Het beeld

Beroemdheden die over de wereld reizen om voor het oog van de camera misstanden aan te klagen, die heb je in soorten en maten. Zangers en zangeressen die met een bezorgd gezicht een leprozenkolonie bezoeken horen niet tot mijn favorieten. Evenmin was ik erg dol op de antiglobalistische activiste en kokette economieprofessor Noreena Hertz, die onlangs in Tegenlicht (VPRO) het noorden maande tot eerlijker delen. Het was zo humorloos en zo overtuigd van eigen gelijk.

Daarentegen vond ik de serie essayistische reisdocumentaires Geldof in Africa (BBC) weer erg goed, omdat de organisator van Live8 ons vooral liet delen in zijn goed geïnformeerde twijfel en verbazing over wat hij in onder meer Congo, Ethiopië en Ghana aantrof. Nog spannender en persoonlijker is de serie Jan Jaap van der Wal over de wereld, waarvan de AVRO gisteren het vierde deel uitzond. Om zo'n dure documentairereeks te kunnen maken moet je, zoals dat in het Hilversumse jargon heet, ,,zelf geld meenemen''. Dus werd de serie gesponsord of gecofinancierd door het Liliane Fonds, dat een goede reputatie geniet om de bescheiden omvang van zijn strijkstok. Kennelijk sluit de serie aan bij de daar heersende opvattingen over gehandicapte kinderen in arme landen. Een betere ambassadeur voor die opvattingen dan cabaretier Jan Jaap van der Wal, bekend door het satirische TROS-programma Dit was het nieuws, had het Liliane Fonds zich niet kunnen denken.

De eerste UNICEF-ambassadeur was in de jaren vijftig Danny Kaye. Die komiek was briljant in staat om clownesk te interacteren met kinderen die hij niet kon verstaan en zo een soort van universeel begrip te introduceren. Vele minder begaafde grapjassen volgden zijn voorbeeld. Als Van der Wal zich als `Jappie de Flappie' in een geel clownspak aan de tsunamistranden van Sri Lanka vervoegt, zegt de directrice van een dovenschooltje dat hij al de derde komiek is die op bezoek komt. Vermoedelijk stond die opmerking in het script, want Van der Wal ensceneert veel om zijn punten duidelijk te maken. Zo legt hij in het commentaar uit dat hij dat verschrikkelijke clownspak draagt als een metafoor van de onmacht om door te dringen tot een vreemde wereld.

Toch lukte dat in het vorige deel – in Bangladesh – voortreffelijk. Van der Wal ging een wedstrijd `cocosnoot leegdrinken met een rietje' aan met drie kinderen, die net als hijzelf schisis – een `hazenlip' – hadden. De vrolijkheid ging langzaam over in woede, toen Van der Wal begreep dat de moeders van gehandicapte kinderen dat als een straf beschouwen voor het op een verkeerde manier vis schoonmaken bij volle maan. Ook in Sri Lanka verzette Van der Wal zich tegen de boeddhistische verklaring voor spasticiteit: ,,slecht karma'', niet goed geofferd.

Zijn persoonlijke betrokkenheid en speelse benadering van doorgaans ernstig en vroom behandelde problemen leidde in Bangladesh ook tot een zeldzaam stukje televisie: een grotendeels woordloze, uit gebaren, mimiek en andere vormen van lichaamstaal opgebouwde dialoog met een meisje dat aan het syndroom van Down leed. Of moet ik schrijven: `leed', want de cabaretier en het kind kwamen samen snel tot de conclusie dat de rest van de wereld gek was, en zijzelf heel gewoon.