietsend willen doorbrengen en ook iets van een Aziatische cultuur willen zien.

Taiwanezen fietsen graag, en stil is het dan ook niet bij het Meer van de Zon en Maan. Vooral bij het vertrekpunt in de plaats Yuchi verdringen wandelaars en fietsers elkaar op de relatief smalle, soms uit houten dwarsbalkjes bestaande fietspaden. Het is een van de belangrijkste toeristische attracties van Taiwan, ook voor de inwoners zelf. En er zijn veel toeristen uit China en andere Aziatische landen. Af en toe zie je een verdwaalde Amerikaan of Europeaan.

Een stukje verder van het vertrekpunt blijken veel dagjesmensen hun fietstocht alweer te hebben opgegeven: het wordt rustiger, de weg wordt steiler en landelijker en het fietspad loopt gewoon langs de autoweg. Gek genoeg heb je daar helemaal geen last van: de auto’s rijden met een enorm wijde boog om je heen en ze toeteren niet.

Japanse invloed

In de bocht van een steile afdaling staat een jonge man met een kindje op zijn arm. Hij heeft een klein restaurant en theehuis dat hij met zijn vrouw runt. „Toen mijn moeder overleed, bleef mijn vader alleen achter in het boerenhuis even verderop”, vertelt Liu Chün-hao. „Dat vonden wij erg eenzaam voor hem, maar hij wilde per se niet verhuizen.” Daarop besloten de zoon en zijn vrouw om Sunmoonhome te beginnen, een restaurant met gastenverblijf op het terrein van de vader. Zo zou hij af en toe wat kunnen kletsen met de bezoekers, en hij hield ook meteen zijn kinderen in de buurt.

Het gastenverblijf bestaat uit een rij van vijf kamers van donker hout, opgetrokken in Japanse stijl. Je verblijft er heerlijk rustig, alleen wel zonder uitzicht op het meer. Er ligt een comfortabel dik matras op de Japanse tatami-matten, elke kamer heeft een eigen badkamer met stenen bad. Je kunt er zitten op de grond aan een laag tafeltje.

Het is een van de vele plekken waar je de Japanse invloed op Taiwan terugziet. Taiwan, dat ongeveer net zo groot is als Nederland, was van 1895 tot 1945 de eerste Japanse kolonie. Sommige oude Taiwanezen spreken nog steeds beter Japans dan Chinees, omdat ze als kind naar Japanstalige scholen gingen. Er is geen afkeer van Japan, en je kunt er ook nog steeds heel goed Japans eten. Taiwanezen doen ook een beetje Japans aan in hun vriendelijkheid en voorkomendheid. Ze zijn over het algemeen minder luidruchtig en gedisciplineerder dan Chinezen van het Vasteland. In 1949, toen de communisten de macht overnamen op het vasteland van China, vluchtten de verslagen nationalisten naar Taiwan, een eiland dat tot vier jaar daarvoor onder Japans bestuur viel. Het eiland heeft een eigen regering, en westerse toeristen kunnen er zonder visum op vakantie.

Achter de gastenverblijven in Japanse stijl van het jonge echtpaar ligt het oude boerenerf van de vader. Het witte huis lijkt wel een museum van Taiwanese plattelandscultuur. In het hoofdvertrek staat een boeddhistisch altaar met offergaven, de ruimte ruikt naar wierook. Een gast uit Hongkong die geen geld had voor logies, heeft op de witte zijmuren het gestileerde silhouet van een tijger en een fabeldier geschilderd als dank voor haar verblijf. Op de binnenplaats staan twee stokoude transportfietsen en een dorsmachine die de vader nog heeft gebruikt. In een zijkamer staat een tv-meubel uit de jaren 50.

Als je onderweg een lekke band krijgt, mag je overal in Taiwan aankloppen bij een politiebureau. Daar hebben ze bandenplakspullen en gereedschap om eenvoudige problemen met je fiets te verhelpen: waarschijnlijk doen ze dat nog voor je ook. Als er geen politiebureau in de buurt is, stap je gewoon een 7-Eleven binnen, een keten van buurtsupermarkten die vaak 24 uur per dag open zijn. Ook zij leveren dezelfde reparatieservice.

Spectaculaire natuur

Taiwan is door dergelijke voorzieningen en de vele aangelegde fietspaden een fietsland bij uitstek geworden. Vroeger hadden mensen helemaal geen tijd voor vakantie en vermaak, maar dat is snel veranderd. Op de bucketlist van de moderne, sportieve Taiwanees staan het Meer van de Zon en Maan overzwemmen (een afstand van 3 kilometer), de Jade Berg beklimmen, met bijna 4.000 meter de hoogste berg van Taiwan, en het eiland rondfietsen.

Daarvoor moet je wel in een heel behoorlijke conditie zijn. Het is bijna 1.000 kilometer, met ook steile bergen. Je fietst over Fietspad Nummer Eén, in 2015 officieel als zodanig in gebruik genomen. De meeste mensen trekken er tien tot twaalf dagen voor uit, en jong en oud doet het. Delen van de route bestaan uit losse fietspaden die niet langs een autoweg liggen en die door prachtig natuur lopen, deels ook langs de kust met uitzicht op zee. Andere delen lopen wel langs een autoweg, maar als die te druk is, is het fietspad er goed van afgescheiden. Je kunt ook de minder aantrekkelijke delen overslaan. De oostkust is mooier en stiller en daarmee meer de moeite waard dan de westkust, waar grote steden en fabrieken liggen.

Lees ook: NRC tipt steden, van Brussel tot Tel Aviv

Fietsend in Taiwan zie je spectaculaire natuur, maar je ervaart ook op een persoonlijke manier een andere cultuur. Langs de weg staan vele taoïstische, boeddhistische en confucianistische tempels die je kunt bezoeken. Je kunt geweldig Chinees en Japans eten, er is ook westers eten te koop, al is dat vaak een beetje saai: voorverpakte sandwiches, spaghetti en hamburgers.

De taal is wel echt een handicap: iedereen is van goede wil, maar lang niet iedereen spreekt Engels. Je moet dus met handen en voeten duidelijk maken wat je bedoelt. Je kunt ook via een Taiwanees reisbureau met een groep fietsen. De luxere tours rijden mee met een eigen busje, waar je in geval van nood je fiets op kan laden en een stuk met het busje kan doen. Dergelijke tochten zijn wel aan de prijs.

Het wordt avond rond het Meer van de Zon en Maan, nog even een korte stop voor de terugkeer naar Yuchi. Langs de weg staat een winkeltje waar je een ijsje kan eten. „Dat ijs maakt mijn man zelf van natuurlijke ingrediënten”, zegt de vrouw achter de toonbank. Het smaakt naar vruchten waarvan je nog nooit hebt gehoord. Omdat ze bijna gaat sluiten, deelt ze gratis een extra ijsje met theesmaak uit. Dat geeft vleugels op het laatste stuk bergafwaarts.