Gé Reinders

Met het raffinement van een fijnschilder bracht de Limburgse liedjesmaker Gé Reinders in het nummer Bloasmuziek al eens een ode aan de vele blaasorkesten die vooral op zondagochtend door de steden en dorpen van zijn provincie trekken. Als vervolg daarop maakte Reinders nu de cd Bloas mich nao hoes, waarop hij in zijn mooiste liedjes wordt begeleid door vijftien verschillende orkesten – acht harmonieën, zes fanfares en een brassband.

Met hun zacht glooiende klanken, maar af en toe ook verrassend swingend, scheppen ze een wondermooie bedding voor Reinders' tedere sfeertekeningen en intieme liefkoosliedjes. Of, zoals hij het in zijn eigen taal zingt: ,,Met toeters en bellen / 'n sjoon verhaol vertelle.''

Eén nummer, over iemand die de wereld bereist en toch steeds weer terug wil naar zijn Limburgse stadje, is een duet met deoperazanger John Bröcheler, wiens Wotan-timbre te groot is voor zo'n klein liedje. Veel liever zijn mij de andere veertien, waarin Reinders ook niet-Limburgers bekoort met zijn hommage aan het heuvelland dat hij zo te horen innig liefheeft.

Gé Reinders: Blaos mich nao hoes. Fennek FN-CD-14 (Munich Records)