Vervlogen tijden

Dankzij analysemethodes uit de genetica hebben taalkundigen een stamboom samengesteld van Papoea-talen, op grond van grammaticale overeenkomsten.

ONDERZOEKERS VAN het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek in Nijmegen hebben een nieuwe methode ontwikkeld om taalfamilies te reconstrueren. Hierbij wordt niet naar het lexicon gekeken – de gebruikelijk methode – maar naar de grammaticale structuur (Science, 23 september).

De methode werd uitgetest op 31 talen die op de eilanden ten oosten van Nieuw-Guinea, in de Stille Oceaan, gesproken worden. Bij al deze talen werd de aan- dan wel afwezigheid vastgesteld van 125 grammaticale kenmerken. Zo ontstond er voor iedere taal een eigen grammaticale code: een reeks van 125 nullen of enen. De computer ging daarmee aan de slag, met een methode die ontleend was aan de evolutionaire biologie: de zogeheten cladistische methode. Die vergelijkt een groot aantal morfologische eigenschappen van planten of dieren en berekent daaruit de optimale stamboom.

De 31 talen waar de Nijmeegse onderzoekers deze methode op loslieten, behoorden tot twee zeer verschillende taalfamilies: die van de Austronesische talen en die van de Papoea-talen. De methode werd eerst toegepast op 16 Austronesische talen. Van deze groep was al een redelijk betrouwbare stamboom bekend, uit lexicaal onderzoek. De stamboom die de computer tekende op grond van het grammaticale profiel van die talen, kwam daar min of meer mee overeen. De onderzoekers concludeerden hieruit dat hun methode net zo betrouwbaar is als de traditionele lexicale methode. Vervolgens werd de methode toegepast op de Papoea-talen (15 stuks). Deze verschillen lexicaal zo sterk, dat het niet mogelijk is om op basis van woordvergelijking een stamboom te tekenen. De computer slaagde er wel in een boom te tekenen, met duidelijke regionale clusters in de kruin, maar met naar beneden toe - steeds dieper het verleden in - een steeds zwakker ``statistisch signaal''.

Volgens Michael Dunn, een van de onderzoekers, is de nieuwe methode een mooie aanvulling op de traditionele methode, die al twee eeuwen wordt gepraktiseerd. Daarin gaat men op zoek naar de systematische klankverschillen tussen verwante woorden uit verschillende talen (zoals: vader, father, padre, pater, etc.). Daaruit worden klankverschuivingen gedestilleerd, die zich in het verleden zouden hebben voorgedaan, en op basis daarvan kan men de stamboom min of meer reconstrueren. Dunn: ``Die methode werkt heel goed en precies voor talen die 4 duizend jaar geleden een gezamenlijke voorvader hadden, zoals de Indo-europese en de Austronesische talen. Maar voor de Papoea-talen ligt het veel lastiger: we weten niet eens óf ze één gezamenlijke voorvader hebben, en als dat zo is, dan heb je het over minstens 10 en misschien wel 20 duizend jaar geleden.'' Dat is lang geleden: 20 duizend jaar geleden was het hoogtepunt van de laatste IJstijd, de landbouw is pas 10.000 jaar geleden uitgevonden, de piramides zijn 4.500 jaar oud.

De grens van een historische reconstructie op basis van verwante woorden ligt – afhankelijk van hoe optimistisch je bent – bij 6, 8 of 10 duizend jaar. De halveringstijd voor het lexicon is onder normale omstandigheden ongeveer 2.000 jaar: dan is 50 procent van de woorden vervangen door een totaal ander woord. Dus na 8 of 10 duizend jaar zijn er nauwelijks nog verwante woorden over en is er geen duidelijk `signaal' meer over dat ons iets kan vertellen over de verwantschap in een ver verleden.

De gedachte achter de nieuwe methode is, dat je via de grammaticale kenmerken misschien dieper in het verleden kunt doordringen. Michael Dunn formuleert het vooralsnog vrij bescheiden: ``Waar de traditionele methode niet werkt, kun je onze methode inzetten om toch `iets' over het verleden te weten te komen.'' De optimale boom die de computer op verzoek van de onderzoekers tekende, moet volgens Dunn niet als een letterlijke stamboom gelezen worden. ``Het is niet meer dan een hypothese over verwantschap, waarbij bij iedere vertakking de mate van waarschijnlijkheid berekend kan worden. Omdat we niet weten of al de Papoea-talen uit dit gebied één voorouder hebben, spreek ik liever van `een gemeenschappelijke geschiedenis' die ze met elkaar delen. Hoe die geschiedenis eruit ziet is een open vraag: dat kan één oorsprong zijn, maar ook een langdurige periode van intensief contact. Het kan zijn dat er oorspronkelijk verschillende taalfamilies waren, en dat er één dominant was en dat die de andere talen sterk heeft beïnvloed.''

Talen groeien niet altijd uit elkaar, ze groeien soms ook naar elkaar toe - wat dat betreft gaat de vergelijking met de genetische evolutie dus niet helemaal op. Dunn beseft dat: ``Gelukkig zijn er statistische technieken, waarmee je kunt proberen de invloed van taalcontact te scheiden van de genetische verwantschap. Bijvoorbeeld, door de computer een heleboel bomen te laten berekenen op basis van telkens een andere deelverzameling van die 125 grammaticale kenmerken. Rare dingen kun je er zo uitfilteren.''

Het belang van dit onderzoek naar taalfamilies – en taalcontact – is volgens Dunn evident: ``We kunnen zo meer te weten komen over de prehistorie. Taalfamilies vertellen iets over de manier waarop bevolkingsgroepen en culturen zich verspreid hebben. De archeologie en de populatie-genetica vertellen daar ook iets over. Het is de kunst om die drie disciplines bij elkaar te brengen en die verhalen met elkaar te combineren.''