Oostenrijk, Europa en de Turken

Is het de binnenlandse politiek van één land die de Europese besluitvorming verlamt? Of gaan de Europese zorgen over het Turkse lidmaatschap verder?

Het zou te gemakkelijk zijn om `Europa' de schuld te geven van de nederlaag van conservatieve ÖVP gisteren in de Oostenrijkse deelstaat Stiermarken. De partij van bondskanselier Wolfgang Schüssel, die al sinds de Tweede Wereldoorlog aan de macht is in de zuidelijke deelstaat, ging fors onderuit en verloor 8,6 procentpunten. Populistisch-rechts, Schüssels coalitiepartner in Wenen, werd weggevaagd. De sociaal-democratische SPÖ won ruim negen procentpunten en is nu de grootste partij in Stiermarken.

In Luxemburg, waar de lidstaten koortsachtig proberen het eens te worden over Turkije, overheerst de gedachte dat het allemaal komt door de naderende onderhandelingen met Ankara. Oostenrijkers voelen weinig voor Turkse toetreding tot de Europese Unie – ruim driekwart van de bevolking is tegen – en ze zouden een regering die meewerkt aan het begin van onderhandelingen met Turkije willen straffen. Dat verklaart, althans vanuit het Luxemburgse perspectief, waarom Schüssel zich dit weekeinde zo hardnekkig bleef verzetten tegen onderhandelen met Turkije. Zo hoopte hij – meende men in Luxemburg – een verkiezingsnederlaag in Stiermarken af te wenden.

Schüssel zelf heeft dat in alle toonaarden ontkend. Nee, zijn houding ten aanzien van Turkije had helemaal niets met die verkiezingen te maken, zei hij volgens Oostenrijkse krant Der Standard gisteren in Graz. De kanselier vond het, liet hij weten, zelfs een ongelukkige samenloop van omstandigheden dat de verkiezingen in Stiermarken uitgerekend dit weekeinde waren.

Volgens Schüssel gaat het hem er helemaal niet om extra voorwaarden te stellen aan Turkije, zei hij gisteren. Hij wil een signaal afgeven aan zijn bevolking door heel duidelijk te maken dat onderhandelingen niet vanzelfsprekend zullen leiden tot lidmaatschap. En dat Turkije alleen lid kan worden als zeker is dat Europa toetreding van zo'n groot land ook werkelijk aankan.

Hoewel de Britse minister van Buitenlandse Zaken Jack Straw, de huidige voorzitter van de Europese Unie, benadrukt dat het in Luxemburg 24 lidstaten tegen één is, verwoordt Schüssel gevoelens die ook elders leven. De Fransen hebben in een referendum op 29 mei de Europese Grondwet mede afgewezen uit protest tegen een mogelijke toetreding van Turkije. Zelfs de belofte van de Franse president Chirac dat de bevolking daarover te zijner tijd in een referendum mag beslissen hielp niet. Minister van Binnenlandse Zaken Nicolas Sarkozy, die zichzelf graag ziet als opvolger van Chirac, is ronduit tegen Turkse toetreding.

Ook bij de Nederlandse afwijzing van de Grondwet op 1 juni speelde Turkije een rol, zij het wat meer op de achtergrond dan in Frankrijk. De positie van Angela Merkel, Duits christen-democrate en mogelijk binnenkort bondskanselier van Duitsland, ten aanzien van Turkije verschilt niet wezenlijk van die van Schüssel. En de Deense premier Anders Fogh Rasmussen is, mede onder druk van zijn eigen bevolking, de afgelopen tijd ook steeds verder opgeschoven in de richting van een `speciaal partnerschap' voor Turkije in plaats van volledig lidmaatschap.

In Brussel wordt benadrukt dat Turkije al in 1963 de belofte is gedaan dat het land in de toekomst lid kan worden, en dat het woordbreuk zou zijn om daar nu op terug te komen. Maar volgens Schüssel is van woordbreuk geen sprake. Hij herhaalde gisteren dat hij al langer aandringt op voorzichtigheid ten aanzien van Turkije en dat Europa meer begrip zou moeten tonen voor de zorgen die hierover bij de bevolking leven.

De tijden zijn veranderd. Schüssel is niet de enige die beseft dat politici in Europese zaken niet langer ongehinderd hun gang kunnen gaan. Ze worden veel meer dan een paar jaar geleden – en dus zeker veel meer dan in 1963 – op hun vingers gekeken bij Brusselse besluiten. Schüssel kan in eigen land heel moeilijk uitleggen waarom men in Brussel wel met Turkije wil onderhandelen en niet met bijna-buurland Kroatië.

Commentatoren wijzen dezer dagen graag op de Turks-Oostenrijkse geschiedenis. Ze herinneren aan 1683 toen het Ottomaanse leger bij Wenen werd tegengehouden toen het de stad al had omsingeld en ze wijzen op Oostenrijkse kranten die Ankara's poging om het lidmaatschap van de Europese Unie te `veroveren' een nieuwe belegering noemen. Maar of dat soort historische overwegingen voor de bevolking een doorslaggevende factor zijn, is de vraag.

Zou dan bijvoorbeeld niet ook Hongarije – waar Ottomanen ruim anderhalve eeuw de scepter zwaaiden – fel tegen moeten zijn? Uit opiniepeilingen – in Oostenrijk, maar ook elders in Europa – blijkt dat de angst overspoeld te worden door `goedkope arbeidskrachten' uit Turkije een veel grotere drijfveer is voor de bevolking. Dat is een angst die in Hongarije, zelf een lage-lonenland, (nog) niet bestaat.