Gert-Jan

,,Theunisse is aan het einde gekomen van een glorieuze lijdensweg'', schrijft Dagblad De Limburger. Ik vind dit een prachtige zin. Treffender kan de paradox van dit sportbestaan niet worden samengevat.

Ook treffend het citaat van vader Tonny in het artikel: ,,Gek, ik brul anders nooit.'' Vader Tonny, de vader aller wielrenners, ziet de zoon in een strandrace voor altijd afscheid nemen van de gewielde competitie, en huilt.

Toen Gert-Jan een paar jaar geleden besloot zich te storten op de marathons voor mountainbikers was hij naar eigen zeggen voor dertien procent invalide. Dertien is een akelig getal in het bijgelovige sportcircuit, toch achtte hij de zevenentachtig valide procenten toereikend om in deze discipline te excelleren: ,,Hoog in de bergen in mijn eentje te sterven, en dan de pijltjes volgen.'' Gert-Jan ten voeten uit, extremistisch, balancerend op het randje van zichzelf.

De dertien procent was het restant van een partiële dwarslaesie. De verrijzenis uit de rolstoel vond hij een grotere zege dan de etappe op Alpe d'Huez en de bolletjestrui bij elkaar. Maar de rest van de fracturenlijst mag er anders ook wezen. Noem een willekeurig bot en hij heeft het gebroken. Qua tragisch talent leek Gert-Jan op Marco Pantani. Twee gelukszoekers, twee ongeluksmagneten. Twee bezeten wielrenners uit een tijdvak dat ver voor de Tweede Wereldoorlog werd afgesloten. Ieder een mijnwerker van de ziel. Beneden, in de diepste instincten, brandt de felste antraciet. Twee aangeklaagden ook. Pantani voor dik bloed, Gert-Jan voor dik testosteron.

Lubberding ontdekte hem, Post contracteerde hem, en in de Catalaanse Week van ik meen 1985, werd de debutant als slapie op mijn kamer gestald – een tijdelijk mentorschap was me toebedeeld. Ik ontmoette een stille jongeman met lange blonde manen. Gezien zijn nogal chaotische optreden in de koers hadden mijn suggesties en instructies weinig vat op hem.

Toch klikte het. Na een paar dagen werd hij losser in de omgang. Wat heet, Gert-Jan draaide de rollen om, hij werd mijn mentor. Deze empirische vaststelling vertrouwde hij me op een avond toe: de vorm en weelderigheid van de wenkbrauwen van een vrouw zeggen alles over de vorm en weelderigheid van haar geslachtsdeel.

(Sinds die avond kijk ik anders naar wenkbrauwen, maar daar gaat het nu niet om. Die avond trok ik de conclusie dat het testosteron van Gert-Jan over een bijzondere, misschien wel afwijkende explosiviteit moest beschikken. Eigenlijk zou ik de ideale getuige à decharge zijn geweest in het veel latere gedonderjaag rondom zijn dopingschuldvraag.)

Het begin van de wielergrootheid kwam voor de dag in de Vuelta van 1986, negentiende etappe, Benalmadena-Puerto Real. Een prachtige etappe over 234 kilometer waarin de Kaap van Gibraltar werd gerond. Het woei verschrikkelijk – een muur van zijwind kwam uit Afrika. Kopman Robert Millar had een paar dagen eerder de leiderstrui verspeeld en zat achter in het veld te mokken. Een kopgroep vertrok, Millar was bezig zelfs de zilveren podiumplek te verliezen.

Toen zette Gert-Jan zich op kop. Een scheefhangend oorlogsgaljoen trok woest en rücksichtslos over woedende schuimkoppen. Wat een machtig beeld was dat.