Ook `goede' imams doen het nooit goed

Op een workshop in Leiden vonden sociale wetenschappers dat West-Europese overheden te veel verwachten van imams. Ze moeten een hoofdrol spelen in de `jihad tegen extremisme'.

Een Marokkaanse moslimgemeente in Noorwegen kiest een imam. Een welbespraakte kandidaat, net over uit Marokko, heeft zijn zegje gezegd en de mannen mompelen: ,,Een groot sheikh!'' Achterin de zaal fluisteren vrouwen: ,,Als zijn dochters eenmaal groot zijn, lachen ze hem uit.''

Een Pakistaanse imam is lid van een Londense wijkraad. Niet-islamitische leden kunnen altijd een beroep op hem doen als er problemen zijn met jonge moslims in de buurt. Na de bomaanslagen van 7 juli was hij een van de eersten die deze scherp veroordeelden. Een populaire, radicale prediker diskwalificeert de Pakistaan met de woorden: ,,Deze man is geen imam!''

Twee voorbeelden van tanend gezag onder islamitische voorgangers. Ze passeerden de revue tijdens een tweedaagse workshop die het afgelopen weekeinde werd gehouden in Leiden. Het thema was `Islamitisch religieus gezag in West-Europa'. Organisatoren waren het Internationale Instituut voor Studie van de Islam in de Moderne Wereld – een Nederlandse interuniversitaire instelling – en het Zentrum Modern Orient in Berlijn. De deelnemers waren jonge onderzoekers uit heel West-Europa, zowel sociologen als theologen, deels zelf leden van de immigrantengemeenschappen, deels afkomstig uit de ontvangende landen.

Moslims in West-Europa zijn op zoek naar in hun ogen correcte ziens- en handelwijzen in een niet-islamitische omgeving. Daarvoor doen zij een beroep op mensen aan wie zij voldoende gezag toeschrijven om in godsdienstige aangelegenheden oordelen te vellen. Vanouds zijn dat ulama's (schriftgeleerden), moefti's (kenners van de religieuze wet die fatwa's – juridische opinies – geven) en imams (voorgangers in de moskee).

Moslimgemeenten in West-Europa bestaan vooral uit arbeidsmigranten en die betrekken hun, veelal elementair geschoolde, imams uit eigen land. Gezien de vraag van overheden naar representatieve woordvoerders ontstonden er in de diaspora moslimraden, en ook studenten- en vrouwenclubs. Tegelijkertijd konden ook moslims zich niet onttrekken aan individualisering: geloofsbeleving werd allengs meer een persoonlijke kwestie. `Believing without belonging', noemden de workshop-deelnemers dat. In dit dynamische milieu woeden tegenwoordig felle debatten over de vraag wie aanspraak kunnen maken op religieus gezag.

In de loop der jaren claimden nieuwe personages zulk gezag: uitgeweken leden van radicale Midden-Oosterse bewegingen, zoals de Moslim Broederschap, en liberale intellectuelen als de in Frankrijk wonende Algerijn Mohammed Arkoun. De nieuwste sterren aan het islamitische firmament zijn internetpredikers als Yusuf al-Qaradawi uit Qatar, die on line fatwa's uitvaardigt, en vertolkers van relipop als Yusuf al-Islam (Cat Stevens).

Overheden hebben zowel in de landen van oorsprong als in ontvangende landen hun kaarten gezet op de imams, religieuze voorgangers aan de basis. Waar deze verwachtingen toe leiden, werd tijdens de workshop uiteengezet door Jonathan `Yahya' Birt uit Oxford.

Sinds de jaren tachtig werden religieuze minderheden in Groot-Brittannië aangemoedigd zitting te nemen in raden die ijverden voor verbetering van oude binnensteden. Die raden keerden zich tegen racisme en kwamen op voor mensenrechten en `multiculturalisme', in de woorden van Birt elementen van een `civic religion'. Volgens Tony Blair's New Labour is een godsdienst die het algemeen belang dient en het beleid ondersteunt een `goede godsdienst' en zijn imams die hetzelfde doen `goede imams'. Theologie is daarbij irrelevant.

De overheid verwacht te veel van imams, vonden de in Leiden vergaderde onderzoekers. Sinds `9/11' worden deze moslims geacht een hoofdrol te spelen in de `jihad tegen extremisme'. Na de bommen van 7 juli in de Londense metro is de druk verder opgevoerd, tot en met deportaties en celstraffen. Voorgangers die meespelen, verspelen hun gezag, vooral bij jongeren. Birt bespeurt een spanning tussen de van hogerhand gepropageerde `civic religion' en een onder jonge moslims levend `gematigd islamisme'. Dat is ,,geen obsessie met de totalitaire notie van een islamitische staat'', zegt Birt, maar ,,religieus activisme vergelijkbaar met evangelisch christendom.''

Ook andere inleiders wezen op paradoxen. Overheden van ontvangende landen zien de imam als risicofactor, maar ook als makelaars bij de integratie van de islamitische minderheid. Imams worden voor van alles en nog wat verantwoordelijk gesteld, terwijl ze vaak managerskwaliteiten missen. In de eigen gemeenschappen is de positie van imams ambivalent, want daar staat de integratie juist op religieuze gronden ter discussie.

Tijdens de workshop merkte Lena Larsen uit Oslo op: ,,Iedereen lijkt te denken dat het imamprobleem is opgelost als kandidaten beter worden geschoold. Vandaar de hausse van academische imamopleidingen. Maar worden ze straks overeenkomstig hun opleiding betaald? Dat kan geen gemeente zich veroorloven! En dan worden al die imams met een titel aan de dijk gezet.''