Wat je zegt, ben je zelf

Sommige mensen kunnen ontzettend goed vertellen. Hun verhalen zijn meeslepend en overtuigend, de details precies die details die het allemaal zo waar maken. Anderen bezitten die vaardigheid niet; wat ze meegemaakt hebben wil je niet echt horen en dat ligt niet aan de gebeurtenissen. Het is hun stijl die elk verhaal droog maakt, zonder pointe, vaag.

Je hebt ook nog mensen die je nooit gelooft, wat ze ook vertellen, omdat er iets van overdrijving in hun toon zit, aanstellerij in hun gebaren, bij elk mini-voorvalletje doen zij er een schepje bovenop. Althans, dat denk je. Op grond van hoe je de stijl van de mensen beoordeelt, beoordeel je in één moeite door hun geloofwaardigheid.

Soms vraag je je af of mensenkennis wel bestaat. Of wat je doet niet voornamelijk is: met een mengsel van ervaring, voorkeur, vooroordeel en onredelijke sympathieën en afkeren de mensen indelen. Dat is een leugenaar, dat is iemand die veel heeft meegemaakt, dat is een luilak. Familie uit Zuid-Afrika vertelde dat ze in Nederland soms wat moeite hadden met al die witte mensen die hen bedienden. Een blanke vuilnisman – vreemd. ,,Kon hij geen werk krijgen?'' vroegen ze zich dan onwillekeurig af, omdat ze vuilnis ophalen niet beschouwden als echt werk. Voor een blanke. Werden ze in een café bediend, dan dachten ze bij zichzelf: ,,Doe niet zo onderdanig tegen mij'', want onderdanigheid van een andere blanke, dat is vreemd. Ze vertelden het enigszins gegeneerd, omdat ze er zelf ineens door hadden gemerkt hoe anders hun wereld eruitzag, hoe vanzelfsprekend ze het waren gaan vinden dat iemand die zwart is werk doet dat iemand die wit is nooit zou hoeven of willen doen. Een blanke straatveger of huishoudelijke hulp leek hun meteen een mislukkeling.

Ongetwijfeld hebben wij vanuit de situatie hier ook allerlei ideeën over andere mensen zonder dat we weten, normaal gesproken, dat we zo tjokvol met vooroordelen zitten. In Zuid-Afrika vinden wij het weer gênant dat iedereen die je bedient altijd zwart is. Extra aardig ga je dan doen, op het slijmerige af, om maar te laten zien dat je heus niet, nee echt niet op deze pompbediende neerkijkt, dat je als het ware niet eens ziet dat hij zwart is – maar dat zie je maar al te goed en daarom loop je zo te glimlachen en te knikken en fooien te verspreiden.

Hoe we er ooit achter komen hoe het leven er voor een ander uitziet. Sommige mensen hebben er hun beroep van gemaakt dat te weten te komen. Omdat ze psycholoog zijn, advocaat, bij de immigratiedienst werken, schrijver zijn. In zijn boek Het achtenveertigste uur voert Nicolaas Matsier een asielzoeker op die we amper te zien krijgen, van wie we niets weten behalve dat beetje dat hij in de vele verhoren die hem afgenomen worden, vertelt, via diverse tolken dan ook nog. Wat we over hem weten, komt tot ons via de stijl van de verhoorambtenaren, want wat zij denken en opschrijven, dat is wat we lezen in Matsiers roman. Zij moeten beoordelen of deze asielzoeker een overtuigend `reisverhaal' heeft en of hij een goed `asielrelaas' vertelt. Van wat hij zegt, hangt af of hij mag blijven. Van de geloofwaardigheid van wat hij zegt. Van zijn stijl. En van hoe die stijl beoordeeld wordt door de ambtenaar.

Het is verbluffend hoezeer een boek dat over zaken van levensbelang gaat – hoe leefde iemand in het land vanwaaruit hij gevlucht is, waarom is hij gevlucht en heeft hij of zij zoveel geld betaald voor een onzekere reis, wat maakt dat hij of zij meent aanspraak te kunnen maken op een verblijf in Nederland, waarvoor is hij of zij bang – voornamelijk over stijl gaat.

Sommige van de ambtenaren zijn zich dat ook bewust. ,,Was er maar een god die menselijke aantrekkelijkheid, intelligentie, levendigheid, verbaal talent, charme gelijkelijk over de mensen verdeelde. Umag dan misschien wel iets heel ergs of iets zeer onaangenaams hebben meegemaakt, meneer/mevrouw, maar wat maakt u er weinig van!''

De ambtenaar valt bijna in slaap bij het in zijn of haar geroutineerde oren niet vreselijk interessante verhaal van de vluchteling die er maar niet in slaagt met een pakkend detail, een meeslepende zin, een treffend voorbeeld te komen. De onbegaafde vluchteling maakt niet veel kans, dat is wel duidelijk.

Wij als lezers beoordelen op onze beurt Matsiers ambtenaren weer. Sommigen vinden we kortzichtig, anderen slim of sympathiek. Afhankelijk van hoe hun gedachten worden weergegeven. Natuurlijk heb je ook een idee over die gedachten zelf, maar het is toch vaak de kwaliteit van de overwegingen, en dus de manier waarop de overwegingen onder woorden gebracht worden, die maakt dat je denkt, ja, deze ambtenaar deugt voor zijn taak, deze advocaat is een goeie.

Door al die verschillende stemmen, stijlen en overwegingen zie je extra duidelijk de complexiteit van het beoordelen. En zoals we allemaal weten: niemand is uit één stuk. Aan elk leven zitten rare sprieten, duistere uithoeken, onduidelijk bewegingen – niemand bestaat uit een logisch samenhangend geheel van daden, reacties, beslissingen.

Maar dat is niet iets waaraan we voortdurend denken. Integendeel, als het gaat over iemand anders, weten we vaak maar al te goed hoe die zich zou hebben moeten gedragen. ,,Begrijp ik u nu goed? U bent bijna dertig jaar – een volwassen man! Hoe is het mogelijk dat uw oom zomaar alles van u af kon nemen? U had toch aangifte kunnen doen bij een autoriteit?''

,,Van betrokkene kon en mocht immers worden verlangd dat hij direct de bescherming van de Nederlandse autoriteiten had ingeroepen, onder gelijktijdige overlegging van alle beschikbare documenten.''

Wat is een mens, je gaat het je wel afvragen. Een onsamenhangend geheel van ontbrekende papieren, vage verhalen, een gesloten gezicht en een of andere angst die hem verdreef van de plaats waar hij vertrouwd was.

Hoe heerlijk is het ergens te zijn waar iedereen min of meer net zo tegen de wereld aankijkt als je dat zelf doet. Ze vragen naar je papieren en hup, daar heb je je paspoort en dat is ook precies het paspoort dat ze willen zien. Je zegt: ik kom uit Amsterdam, en niemand die je gaat vragen welke trams over de Rozengracht rijden en dan in zijn boekje schrijft dat jij vermoedelijk níét uit Amsterdam komt, omdat je dat niet weet. Maar je ging gewoon nooit met de tram, daar in Amsterdam.

Je wordt geloofd. Je bent een geloofwaardige Nederlander. Maar word je in een jou onbekende taal herschreven in de formulieren die bedoeld zijn om vast te stellen wie je bent, waar je vandaan komt en of dat wat je wilt rechtmatig is, dan is het maar de vraag wie je blijkt te zijn. Een vrijwel onzichtbaar personage, gezien door brillen van vooroordelen, goede wil, onverschilligheid en beroepsmatig wantrouwen. Een leegte.