Klee-museum betaald met kunstheupen

Paul Klee werkte vooral in Duitsland, maar werd geboren in Bern. Als eerbetoon staat in de stad nu het grootste Klee-museum ter wereld.

Als Maurice Müller, een kunstminnende heupchirurg uit Bern, de Italiaanse pianist Maurizio Pollini in de jaren negentig geen nieuwe heup had aangemeten, had Bern drie heuvels minder gehad. En minder gespreksstof.

Maar Pollini kreeg zijn heup. En via hem ontmoette Müller de wereldberoemde architect Renzo Piano, die onder meer het Centre Pompidou in Parijs had ontworpen. Op een dag nam Müller Piano mee naar een groot glooiend veld, even buiten Bern. Hij vertelde dat hij het veld en geld aan de stad wilde geven om er een museum neer te zetten vol werk van Paul Klee – de in 1940 overleden Duitse schilder die een deel van zijn leven in Zwitserland had doorgebracht. Chirurg Müller, die door de uitvinding van de kunstheup een fortuin had opgebouwd, wilde ,,iets terugdoen'' voor de stad, die een deel van zijn studie had bekostigd. Wilde Piano zo'n museum bouwen?

Zo kreeg Bern er drie heuvels bij. Van staal en glas, wel te verstaan. Ze steken bijna organisch, als molshopen, in één vloeiende beweging uit de grond. In die heuvels zit het Zentrum Paul Klee, dat in juni werd geopend. Het bevat vierduizend olieverfschilderijen, aquarellen en tekeningen van Klee, 's wereld grootste collectie, grotendeels geschonken door zijn nazaten en de Zwitserse Stichting Paul Klee. Er liggen ook brieven, foto's en persoonlijke bezittingen van de schilder. Verder zijn er een bibliotheek, een kindermuseum, een concertzaal en een conferentieruimte. Zelfs Klee's graf ligt op het terrein.

Vanuit het centrum van Bern is een wandelroute naar het Zentrum uitgezet langs het huis van de schilder, zijn oude school en het Kunstmuseum, waar ook nog altijd een paar van zijn schilderijen te zien zijn, naast die van de vrienden en tijdgenoten uit zijn `Blaue Reiter'-periode, onder wie Kandinsky en Marc. Het adres van het Zentrum is Monument im Fruchtland nummer 3, naar het gelijknamige schilderij (1929), dat lijkt op een verzameling akkertjes vanuit de lucht bezien. Geen gekke vondst: het geraas van de snelweg wordt ruimschoots overstemd door dat van grazende schapen met Zwitserse bellen om.

Niet alle bezoekers en omwonenden weten Piano's museum te waarderen. Sommigen vinden het gewoon lelijk, en vervloeken de dag dat de stad Müllers gift van 60 miljoen frank (zo'n 40 miljoen euro) accepteerde op voorwaarde dat híj de architect kon aanwijzen. Anderen zeggen dat de architect met zijn futuristische ontwerp te veel concurreert met de schilder; het `syndroom van de iconen'. Weer anderen stoort het dat de twee grote expositieruimtes in de middelste heuvel geen daglicht doorlaten. Klee's werken kunnen daglicht niet verdragen. Aan verlaagde plafonds hangen wiebelige tussenwandjes, waaraan de schilderijen en lampjes zijn opgehangen. Zo zie je de heuvelboog niet meer, waardoor de belofte van licht en lucht die het museum van buiten wekt, binnen niet wordt waargemaakt.

Uit de permanente collectie zijn nu tweehonderd schilderijen tentoongesteld; andere komen later aan bod. Dat houdt het overzichtelijk, vooral omdat er geen strikt chronologische volgorde is aangehouden. Iedereen die even de tijd neemt, kan Klee's `fases' er zelf gemakkelijk uithalen: van de lyrische, speelse werken zoals Voor de poorten van Kairouan (1914) tot de zwaardere, donkerder schilderijen, zoals Laatste Stilleven, van vlak voor de Tweede Wereldoorlog – toen Klee ernstig ziek was.

Als er één bewijs is dat de schilder met zijn naïef-aandoende experimenten met kleur, perspectief en vorm nu nog velen aanspreekt, dan zijn het wel de vele kinderen die zich hier uitstekend amuseren – en niet alleen in de ateliers van het Kindermuseum. In het souterrain is een indrukwekkende, tijdelijke expositie ondergebracht van vooral tekeningen, met hier en daar een handpop die Klee voor zijn zoon Felix maakte.

Met dit Klee-monument slaagt Bern erin om internationale kunstliefhebbers die vaak maar één Zwitserse bestemming hebben, Bazel, tot een extra ommetje te verleiden. Het Zentrum heeft al 100.000 bezoekers getrokken. De conferentiezaal is tot ver in 2006 volgeboekt door bedrijven die er aandeelhoudersvergaderingen of management-trainingen houden. Ook de concerten – Klee was bijna, net als zijn vader, musicus geworden – worden goed bezocht. Klee trekt, ook nu nog, als een magneet.

De ironie wil dat hij niet eens een Zwitser was. Hij werd in 1879 in Bern geboren, en stierf in een sanatorium in Ticino (Zuid-Zwitserland). Maar na 1898 woonde en werkte Klee vooral in Duitsland, waar hij nauw verbonden was met het Bauhaus. Hij diende in de Eerste Wereldoorlog in het Duitse leger. Toen de nazi's hem in 1933 als leraar aan de kunstacademie in Düsseldorf ontsloegen – zijn naam was al wereldwijd gevestigd, galeriehouders twistten over de vraag of hij een expressionist was of iets anders – week hij uit naar Bern. Later, in 1937, zouden de nazi's zijn werk tentoonstellen in de expositie `Gedegenereerde Kunst'. Klee vroeg in Bern meteen een Zwitsers paspoort aan. Dat heeft hij nooit gekregen. Als hij langer had geleefd, zou hij het hebben gekregen, meldt de catalogus bijna schuldbewust. Bij gebrek aan een paspoort heeft de schilder in zijn geboortestad nu het eerbetoon gekregen dat hem toekomt.

Zentrum Paul Klee: Monument im Fruchtland 3, Bern. Inl. 00-41- 22-3590101, www.zpk.org. Di-zo 10-17, do 10-21 uur. Maandag gesloten.