Franse lessen

Frankrijk staakte gisteren, en dat was te merken. Acties in het openbaar vervoer, op scholen, bij publieke diensten en bedrijven ontregelden het leven in met name de grote steden. Deze `nationale actiedag' was uitgeroepen door de vakbonden, die met de stakingen een signaal van sociale onrust afgaven. Veel Fransen maken zich zorgen over zaken als de hoge brandstofprijzen, werkloosheid, koopkrachtverlies en een economische hervorming van het kabinet van premier Dominique de Villepin, waardoor het ontslagrecht soepeler wordt.

De massaliteit van de stakingen veronderstelt een hoge graad van organisatie. Het tegendeel is het geval: in Frankrijk is nog geen tien procent van de werkenden lid van een vakbond, tegen een gemiddelde organisatiegraad van dertig procent in andere West-Europese landen. De Fransen hebben wèl een rijke traditie van actievoeren. Het land wordt ieder jaar enkele keren, bij voorkeur in de herfst, getroffen door stakingen en protesten. Truckers die de wegen blokkeren, metropersoneel dat de rijtuigen stilzet, veerdiensten die niet kunnen uitvaren – vorige week nog in Corsica – en boze vissers die hun vangst op de stoep deponeren van het Elysée, het paleis van de president in Parijs.

Het zijn rituelen die misschien bij Frankrijk passen, maar er is nu toch meer aan de hand. Massa-ontslag bij een Franse vestiging van het Amerikaanse Hewlett-Packard liet de Fransen de keerzijde van de globalisering zien. Het computerconcern schrapt wereldwijd ruim veertienduizend banen, waarvan twaalfhonderd in Frankrijk. Deze maatregel had zijn nagalm tot in het kantoor van president Jacques Chirac. De Fransen, die verwend zijn met een door de staat gestuurde industriepolitiek, werden zich ineens van hun economische kwetsbaarheid bewust. De impliciete boodschap luidt dat sociale onzekerheid wel eens een constante factor in het bestaan kan worden.

Dat laatste gaat niet alleen op voor Frankrijk. Alle West-Europese landen hebben ermee te maken. Hun demografie zorgt voor problemen. De verzorgingsstaat ligt mede als gevolg hiervan onder vuur. De lonen zouden omlaag moeten, er zou langer en harder moeten worden gewerkt, de staat moet saneren en werknemers in het grote bedrijfsleven ontdekken dat zij in het ongunstigste geval pionnen zijn in een partij wereldschaak met afwisselend Azië en Amerika als bordpartners. Het zijn ingrediënten te over voor een flinke portie maatschappelijke en politieke onrust.

Aanpassing aan de `globaliserende wereld' gaat in het ene land makkelijker dan in het andere. In Frankrijk en Duitsland kunnen de problemen wel eens het grootst worden, omdat deze landen het angelsaksisch-liberale ondernemingsmodel niet kennen dat nu wereldwijd furore maakt. In die zin zal de sanering van het op zichzelf winstgevende Hewlett-Packard voor Frankrijk inderdaad als een schok zijn gekomen.

De regeringen in het avondland moeten de sociale onrust – en de dieperliggende oorzaken hiervan – niet onderschatten. Ze dienen een eigen economische koers te varen; een die recht doet aan de kernelementen van de verzorgingsstaat, die de burger voldoende sociale zekerheid biedt en die tegelijk meer oog heeft voor concurrentie op wereldniveau. Dit was in feite waarvoor de Fransen gisteren de straat opgingen. Het is niet gemakkelijk te realiseren, maar wenselijk is het wel. Voor Frankrijk en de rest van West-Europa.