Klassengeneeskunde

Piet Borst heeft natuurlijk groot gelijk: het is belachelijk dat je woonplaats in Nederland bepaalt welke geneesmiddelen je krijgt (W&O 24 sept.) Maar zijn oplossingen stellen teleur. Het geneesmiddelenbudget kan wat hem betreft best met 50% omhoog. Dat is 2 miljard Euro, Piet. Hij vertrouwt erop dat dure middelen alleen worden geïntroduceerd als ze voordelen boven de oude hebben, en dat de overheid exorbitante prijsstijgingen kan voorkomen. En prijsconcurrentie – o.a. door het ontwikkelen van goedkope alternatieven als het patent afloopt – doet volgens hem de rest.

De werkelijkheid is anders, zoals hij als commissaris van Schering ook hoort te weten: Juist op de markt van die `peperdure geneesmiddelen' is er weinig kans op goedkope alternatieven: het betreft ingewikkelde eiwitten die bijna niet veilig zijn na te maken. Keiharde marketing maakt het voor artsen moeilijk een afgewogen oordeel te vormen, en onafhankelijk doelmatigheidsonderzoek bestaat niet in dit land (zie ook mijn artikel in NRC 23 augustus). En niemand hoeft de rekening zelf te betalen.

Het resultaat: in mijn eigen vakgebied (reumatologie) zijn er bijvoorbeeld 3 gelijkwaardige en hoogwaardige producten, zogeheten TNF blokkers (met sterk verschillende ontwikkel- en productiekosten) die voor bijna exact dezelfde prijs worden verkocht. Waarom? De `concurrenten' verdienen allemaal meer als ze elkaar een prijsoorlog besparen.

Klassengeneeskunde wordt voorkomen door als maatschappij af te spreken hoeveel geld we totaal willen uitgeven, en dat dan eerlijk te verdelen over de verschillende zorggebieden. Hoeveel verpleeghuisbedden zijn 7 maanden extra leven met kanker waard? Voor antwoorden moeten we eerlijk gegevens verzamelen en vergelijken over doelmatigheid van alle vormen van zorg. En er moet hard onderhandeld worden met de industrie over een redelijke prijs. Niet alleen door de overheid: ook behandelaars moeten een oordeel vellen over wat redelijk is, in het belang van alle patiënten.