Nadoen helpt

ZET TWEE MENSEN bij elkaar en ze nemen elkaars gedrag over. Ze gaan in dezelfde houding zitten: als de een zijn benen over elkaar slaat, met zijn voet wiebelt, aan zijn gezicht kriebelt, geeuwt, gaat de ander dat ook doen. Ze nemen elkaars accent over, elkaars stopwoordjes, elkaars spreektempo, gebaren, gezichtsuitdrukking. En dat gaat allemaal automatisch; mensen zijn zich er niet van bewust dat ze het doen. ``Ik wijs studenten er wel eens tijdens een college op dat ze in precies dezelfde houding zitten'', zegt sociaal psycholoog Rick van Baaren. ``En dan zie je ze echt uit elkaar schieten. Ze hadden het zelf niet door. Op de een of andere manier voelt bewuste imitatie ongemakkelijk, maar als het onbewust gebeurt, is het een heel natuurlijk iets.''

In de sociale psychologie wordt het meestal `mimicry' genoemd, het verschijnsel dat mensen elkaar onbewust imiteren. Het is dezelfde term die in de biologie gebruikt wordt voor de manier waarop sommige dieren in kleur of vorm de omgeving nabootsen om minder op te vallen voor hun natuurlijke vijanden. Bij andere in groepen levende dieren kan spontane gedragsimitatie inderdaad een vergelijkbare functie hebben. Als er gevaar dreigt, beweegt een zwerm spreeuwen, een school makrelen of een kudde gnoes vrijwel synchroon, als één organisme – een dier dat iets anders doet dan de andere en dus afdwaalt, loopt immers het grootste risico om het niet te overleven.

Bij mensen ligt dat vandaag de dag anders, aldus Van Baaren. Gevaarlijke roofdieren zitten veilig opgesloten in de dierentuin, er zijn nauwelijks situaties te bedenken waarin het echt een kwestie van leven of dood is om je precies hetzelfde te gedragen als anderen. En al helemaal niet als het gaat om zulke subtiele vormen van `gedragsbesmetting' als glimlachen of taalgebruik. Dus waarom treedt dat dan toch op? Waarom doen mensen elkaar vanzelf, spontaan na?

Van Baaren promoveerde twee jaar geleden aan de Radboud Universiteit Nijmegen op onderzoek naar deze vraag; hij heeft sinds twee maanden een aanstelling aan de Universiteit van Amsterdam om er verder onderzoek naar te doen. Zijn collega Mariëlle Stel, ook uit Nijmegen, is afgelopen maandag gepromoveerd op haar onderzoek naar mimicry bij mensen. Zij is inmiddels werkzaam aan de Universiteit Leiden. Ironisch genoeg breidt het aantal wetenschappers dat onderzoek doet naar mimicry zich ook steeds verder uit: het onderwerp is op dit moment populair bij neurowetenschappers, ontwikkelingspsychologen, primatologen, cognitief psychologen en sociaal psychologen. Die laatste groep, waartoe Stel en Van Baaren behoren, wil vooral ontrafelen waarom het inherent prettig lijkt te voelen om na te doen en nagedaan te worden, terwijl mensen het niet doelbewust doen. Mimicry heeft allerlei gunstige sociale gevolgen, zeggen beiden; het is een soort sociale smeerolie, en daardoor blíjven mensen het doen. Maar wat is het mechanisme achter mimicry?

``De kern is dat je een overlap ervaart tussen jezelf en een ander'', zegt Van Baaren. ``Dat je de distinctie met diegene minder sterk ervaart. Je merkt dat een deel van wat jij zelf doet en wat een ander doet gelijk is, waardoor het moeilijker wordt voor de hersenen om jezelf en die ander uit elkaar te halen.''

motorisch

Dat is vrij letterlijk het geval. Bij apen is het bestaan van zogeheten `spiegelneuronen' aangetoond; hersencellen die zowel activiteit vertonen als een aap een bepaalde beweging maakt als wanneer het dier de beweging bij iemand anders ziet. En ook bij mensen zijn dezelfde hersengebieden actief wanneer we een handeling observeren, zelf uitvoeren, of eraan denken dat we die zouden kunnen uitvoeren. Volgens van Baaren kan zo'n ervaring van zelf-ander-overlap ook via andere wegen bereikt worden. Imitatie is één manier. ``Imitatie is iets motorisch, maar je kunt bijvoorbeeld ook een gevoel van gelijkheid ervaren als je een mening met iemand deelt. Of als je tot dezelfde groep behoort.''

Als mensen zo'n gevoel van gelijkheid, van verbondenheid met anderen ervaren, doen ze elkaar meer na, heeft Van Baaren in zijn promotie-onderzoek aangetoond. Mensen die een chronisch gevoel van saamhorigheid en verbondenheid hebben, zijn dus meer geneigd tot imiteren. Zo toonde Van Baaren aan dat Japanse studenten (afkomstig uit een meer collectivistische cultuur), een experimentleider die voortdurend aan zijn gezicht en haar zat, vaker nadeden dan meer individualistische Amerikaanse studenten.

Maar een gevoel van bij elkaar horen is ook experimenteel op te wekken bij mensen, en ook dan leidt dat tot meer mimicry. In een van zijn studies liet Van Baaren één groep proefpersonen door elkaar gehusselde zinnetjes ontwarren die hun een gevoel van onafhankelijkheid gaven (`ik vind het prettig om uniek te zijn', bijvoorbeeld), en een andere groep zinnetjes waaruit saamhorigheid sprak (`ik houd van samenwerken'). Uit video-opnamen bleek vervolgens dat proefpersonen in die tweede groep meer geneigd waren om het gedrag van degene die het experiment leidde, te imiteren. Die zat tijdens het onderzoek met zijn pen te spelen en zij gingen dat ook doen: de `saamhorige' proefpersonen zaten na afloop van de zinnetjes-taak vijf keer zo lang met een pen in hun hand als de `onafhankelijke' proefpersonen.

Opvallend is dat niet alleen de ervaring van sociale verbondenheid tot meer gedragsnabootsing leidt: elke ervaring van integratie, van aandacht voor de big picture in plaats van geïsoleerde details, leidt tot meer mimicry. Van Baaren liet sommige mensen bijvoorbeeld zonder index een bepaalde straat zoeken op een stadsplattegrond, of een specifieke letter die maar één keer voorkwam op een vel papier vol letters – zij zaten in de `detail-groep'. Anderen moesten grote papieren doolhoven oplossen, of beschrijven hoe bepaalde elementen op een schilderij in relatie stonden tot het gehele beeld. Tijdens het onderzoek wreef de proefleider twee keer per minuut over zijn gezicht. Proefpersonen in de `big picture'-groep deden dat gedrag het meest na: die gingen gemiddeld één keer per minuut over hun gezicht wrijven. Proefpersonen in de `detailgroep' deden dat nog niet half zo vaak.

Dus of er nu sprake is van inbedding van mensen of van objecten in een groter geheel, de ervaring van samenhang leidt sowieso tot meer mimicry. En het omgekeerde is ook het geval: als mensen elkaar nadoen, ervaren ze een gevoel van saamhorigheid. ``Ze begrijpen elkaar beter, zelfs hun emoties raken meer op elkaar afgestemd'', vertelt Mariëlle Stel. ``Dat vind ik het boeiendste dat blijkt uit mijn onderzoek.''

Stel nodigde telkens twee proefpersonen die elkaar niet kenden tegelijk uit voor haar onderzoek. De een kreeg een videofragment van vijf minuten te zien, uit hetzij een vrolijke (Jungle Book, het dansje met de beer), hetzij een droevige film (Sophie's Choice, als de moeder moet kiezen wie van haar kinderen ze aan de nazi's afstaat). Daarna moest de videokijker de inhoud van het filmpje uitleggen aan de andere proefpersoon. Die had de opdracht gekregen de gezichtsuitdrukking van de ander te imiteren, of juist niet. Stel had ervoor gekozen om mensen in de imitatiegroep expliciet de opdracht tot wél imiteren te geven, omdat anders de twee groepen te veel van elkaar zouden verschillen: ``Dan krijgt de ene groep een extra opdracht, wat tot extra inspanning kan leiden, en dan zouden eventuele verschillen daaraan toe te schrijven kunnen zijn. Daarvoor had ik al in een aantal onderzoeken laten zien dat er in een groep waarin je de opdracht tot imitatie geeft, hetzelfde gebeurt als in een controleconditie waarin je geen opdracht geeft: zowel bij spontaan als bij intentioneel imiteren nemen mensen gezichtsuitdrukkingen over. Dan kun je zo'n controleconditie vervolgens weglaten; die heeft toch hetzelfde effect.''

Uit het onderzoek bleek dat de emoties van de videokijker-verteller en de luisteraar in de imitatiegroep meer met elkaar overeenstemden dan bij mensen in de niet-imitatiegroep het geval was. ,,Dat komt doordat bij imitatie van gezichtsuitdrukkingen de spieren die actief worden in het gezicht een seintje naar de hersenen sturen, waardoor de imitator de emotie die overeenkomt met deze gezichtsuitdrukking zelf ook voelt'', aldus Stel. ,,Dat wordt het `facial feedback'-mechanisme genoemd.''

De imiterende luisteraars namen niet alleen de emoties van de verteller over; ze hadden daarnaast het gevoel dat ze diegene beter begrepen en dat ze zich beter in hem of haar konden verplaatsen. En dat gevoel hadden ook de vertellers die geïmiteerd werden. In de imitatiegroep voelden de proefpersonen zich dichter tot elkaar staan, en ze vonden de interactie beter verlopen dan bij de proefpersonen in de niet-imitatiegroep het geval was.

Opvallend is dat in Stels onderzoek zowel positieve als negatieve emoties werden overgenomen. Kennelijk is een gevoel van verbondenheid al zo'n beloning dat mensen de negatieve gevoelens op de koop toe nemen. Dat is in overeenstemming met ander onderzoek, waaruit blijkt dat mensen altijd de behoefte hebben om bij anderen te horen, en dat sociale uitsluiting een van de ergste dingen is die mensen kunnen overkomen.

Mimicry kan ook tastbare positieve gevolgen hebben. Uit experimenten van Van Baaren blijkt bijvoorbeeld dat serveersters die de bestelling van hun klanten letterlijk herhalen, ongeveer twee keer zoveel fooi krijgen als serveersters die zich precies even vriendelijk gedragen, maar in plaats daarvan bijvoorbeeld `oké!' zeggen, of `komt eraan!'. Iemand die geïmiteerd wordt zonder dat hij of zij dat in de gaten heeft, wordt dus aardig tegen degene die dat doet. Maar ook tegen anderen: mimicry blijkt te werken alsof de geïmiteerde een complimentje heeft gekregen en dat vervolgens weer de wereld instraalt. In een onderzoek van Van Baaren zaten proefpersonen vragenlijsten in te vullen terwijl de onderzoeksleider hun lichaamshouding zo precies mogelijk imiteerde. Vervolgens waren ze meer geneigd om iemand te helpen die op de gang een aantal pennen uit zijn handen liet vallen, dan proefpersonen die niet geïmiteerd waren.

Essentieel is wel dat degene die geïmiteerd wordt, zich daar niet van bewust is, zegt Van Baaren, want anders werkt het niet meer. De positieve effecten die mimicry op de geïmiteerde heeft, blijven wel behouden als degene die imiteert dat doelbewust doet, zoals de serveersters, onderzoeksleiders en sommige proefpersonen in de studies van Van Baaren en Stel. Dat valt niet snel op, zegt Van Baaren. ``Ik heb natuurlijk de hele tijd imitators nodig in mijn onderzoek, en als ik die train, zeggen ze vaak: `maar dat hebben mensen toch door!'. Dan zeg ik, ga maar even naar de kantine, doe iemands houding na, probeer het. Dat lukt gewoon zonder dat het opvalt, blijkt dan steeds als ze terugkomen. Ja, als jij nu hetzelfde gaat zitten als ik, terwijl we hierover praten, dan voelt dat niet soepel. Maar als je het er niet over hebt... mensen hebben het meestal niet in de gaten.''

strategisch

Dat betekent dat je mimicry tot op zekere hoogte strategisch kunt inzetten. Ook uit het onderzoek van Mariëlle Stel komt die mogelijkheid naar voren. Mensen zijn van nature niet zo geneigd om iemand na te doen die ze niet aardig vinden, toonde zij aan – iemand die bijvoorbeeld beschreven wordt als een nogal egoïstisch persoon. En als ze zo iemand toch moesten imiteren, gingen ze diegene niet aardiger vinden. Maar andersom bleek het wel te werken. ``Als iemand die jij niet zo aardig vindt zonder dat je het doorhebt jouw lichaamshouding, gezichtsuitdrukking en gedrag nadoet, ga je diegene wel vanzelf aardiger vinden'', zegt ze. ``Als je je er bewust van bent dat je geïmiteerd wordt, verdwijnt het effect, maar anders is mimicry een effectieve vorm van vleierij. Het kan bijvoorbeeld helpen om een verkeerde eerste indruk recht te zetten.''

Van Baaren grijnst als we het hierover hebben. Hij pakt een boek uit zijn kast met de titel Get Anyone To Do Anything, en ook meteen de klassieker die ernaast staat, Stephen Covey's The Seven Habits of Highly Effective People. ``Spiegelen, noemen ze dat in dit soort boeken. Ik koop ze altijd op vliegvelden, erg leuk om te lezen, als je ze niet te serieus neemt en ertegen kunt dat ze zo populair geschreven zijn. Er staat altijd hetzelfde in, maar ik blijf ze lezen. En ja, spiegelen werkt.'' Het heeft wel iets weg van slijmen, bevestigt hij. ``Dat hebben mensen ook niet door. En als je het wel doorhebt, werkt het averechts. Daar zie ik wel een parallel.''

Die gedragseffecten vindt hij leuk, maar Van Baaren wil nu het liefst onderzoeken hoe mimicry in de hersenen werkt. ``Sociaal psychologen doen soms zo makkelijk'', zegt hij. ``Ze manipuleren iets en ze zien een gedragsverandering, maar het hele proces ertussen is grijs, als het niet zwart is. Ik vind dat we het verplicht zijn om ook dat proces ertussen te onderzoeken. Als je iemand de opdracht geeft om te imiteren, kan dat bijvoorbeeld tot hetzelfde gedrag leiden als natuurlijke imitatie, maar het zijn heel andere processen in de hersenen. Bij bewuste imitatie is er veel meer frontaalactivatie, in de frontale cortex wordt de doelgerichte activiteit aangestuurd. Onbewuste imitatie is veel affectiever.''

Over de hersenactiviteit van mensen die imiteren is al meer bekend dan over mensen die geïmiteerd worden, vertelt hij. Maar mimicry heeft ook een effect op de geïmiteerde, zoals we gezien hebben, en hoe werkt dat dan in de hersenen, vraagt hij zich af. ``Zijn daar ook spiegelneuronen bij betrokken? Dat weten we niet. Ik ben benieuwd of we een signaal kunnen ontdekken in de hersenen op het moment dat iemand je nadoet zonder dat je het doorhebt, in vergelijking met een situatie waarin dat niet gebeurt.'' Begin volgend jaar hoopt hij dat onderzoek uit te voeren in Chicago, samen met een collega die daar werkzaam is. Van Baaren denkt momenteel onder meer na over manieren om mensen onopvallend te imiteren in een MRI-scanner. ``Dat is nogal lastig.''

Als het eenmaal lukt, kun je aan de hersengebieden die actief zijn bijvoorbeeld zien of zelf-ander-overlap, die Van Baaren zo belangrijk acht, inderdaad een rol speelt. ``Je moet wel een verhaal hebben bij zulk onderzoek. Hersenscans zijn tegenwoordig heel populair in de sociale psychologie, maar het is veel te vaak zo dat mensen gewoon wat lampjes willen bij de effecten die ze hebben gevonden. Het moet wel ergens over gaan.''

Ook Stel gaat na haar promotie verder op zoek naar de manier waarop mimicry werkt. ``Hoe komt het dat het zulke positieve effecten heeft? En als je iemands emoties overneemt, worden er dan ook gedachten en herinneringen actief die bij die emoties horen, en is dat de reden dat je je beter kunt verplaatsen in iemand?'' Dat kunnen natuurlijk nooit dezelfde gedachten en herinneringen zijn, zegt Stel. ``Maar ik denk dat dat ook geldt voor emoties, als je iemands emoties overneemt, voel je ook nooit precies hetzelfde als die ander. Je blijft natuurlijk altijd jezelf.''

En dat is ook goed voor mensen, zegt Van Baaren. Want uiteindelijk hebben we niet alleen een diepe behoefte om ons met anderen verbonden te voelen, we willen óók uniek zijn. ``Daarom wijken die studenten op college zo snel uit elkaar'', zegt Van Baaren. ``Als je erop wijst dat ze in precies dezelfde houding zitten. Dan voelen ze zich te weinig uniek, en dan willen ze weer terug naar het optimale niveau tussen bij anderen horen en zichzelf zijn. Het gaat altijd om de balans.''