Turkije is wel gewend aan aarzeling EU

Turkije heeft een revolutie doorgemaakt om lid te worden van de Europese Unie. Maar in Brussel wordt dat niet altijd onderkend.

Premier Erdogan klonk gisteren wat treurig toen journalisten hem op een receptie vroegen hoe het nu verder moest met Turkije en de Europese Unie. ,,Ach, de onderhandelingen beginnen of ze beginnen niet. Breekt U zich daar het hoofd nu verder maar niet over'', zei hij. Die treurigheid paste in een lange Turkse traditie – vaker dan niet was de dialoog tussen `Europa' en Turkije er een van doven en stommen en al lang voor Erdogan was een rij andere Turkse politici tot de conclusie gekomen dat `Europa' niet te begrijpen en wellicht zelfs niet te vertrouwen is.

Aan de andere kant vinden Europeanen vaak dat Turkse gesprekspartners snel aangebrand zijn en geen realiteitszin hebben. Turkije wilde altijd al lid worden van `Europa' maar lange tijd nam Brussel die kandidatuur niet serieus. Daar waren goede redenen voor. Turkije was lange tijd een economisch onderontwikkeld land dat bovendien geplaagd werd door politieke problemen. Zo instabiel was Turkije dat het leger het als een deel van zijn takenpakket zag om, als de politici er weer eens een potje van maakten, via een staatsgreep orde op zaken te stellen.

Pas eind jaren negentig werd het allemaal serieus. Op de top van Helsinki in 1999 gaf de Europese Unie Turkije de status van kandidaat-lid. Veel Europeanen namen de Turkse status van kandidaat-lid niet al te serieus. Turkije was geen democratie, zo zeiden zij, en voldeed daarom niet aan de zogeheten criteria van Kopenhagen op het gebied van mensenrechten, democratie en rechtsstaat.

Maar deze sceptici kregen ongelijk. Turkije begon na 1999 aan een revolutie in zijn bestel die zijn weerga in de geschiedenis van de Republiek niet kent. De doodstraf werd afgeschaft, de Koerden kregen meer culturele rechten, martelen werd aangepakt – het hele bestel ging op de schop. Zo grondig ging Turkije te werk dat het steeds meer lof uit Europa kreeg – onderhandelen werd steeds meer een realistisch perspectief.

In december vorig jaar beleefde het feest zijn hoogtepunt – de Europese leiders besloten toen om 3 oktober, vandaag dus, de onderhandelingen met Turkije te beginnen. Maar na dat feestje kwam langzaam maar zeker de kater. Binnen Turkije begonnen tegenstanders van Turks lidmaatschap in de staatshiërachie zich te roeren. Zo kreeg de Turks-Armeense journalist Dink een proces aan zijn broek omdat hij gezegd zou hebben dat er gif zit in Turks bloed. Zulke processen zijn geen toeval, zeggen Turkse commentatoren – tegenstanders van de Unie in Turkije willen dat Europese politici boos worden en de Turkse trein naar Europa tot stilstand brengen. Die tegenstanders kregen flink de wind in de zeilen door ontwikkelingen binnen Europa zelf. Frankrijk en Nederland zeiden in een referendum `nee' tegen de Europese Grondwet en stortten zo de Unie in een diepe identiteitscrisis. Historici zullen later wellicht concluderen dat Turkije het grootste slachtoffer van dit `nee' was: Europa werd onzeker en veel Europese politici uitten hun twijfel over een onoverzichtelijk avontuur als de Turkse toetreding.

Na de referenda werd de sfeer tussen Brussel en Ankara al snel vijandig. Turkije weigerde Grieks-Cypriotische schepen en vliegtuigen toe te laten, ook al zou het dat, zo vindt de Unie, inmiddels moeten doen. Turkije wond zich steeds meer op over het debat tussen de Europese partners over het zogeheten raamwerk voor de onderhandelingen: waarom toch steeds maar, zo riepen Turkse politici in koor, die drang om alternatieven voor lidmaatschap naar voren te halen? Vandaag bereikte die deconfiture een hoogtepunt: het Turkse vliegtuig van minister Gül staat klaar om naar Luxemburg te vliegen. Maar of het daadwerkelijk zal opstijgen, was vanmorgen onzekerder dan ooit.