Zijn er nog stoelen in de zaal?

Rechten studeren in Leiden of commerciële economie aan een van de hogescholen betekent file bij de computer. Voor- en nadelen van massastudies en schoolkolossen.

Universiteiten trekken graag veel studenten, maar sommige studies waren de afgelopen jaren zo populair dat faculteiten zich geen raad wisten met de aanloop. Een voorbeeld daarvan was rechten in Leiden, met een instroom van ongeveer duizend studenten per jaar koploper in Nederland. De kas van rechten raakte daardoor weliswaar goed gespekt, maar de voorzieningen in het nieuwe onderwijsgebouw waren maximaal berekend op 850 studenten, anders zou het vechten worden om een zitplaats in de collegezaal en zouden files ontstaan bij de computers. De Leidse juridische faculteit heeft daarom met ingang van dit studiejaar een limiet gesteld aan het aantal studenten. In september waren er zelfs nog een tiental plekken over in Leiden, wat nu ook weer niet de bedoeling was, zegt studievoorlichter Jeroen van Maarschalkerweerd. Studenten laten zich waarschijnlijk afschrikken door de onzekerheid of ze een plek krijgen en kiezen dan bijvoorbeeld liever voor Utrecht, dat geen numerus fixus heeft.

Extreem druk was het vorig jaar ook bij psychologie aan de Universiteit van Amsterdam. Doordat psychologie-opleidingen in enkele andere steden een numerus fixus hadden ingesteld stonden er ineens 700 eerstejaars op de stoep, in plaats van de gebruikelijke 500. Bij dergelijke aantallen viel de kwaliteit van het onderwijs onvoldoende te garanderen, vond het bestuur en daarom geldt dit jaar in Amsterdam een grens van 500 eerstejaars. Dat zijn er nog steeds veel, maar volgens decaan prof. dr. Dymph van den Boom is haar faculteit er volledig op ingesteld om voor een dergelijk aantal studenten een kwalitatief goede opleiding te verzorgen met voldoende kleinschalige werkvormen. Dat is geen verkooppraatje, want UvA-studenten gaven hun opleiding in 2003/2004 inderdaad een ruime voldoende in de Keuzegids Hoger Onderwijs, hoewel minder massale psychologie-opleidingen (zoals Rotterdam en Maastricht) wel hoger gewaardeerd worden en studenten hun studiepunten daar sneller bij elkaar sprokkelen.

Er bestaat een onmiskenbaar verband tussen massaliteit van de toestroom en tevredenheid van studenten over de kwaliteit van het onderwijs en van de studievoorzieningen. Studenten die een massastudie volgen klagen gemiddeld vaker over zaken als te weinig studieplekken of te weinig computers, slecht bereikbare docenten, roosters met onpraktische tijden of locaties, matige studiebegeleiding en traag nakijken van tentamens; klachten die bij kleinschaliger studies minder vaak te horen zijn.

Dat wil niet zeggen dat aankomende studenten massastudies maar beter kunnen mijden. Er zijn diverse voorbeelden van faculteiten die hun zaakjes wel goed op orde hebben, terwijl de zusterfaculteiten in andere steden matige waar leveren. De Nationale Studentenquête 2004 liet zien dat economiestudenten (een kleine 3000 eerstejaars) vaak erg ontevreden zijn (het allernegatiefst zijn studenten bouwkunde en civiele techniek ), maar in Tilburg, nog wel de allergrootste economieopleiding, zijn de studenten wel te spreken over de kwaliteit van het onderwijs en faciliteiten en ligt het studietempo hoog.

Goed onderwijs leveren aan forse aantallen studenten is dus wel mogelijk, maar vergt een goed doordacht onderwijsbeleid en veel aandacht voor de faciliteiten in het gebouw. De kunst is ook om onderwijsvormen te vinden waarmee studenten niet verdrinken in de massaliteit. Een voorbeeld van een massastudie waar dat goed gelukt is, is geneeskunde. Deze opleidingen trekken per faculteit zo'n 300 eerstejaars, maar de waardering is hoog (de Keuzegids Hoger Onderwijs 2004/2005 gaf een ruime 7, goed voor de eerste plaats in de categorie `WO-toppers). Het probleem van de massaliteit is ondervangen door het aantal massale hoorcolleges zoveel mogelijk te beperken en kleinschalig onderwijs te geven, dat vooral gericht is op problemen uit de medische praktijk. Het resultaat van deze onderwijsfilosofie is een hoog studietempo (Groningen uitgezonderd) en een gering aantal afvallers vergeleken met andere studies. Overigens zijn er ook hooggewaardeerde kleinschalige studies waar het studietempo bedroevend laag ligt en de uitval gigantisch is. Voorbeelden daarvan zijn theologie en levenbeschouwing en filosofie waar na zes jaar 18 procent respectievelijk 12 procent de studie voltooid heeft.

De toeloop van studenten neemt niet alleen in het wetenschappelijk onderwijs, maar ook in het hoger beroepsonderwijs nog steeds gestaag toe. Ook de vele fusies tussen hogescholen hebben geleid tot schaalvergroting, waardoor instellingen zijn ontstaan met tienduizenden studenten (InHolland is de grootste met 40.000). Deze grote hogescholen worden gemiddeld matig gewaardeerd door studenten, al hebben giganten die de fusieperikelen al enkele jaren achter zich hebben, tevredener klanten. Kleinere hogescholen krijgen in elk geval gemiddeld duidelijk meer waardering.

Net als in het wetenschappelijk onderwijs zijn de kwaliteitsverschillen per individuele hbo-opleiding aanzienlijk; en ook in het hbo is het niet per se zo dat massale opleidingen matige beoordelingen krijgen van studenten en deskundigen. De grootste studententrekker in het hbo is de pabo, de opleiding voor leraar basisonderwijs (een kleine 12.000 instromers in 2004/2005). Diverse hogescholen begroeten jaarlijks ruim 400 studenten, maar voor de onderwijskwaliteit blijkt dat geen nadelige gevolgen te hebben. Studenten geven pabos gemiddeld een 7+ (wat hoog is), en na 5 jaar is ruim 60 procent geslaagd (vrij hoog vergeleken met andere hbo-opleidingen). Dat massaliteit op de pabo niet ten koste van de kwaliteit gaat is onder meer het gevolg van de spreiding van de studentenstroom over meerdere lesplaatsen en van praktisch gericht onderwijs, dat veelal in kleine groepen gegeven wordt, waarbij studenten veel zelfstandig moeten werken.

Een ander voorbeeld: studenten van de hbo-opleidingen toerisme en vrijetijdskunde (in 2004/2005 ruim 2900 eerstejaars) zijn gemiddeld ontevreden over de kwaliteit van hun studie, maar die uit Breda, waar de massaalste opleidingen zitten (elk ruim 500 eerstejaars), zijn het positiefst. Maar bij de hbo-opleidingen commerciële economie (5000 eerstejaars in 2004/2005) is het juist de massaalste opleiding (Hogeschool van Utrecht, kleine 500 eerstejaars) die in 2002 en 2004 als een van de slechtste uit de bus kwam in de Keuzegids Hoger Onderwijs.

De conclusie van dit alles? Er is geen enkele reden om een massastudie aan universiteit of hogeschool op voorhand te mijden, maar zorgvuldig kiezen van de stad is beslist aan te raden.