Wat doen we met de kinderen na school

Bijstandsmoeders voor de klas, scholen verbouwen – waaraan denkt VVD-leider Van Aartsen nou echt als hij scholen wil verplichten kinderen op te vangen van acht tot zes? ,,Het kan zoveel beter. Dit land loopt hopeloos achter.''

Marja Ruoff (46, drie kinderen van 14, 13 en 5) vond het altijd een vervelend gevoel dat haar kinderen naar de opvang gingen: in de rij van school naar het gebouw, tussen allemaal kinderen van andere scholen zitten en dan misschien wat doen, maar misschien ook niet. ,,Het moest op de opvang een beetje zijn zoals thuis, was het idee: wat drinken, een koekje, een beetje bijkomen en dan spelen.'' Alleen, het was niet zoals thuis. En thuis was het niet zoals op de opvang. Want thuis gaan kinderen naar zwemles, naar judo, naar ballet, naar vioolles. ,,Toen dacht ik: als je nou de activiteiten van kinderen koppelt aan de opvang, wordt het allemaal veel leuker. Voor henzelf, maar ook voor de ouders, want die weten dan: mijn kind heeft een fijne middag.''

Marja Ruoff besloot zelf de opvang te gaan organiseren die haar ideaal leek: kinderen krijgen na school op het plein of in een lokaal wat te eten en te drinken, gaan onder begeleiding naar een activiteit in de buurt en komen na afloop weer samen in een huis. Haar eigen huis, in die beginjaren, waarvan ze de benedenverdieping inrichtte als plek om nog wat te spelen of juist even uit te rusten.

Nu, negen jaar later, staat Marja Ruoff aan het hoofd van de `stichting activiteiten na schooltijd' Hutspot, voor kinderen van de Rotterdamse Montessorischool en (sinds drie jaar) de Van Oldenbarneveltschool. Wie zijn kind naar Hutspot stuurt, kan gebruik maken van de wettelijke subsidieregeling voor kinderopvang. Bij de stichting staan nu tweehonderdvijftig kinderen ingeschreven. Er werken twaalf gediplomeerde leidsters en vier vakleerkrachten. Die vakleerkrachten zijn bijvoorbeeld afgestudeerd muziekleraar, taaldocent of beeldend kunstenaar.

Bijna de helft van de Hutspot-activiteiten vindt plaats op school: knutselen, muziekmaken, tekenen, schilderen, dansen, koken. Marja Ruoff: ,,De kleintjes hoeven niet weg. Die spelen in het lokaal dat 's morgens peuterspeelzaal is. De dansles is in de gymzaal. Koken doen we in de keuken.'' De stichting betaalt mee aan het schoonhouden van de school. De schoonmakers komen niet voor zes uur.

Andere activiteiten zijn buiten de school. Het verzamelen daarvoor gebeurt op het plein, waar een leidster met een namenlijst en een map met persoonlijke gegevens de kinderen opwacht. Afhankelijk van het tijdstip van de activiteit, spelen de kinderen nog even op het schoolplein of, bij slecht weer, in een lokaal. ,,Dan gaan ze met een leidster naar het theater, voor de toneelcursus. Of naar de dierentuin, om dieren te leren tekenen. Naar zwemles. Of naar judo.'' Ook nemen de vakleerkrachten kinderen mee naar huis, bijvoorbeeld voor pianoles, knutselen in een echt atelier of `Frans spelenderwijs'.

Als je dit vertelt aan Tweede-Kamerlid Eric Balemans (43, twee dochters op de basisschool) zegt hij: ,,Zie je, dat bedoel ik nou. Zo kan het dus.'' VVD-Kamerlid Balemans leverde Jozias van Aartsen, zijn fractieleider, de ruwe tekst over naschoolse opvang aan die deze gebruikte tijdens de politieke beschouwingen van vorige week. Van Aartsen, die een `toekomstbeeld van Nederland' schetste als het `New York van Europa', zei toen: ,,Zodra de kinderen naar de basisschool gaan, begint het spitsuur. Brengen om half negen, halen om twaalf uur, weer brengen om één uur, weer halen om half vier, buitenschoolse opvang regelen tot zes uur. En dan zwijg ik nog van de balletles en het voetballen. En van alle schooldagen die uitvallen wegens ADV of cursus. Dat moet in 2015 anders zijn. Dan is er al jaren een heldere afspraak met alle scholen: voor ouders en leerlingen die dat willen, hebben ze faciliteiten van half acht 's ochtends tot half zeven 's avonds. Wat in Engeland en Frankrijk al traditie is, gebeurt eindelijk in Nederland.''

Zelf had Eric Balemans Denemarken voor ogen. Zijn vrouw is Deens. De onderwijsminister van dat land behoort tot hun vriendenkring. Deze zomervakantie spraken ze hem nog. Ook bezochten ze toen samen de vroegere basisschool van zijn vrouw. Eric Balemans: ,,En dan zie je dat ze daar alles bij elkaar hebben: de crèche, de school, de opvang na school. Prachtig, gewoon!'' Doordat kinderdagverblijf en basisschool naast elkaar staan, hoeven ouders hun jonge kinderen niet naar verschillende gebouwen te brengen. Beide gebouwen zijn open vanaf half acht of op z'n laatst acht uur. Na schooltijd blijven bijna alle kinderen op school, om te sporten, te spelen of onder begeleiding ergens naar toe te gaan. Die begeleiding is niet in handen van de leerkrachten, maar van de naschoolse opvang.

In Nederland brengen Eric Balemans en zijn vrouw hun twee dochters 's morgens ,,altijd zelf'' naar school. Ook 's middags proberen ze hen van school te halen. Als dat niet lukt, schakelen ze oppas in, studentes van een hogeschool. ,,En dan weet je: het kan zoveel beter. We lopen in dit land hopeloos achter.''

Sinds Jozias van Aartsen vorige week woensdag zijn `toekomstbeeld van Nederland' uitsprak (Van Aartsen: ,,Dit beeld van 2015 is geen fata morgana, geen luchtkasteel. Stap voor stap wil de VVD eropaf''), zijn veel mensen over de fractieleider heen gevallen: schooldirecteuren, onderwijsvakbonden, organisaties voor naschoolse opvang, de minister van onderwijs. In haar logboek op de site van het ministerie, De week van M, schreef Maria van der Hoeven: ,,Een sluitende dagopvang voor schoolgaande kinderen van ouders die beiden werken is een mooi streven. (...) Maar er zijn nog wel veel onbeantwoorde vragen: over de organisatie, de financiering (wie betaalt de rekening?), de kwaliteit van de mensen die de kinderen opvangen. We moeten er in ieder geval voor waken dat scholen verantwoordelijk worden voor kinderopvang. (...) Zoals gezegd, de intentie is natuurlijk prima, maar ik vraag me af of de consequenties wel goed [zijn] doordacht.''

Wat zijn die consequenties dan precies? En waarom is over het voorstel zoveel commotie ontstaan?

Om met het laatste te beginnen: in elk geval door spraakverwarring waar de liberale voorman zélf debet aan is. Diezelfde eerste dag van de beschouwingen antwoordde Van Aartsen op de vraag van LPF-fractieleider Van As of onderwijzers zich dan straks moeten gaan bezighouden met kinderopvang: ,,Maakt u zich geen zorgen, dat is absoluut geen taak van de onderwijzer. Dat is het nu bij de tussenschoolse opvang (op school eten tussen de middag, red.) ook niet. Dat is geen taak voor onderwijzers, maar vaak voor ouders, vrijwilligers en wat mij betreft ook voor mensen die recht hebben op een bijstandsuitkering en die in ruil daarvoor de plicht hebben om iets voor de samenleving te doen.''

Van Aartsen had het dus in de éérste plaats over de tussenschoolse opvang, die inderdaad vaak wordt verzorgd door ouders. Maar de suggestie was dat ook de naschoolse opvang in handen komt van vrijwilligers en bijstandsmoeders. Zo werd het in elk geval begrepen.

De volgende dag, donderdag, bracht de motie-Van Aartsen/Bos meer duidelijkheid, maar ook nieuwe verwarring. De motie luidde: ,,[VVD en PvdA verzoeken] de regering de wet- en regelgeving met ingang van 1 januari 2007 zodanig aan te passen dat scholen worden verplicht hetzij voor- en naschoolse opvang te bieden tussen 7.30 en 18.30 uur, hetzij faciliteiten te bieden waarbinnen andere partijen dat doen en de randvoorwaarden hierbij aan te geven.'' (zie kader)

In samenvattingen in de media is vervolgens vooral het eerste hetzij aangehaald: scholen worden verplicht opvang te bieden. Het tweede hetzij is dan ook nogal cryptisch, in de beste traditie van fracties die hun onderling niet helemaal gelijke standpunten verenigen in verhullend taalgebruik. Toch staat daar: een school hoeft zelf geen naschoolse opvang te bieden, maar moet er door faciliteiten en randvoorwaarden wel voor zorgen dat ouders er gebruik van kunnen maken. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat een school met een naburige vestiging voor naschoolse opvang afspreekt dat het plein of een lokaal open blijft tot de kinderen door een leidster van die opvang worden opgehaald. Of dat er 's morgens om half acht iemand op school is die de kinderen opvangt. Er zijn dus ,,maximale scenario's'' mogelijk, zoals Van Aartsen het zelf typeerde, maar ook minimale.

Met het oog op deze verschillende scenario's is Dé branchevereniging ondernemers in de kinderopvang deze week een enquête onder haar leden begonnen, om te achterhalen hoeveel van hun vestigingen binnen loopafstand van een basisschool liggen. Directeur Noëlle Haitsma van uk (kinderopvang in Amsterdam en Almere), tevens woordvoerster van de branchevereniging: ,,Alleen al in míjn bedrijf waren dat twaalf van de 19 vestigingen.'' Dat is geen wonder, want de afgelopen jaren is er steeds meer opvang gekomen voor kinderen van vier tot twaalf. Waren de kinderdagverblijven vorige week nog not amused toen Van Aartsen suggereerde dat opvang wel door bijstandsmoeders kon worden verzorgd, nu zegt Noëlle Haitsma: ,,Zo'n verplichting voor scholen is natuurlijk fantastisch, als tegelijk de opvang ook echte, professionele opvang blijft.''

En die opvang is tegenwoordig anders dan een jaar of vijf geleden. Hanteerden de kinderdagverblijven toen nog wachtlijsten voor de opvang van kinderen van vier tot twaalf, tegenwoordig moeten ze voor de woensdag en de vrijdag vaak werven. Dat doen ze met het aanbieden van allerlei activiteiten. Noëlle Haitsma: ,,Dan moet je denken aan sporten, maar ook aan ballet en muziek.''

Ook gaan steeds meer vestigingen voor naschoolse opvang een verband aan met een brede school. Dat is de naam voor samenwerkingsverbanden tussen scholen, kinderopvang, sportclubs, het buurthuis of de bibliotheek, waarvan er nu zo'n vijfhonderd zijn. Deze samenwerkingsverbanden zijn de afgelopen vijf, zes jaar ontstaan. Het begon in de grote steden, vanuit het idee dat een basisschool in een achterstandswijk zou moeten dienen als centrum van de buurt, waar kinderen niet alleen les krijgen, maar bijvoorbeeld ook kunnen ontbijten, huiswerk maken of na schooltijd een cursus volgen. Intussen zijn ook op het platteland en in rijkere buurten steeds vaker brede scholen te vinden, waar ze naar de werktijden van de ouders dan bijvoorbeeld kantoorscholen worden genoemd.

Minister Van der Hoeven is een groot voorstander van deze samenwerkingsverbanden van scholen met andere organisaties, die zij ziet als de oplossing voor een aantal problemen waarvan er slechts één is: de opvang van kinderen na school. Het aantal van vijfhonderd brede scholen moet over vijf jaar ruim zijn verdubbeld. In haar digitale logboek De week van M schreef ze: ,,Volgens mij leidt letterlijke uitvoering van de motie tot een inhoudelijke verarming van het concept brede school.'' Want dat is de grote angst van de tegenstanders van de motie: dat de school een oppascentrale wordt – en niets meer.

De afgelopen week zijn de verhoudingen tussen de voorstanders en de tegenstanders van de motie er niet beter op geworden. ,,Kwaadaardig'', noemde Van Aartsen de negatieve reacties op een VVD-bijeenkomst. Namens het CDA waarschuwde premier Balkenende dat dit ,,grote woorden'' zijn, waar je mee uit moet kijken. En passant herhaalde de premier het standpunt van zijn partij dat je scholen niet moet verplichten om opvang te bieden.

Bedoeling is dat het kabinet binnenkort in een brief reageert op de motie. In die brief zal in elk geval op een rij worden gezet wat er allemaal al is aan naschoolse opvang. Of het kabinet de wetswijziging wil uitvoeren die de motie voorstelt, is tot die tijd onzeker.

Mocht het kabinet dat niet willen, dan komt er een initiatief-wetsvoorstel, hebben de indieners van de motie al laten weten. Omdat de motie met een ruime meerderheid is aangenomen, verwachten zij dat ook dit initiatiefwetsvoorstel het zal halen, waarna opvang voor en na school een wettelijk vastgelegd recht zal zijn. Eric Balemans: ,,En dan is het hier natuurlijk nog niet meteen het walhalla van de opvang, dat weet ik ook wel. Maar het gaat erom dat we iets in gang zetten. Je moet ergens beginnen.''