Koor

In eigen stad even toerist met de toeristen zijn, het kan zijn bekoring hebben. Ik merkte het toen ik zondagmiddag tegen vijf uur de Sint Nicolaaskerk aan de Prins Hendrikkade in Amsterdam binnenliep. Dat is die neo-renaissance kerk met haar barokke koepel en torens aan je linkerhand als je het Centraal Station uitkomt. Een sfeervolle kerk, de afgelopen jaren fraai gerestaureerd.

Er liep een groepje buitenlandse toeristen rond om de kruiswegstaties van schilder Jan Dunselman te bewonderen. De rollen zijn omgedraaid, dacht ik niet zonder chauvinisme, nu kan ik eens naar júllie bewondering kijken, zoals jullie de mijne zien in jullie kerken in Parijs, Rome en god weet waar.

Ik nestelde me in een bank ter hoogte van de kruiswegstatie met het mooiste opschrift: `Veronica droogt Christus' aangezicht'. Christus is dan al één keer gevallen, maar hij zal nog een hele lijdensweg moeten afleggen voordat Dunselman hem naar zijn graf mag laten dragen.

Met enkele tientallen mensen, vooral verspreid over de achterste banken, luisterde ik naar de vespers, het avondgebed, hier gezongen door zeven leden van de Schola Cantorum Amsterdam, een gregoriaans koor van grote, internationale reputatie. Ze droegen lange, witte habijten met een kleine capuchon op de rug. Mannen tussen de veertig en zestig jaar, priesterlijke verschijningen, ernstig in hun toewijding, zingend met plechtige overgave, maar zonder exaltatie.

Ze stonden achter houten lessenaars aan de voet van het hoogaltaar in twee groepjes tegenover elkaar: links vier en rechts drie mannen. De koorleider was de middelste van het rechtergroepje. Hij gaf soms de maat met zijn handen aan en bewoog als enige zijn bovenlichaam.

Zo werkten zij zich zo'n veertig minuten lang a capella door hun Latijnse psalmen, in zichzelf besloten, in contact met God, niet met de toehoorders, of je zou moeten zeggen: via God met hen. In boekjes konden wij de teksten in vertaling meelezen: Niet de doden, Heer, zingen uw lof, geen een van wie in de Stilte gedaald is. Maar wij die leven, wij prijzen de Heer, van nu af tot in de eeuwigheid!

Was het mooi?

Ze zóngen mooi, dat zeker, maar ik ervoer toch ook weer die eentonigheid waar ik vroeger als kind zoveel moeite mee had gehad. Schuiven in je bank, denken aan andere dingen, stiekem hopen dat het nu maar gauw is afgelopen. De verveling, de onuitsprekelijke verveling.

De mannen gingen voorbij de helft in een kring bij elkaar staan, een zanger ontstak een wierookvat. Ten slotte schreden ze door het middenschip de kerk uit, terwijl één van hen, een lange man met blond-grijze krullen, bij de kerkdeur halt hield om giften in ontvangst te nemen. Ik sprak hem aan toen hij de deuren achter de laatste toerist sloot.

,,Van welke orde bent u?'' vroeg ik.

,,Wij zijn geen priesters'', glimlachte hij. ,,Wij zijn gewone burgers met drukke banen.''

Ik was even vergeten dat ook in de katholieke kerk veel veranderd is.