Europa kan leren van verleden Turkije

Welk Europa worden de Turken geacht tot voorbeeld te nemen? Het nobele ideaal uit welks naam rechten en vrijheden worden geëist, of de regio zoals ze feitelijk is, vraagt Mark Mazower zich af.

In de moeizame aanloop naar het begin van de onderhandelingen over het Turkse lidmaatschap van de Europese Unie wordt de regering van Tayyip Erdogan achtervolgd door spoken uit het verleden.

De romanschrijver Orhan Pamuk is aangeklaagd wegens ,,belediging van de geest van de natie''. Hij zou dat hebben gedaan in een interview met een krant waarin hij de dood van een miljoen Armeniërs tijdens de Eerste Wereldoorlog ter sprake bracht. En pas na een heksenketel van juridische dreigementen en patriottisch geweld kon onlangs in Istanbul een baanbrekende academische conferentie over diezelfde gebeurtenissen van start gaan, waar vooraanstaande Turkse en buitenlandse wetenschappers dit onderwerp voor de eerste maal op Turks grondgebied bespraken.

Duidt dit alles op veranderingen, of toont het aan hoe diepgeworteld het verzet ertegen is? Functionarissen van de Europese Unie hebben de Turken herinnerd aan de zegeningen van de vrijheid van meningsuiting, terwijl mensen die sceptisch staan tegenover de toetreding van Turkije, in deze gebeurtenissen de rechtvaardiging van hun twijfels hebben gezien.

De Turken zijn er wel aan gewend om te worden bekritiseerd, want het Westen heeft al sinds lang voor de totstandkoming van de EU aangedrongen op hervormingen. Al in de jaren dertig van de 19de eeuw plachten Europese ambassadeurs de Ottomaanse sultans geregeld te laten weten hoe en waarom zij meer Europees dienden te worden.

Net als toen vraag je je nu af: welk Europa worden de Turken geacht tot voorbeeld te nemen? Het nobele ideaal uit welks naam rechten en vrijheden worden geëist, of de regio zoals ze feitelijk is? De Franse oud-president Valéry Giscard d'Estaing heeft onlangs gesteld dat Turkije ,,geen Europees land'' is.

Was hij vergeten dat in Frankrijk, Italië, Zwitserland en België het vrouwenkiesrecht pas vele jaren later is ingevoerd dan in de Turkse republiek van Mustafa Kemal Atatürk? Of dat de Franse nationale identiteit zo broos is dat ze gevaar loopt wanneer schoolkinderen hoofddoekjes dragen of rechtse halvegaren de holocaust ontkennen?

Turkije is niet het enige land waar nationale trauma's leiden tot beknotting van de persoonlijke vrijheid van meningsuiting en van historische debatten. Onder de huidige regering in Ankara heeft juist een opvallend snelle juridische en institutionele revisie plaatsgevonden. Zij heeft net vorig jaar op aandringen van de EU een nieuw wetboek van strafrecht door het parlement gejaagd.

Mogelijk is de transformatie zelfs te snel verlopen. Het was weliswaar de hoogste tijd dat het oude wetboek uit 1930, dat was overgenomen van het fascistische Italië, werd afgeschaft, maar in de vervanger zijn vele oude neigingen nog niet verdwenen. Zo is het nog altijd verboden om staatsinstellingen te beledigen of te kleineren.

Wij vergeten maar al te gemakkelijk dat dit tot voor kort ook in een groot deel van Europa een delict was. Een uitgebreide versie van het middeleeuwse misdrijf majesteitsschennis beschermde de eer van vele 19de-eeuwse nationale leiders en staatshoofden, en culmineerde tussen de twee wereldoorlogen in wetboeken van strafrecht waarin zelfs de geringste ambtenaar gevrijwaard was voor kritiek door het publiek. Pas onder de schijnwerpers van de Europese Conventie voor de Rechten van Mens uit 1950 zijn dergelijke bepalingen uit het zicht verdwenen, al zijn er – bijvoorbeeld in Oostenrijk – nog altijd smaadwetten van kracht waarvan gemakkelijk misbruik wordt gemaakt. Het gevolg is dat de Turkse wetten die nog altijd de symbolen en de eer van de staat beschermen, een anachronisme zijn geworden, net als de bepalingen die de gesacraliseerde monarchieën in Zuidoost-Azië en de Golf schragen.

De strafbaarstelling van een gedachtewisseling over de genocide op de Armeniërs is net zo'n soort kater uit het verleden. Na de Eerste Wereldoorlog hebben enkele van de meest verlichte nieuwe Europese staten iedere twijfel omtrent de omstandigheden waaronder zij waren ontstaan, strafbaar gesteld. Zo waren in de jaren twintig Tsjecho-Slowakije en Estland zo onzeker dat zij zogeheten oppositie tegen de staat ,,wegens zijn oorsprong'' strafbaar stelden. De huidige criminalisering van neo-nazistische opvattingen en de ontkenning van de holocaust in West-Europa is hiermee nauw verwant: ze weerspiegelt het naoorlogse onbehagen over de broosheid van de democratische tradities en getuigt van het gegronde vermoeden dat zonder het ingrijpen van de Grote Drie tijdens de Tweede Wereldoorlog de rechtse autoritaire regimes in het hart van de EU weleens tot ruim na 1945 hadden kunnen standhouden.

Daar komt bij dat juist nu van Turkije wordt gevraagd dat het zijn stelsel van wetten liberaliseert, Europa zelf de andere kant op gaat. Onder invloed van de strijd tegen het terrorisme na `11/9' is er weer sprake van gedachtemisdrijven, al is de zaak nog niet zo ver voortgeschreden als in de Verenigde Staten, waar men, zoals te zien is aan de recente, in de media onderbelicht gebleven veroordeling van de aan New York University afgestudeerde Mohammed Yousry, nu zelfs bereid lijkt te zijn om professioneel vertaalwerk en academisch onderzoek strafbaar te stellen.

Toch is het één ding om te zeggen dat anderen bepaald niet de eerste steen mogen werpen, en een tweede om de aanval van het Turkse wetboek van strafrecht op het historische debat door de vingers te zien. In deze kwestie hebben de overijverige aanklagers ongelijk en heeft premier Erdogan gelijk: een land dat zelfvertrouwen heeft, moet een vrij debat toelaten. Als het debat over wat er met de Armeniërs is gebeurd uit het domein van de politiek wordt overgeheveld naar dat van de geschiedbeoefening, zal dat ongetwijfeld enkele dierbare nationale mythen de kop kosten.

Wij zullen vernemen hoe het heeft kunnen gebeuren dat vele honderdduizenden Armeense burgers werden gedood, en wie die misdaad hebben bedacht en uitgevoerd. Wij zullen ook meer te weten komen over de oorlog waarin die gebeurtenissen plaatsvonden, en met name over de rol die daarin is gespeeld door de grote mogendheden, vooral Rusland, en hun plannen om het Turkse rijk op te delen. Wij zullen misschien ook meer te weten komen over de sinds lang vergeten achtergrond – de tientallen jaren waarin de moslims zijn verdreven uit de voormalige Ottomaanse gebieden in Europa, en de miljoenen vluchtelingen waar dat toe leidde.

Met de slotsom zullen niet zozeer de politieke belangen van deze of gene partij gediend zijn, als wel het historische geheugen van de Armeniërs én de vitaliteit van het Turkse intellectuele leven.

Niet minder belangrijk is dat dit een voorbeeld zou kunnen zijn voor hoe je moet omgaan met de gevoeligste punten uit het verleden, waarvan heel wat Europese landen nog iets zouden kunnen opsteken. Democratisering en `glasnost' hoeven geen eenrichtingsverkeer te zijn.

Mark Mazower is hoogleraar geschiedenis aan Columbia University in New York en schrijver van `Salonica, city of ghosts'. Dit stuk stond eerder in de Financial Times.