Webcongres: we moeten discussiëren over Europa

Een meerderheid van de deelnemers van het webcongres, het online discussieplatform op www.nrc.nl/webcongres, willen een brede maatschappelijke discussie over Europa.

Aanvankelijk zou de maatschappelijke discussie over de Europese samenwerking in november beginnen en mei volgend jaar klaar zijn. Burgers mochten in deze `Nationale Europa Discussie' (NED), die zowel in zalen als op het web zou worden gehouden, alles aan de orde stellen dat met die samenwerking te maken heeft, met uitzondering van het Grondwettelijk Verdrag. Dat is immers afgestemd bij het referendum van 1 juni. De discussie moest kabinet en Brussel een idee geven hoe Nederlanders denken over de ideale taakverdeling tussen de EU en de lidstaten (subsidiariteit), de voorgenomen uitbreidingen van de Unie, en hoe de Europese besluitvorming beter kan worden ingebed in de Nederlandse politiek.

Het kabinet kondigde weliswaar aan dat het na de Europese top van juni volgend jaar zal `terugkomen' op het Verdrag, maar staatssecretaris Nicolaï (VVD, Europese Zaken) zei dat dit niet betekent dat het kabinet een nieuwe toekomst voor het Grondwettelijk Verdrag ziet. De vraag is echter of er überhaupt iets terecht komt van het Europadebat. Eén klein duwtje van de PvdA en de hele NED verzandt in een parlementair dispuut over de vraag of het kabinet wel of niet bij de NED moet worden betrokken. `Lek geprikt', vindt staatssecretaris Nicolaï, die geacht werd de discussie namens de regering, in samenwerking met de Tweede Kamer te organiseren. Nicolaï hield het voor gezien en adviseerde het kabinet hetzelfde te doen. Misschien komen er nu wel twee Brede Maatschappelijke Discussies: één van het kabinet, en één van de Tweede Kamer.

De Nationale Europa Discussie, waarvan de stuurgroep onder leiding zou staan van het Kamerlid Hamer (PvdA), voorziet volgens een ruime meerderheid van het Webcongres echter in een behoefte. ,,Een brede maatschappelijke discussie moet gebruikt worden om het Nederlandse volk eens echt op de hoogte te brengen van de voor- en nadelen van een verenigd Europa'', vindt Laurens H.J. Wachters uit Gorssel. ,,Europa moet zó gebracht worden dat het voor de mensen gaat leven.'' Maar daarbij moet, vindt evenwel een groot deel van de `Eens'-stemmers, het kabinet-Balkenende zich afzijdig houden. ,,In de aanloop naar het referendum heeft dat laten zien niet in staat te zijn de burger goed te informeren over de EU'', schrijft J.W. Egtberts uit Duiven.

,,Het mag niet zo zijn dat door de overheid een aantal vraagpunten in de markt wordt gezet, waarover de burgers dan hun ja/nee/geen mening mogen geven'', vult Herman Plagge uit Hintham aan. Hij beschouwt zich weliswaar als `Europeaan', maar heeft grote weerzin tegen alles dat door een aantal ,,draufgängers te Brussel wordt bedisseld''. Plagge: ,,Niet zij maar de bevolking behoort de dienst uit te maken. Voor zo'n discussie moeten open vragen worden gesteld als: wat wilt u en waarom wilt u dat? Op basis van de antwoorden kan vervolgens worden gedebatteerd. Slechts op die manier kan een breed gedragen Europa, waarin mensen geloven, worden verwezenlijkt.''

Marjan Cnossen uit Beets onderschrijft de stelling, maar vindt dat de discussie vooraf moet worden gegaan door een informatie-campagne: ,,Nog steeds mis ik degelijke, dagelijks of wekelijks terugkerende Europa-rubrieken op tv, internet en in de kranten.''

Van de `Oneens'-stemmers verwoordt Gert-Jan Windhorst uit Schalkwijk de weerzin tegen een NED aldus: ,,Een nieuwe discussie beginnen omdat een eerder initiatief, het referendum, ongunstig uitpakte voor de regerende politieke partijen is vreemd'', schrijft hij. Windhorst vindt dat de partijen zelf in staat moeten zijn deze discussie te voeren. ,,Politieke partijen hebben van de kiezers een mandaat gekregen. Als de interne communicatie in partijen niet werkt, moeten ze zich hervormen zodat de mening van de kiezer weer telt. Het is erg goedkoop om je eigen disfunctioneren te maskeren door het maar door anderen uit te laten zoeken.''

Aan een brede maatschappelijke discussie wordt veelal door dat deel van de bevolking deelgenomen, dat reeds een behoorlijke mening heeft gevormd. Norbert Mergen uit Doorwerth noemt een ander bezwaar: ,,Goede, inhoudelijke voorlichtingscampagnes van zowel voor- als tegenstanders zetten meer zoden aan de dijk als het gaat om het bereiken van de bevolking.''

Volgens Heine Rodrigues de Miranda uit Eindhoven is het `volstrekt onduidelijk' hoe een brede maatschappelijke discussie kan bijdragen aan de volgens hem noodzakelijke eenwording van Europa. ,,Alleen resultaten van de stapsgewijze eenwording kunnen de mening beïnvloeden en zo een draagvlak vormen voor een politieke besluitvorming. Dat is de juiste volgorde.''

`Geen mening'-stemmer Otto Sluizer uit Amsterdam stelt – met verwijzing naar de uitspraken van Jeremy Rifkin in deze krant van 24 september – dat het tijd wordt dat zowel kabinet als Tweede Kamer zich met enthousiasme opwerpen als ondersteuners van Europa. ,,Daarvoor moeten zij met een welomschreven strategie de burgers, die in het algemeen ook vóór Europa zijn, duidelijk maken waar het om gaat en hoe dat te bereiken is. In dat geval zou een discussie nuttig kunnen zijn. Met een afwachtende en ongeinspireerde houding van kabinet en/of Tweede Kamer zal een brede maatschappelijke discussie al snel verzanden in een overbodige en contraproductieve exercitie.''