Jacht op pakhuizen met Chinees geld

Westerse banken nemen in hoog tempo belangen in Chinese branchegenoten. Maar slechte leningen en corruptie maakt het werken in China moeilijk.

ING, Goldman Sachs, Citigroup, Standard Chartered, Allianz, HSBC, American Express, de Bank of America, de Bank of Nova Scotia, de Royal Bank of Schotland: het is nog maar een onvolledige lijst van de nieuwe, buitenlandse investeerders in China's banken.

De Chinese banksector moet zich eind 2006 onder de regels van de Wereldhandelsorganisatie WTO volledig openstellen voor internationale concurrentie, en voorafgaand aan die opening hebben de buitenlandse investeringen in de Chinese bankensector zo'n vlucht genomen dat er sprake is van een ware hausse.

Zo nam deze week de Zwitserse bank UBS een belang van een half miljard dollar in de Bank of China, en General Electric maakte ook deze week bekend dat het bedrijf van plan is om 100 miljoen dollar te steken in een belang van 7 procent in de Shenzhen Development Bank.

Eerder dit jaar nam de ING Groep een belang van 19,9 procent in de Bank of Beijing, het maximale belang dat een individuele buitenlandse bank momenteel in een Chinese bank mag hebben. Ook ABN Amro staat niet afwijzend tegenover een overname. ,,We sluiten niets uit'', zo meldt Peter Kwok, directeur van het kantoor van de bank in Shanghai. ,,Het is een kwestie van het juiste object voor de juiste prijs'', aldus Kwok.

Wat krijgen de banken terug voor hun investeringen? Het is nog te vroeg om dat te zeggen, maar wel is duidelijk waarop de banken hopen: ze willen meeprofiteren van China's al decennia lang zeer sterke economische groei, die gepaard gaat met een groei van China's financiële markten en uitbreiding en diversificatie van de financiële dienstverlening. ,,Als je eropuit bent om mee te profiteren van economische groei, dan is het logisch om een investering in China te overwegen'', zo verklaarde Kenneth Lewis, de hoogste man van de Bank of Amerika de investering van die bank in China.

De banken kunnen daartoe ook eigen, zelfstandige bankkantoren openen, maar dat zijn moeizame en omslachtige processen die veel tijd en geld vragen. Het is in de praktijk niet mogelijk om snel een kantorennetwerk op te zetten dat zich in dekkingsgraad ook maar enigszins kan meten met China's nationale en regionale banken.

De Chinese banken hebben veel te winnen bij de nieuwe regeling. De banken, vaak zo zwaar belast met slechte leningen dat ze in westerse ogen eigenlijk insolvabel zijn, krijgen niet alleen een kapitaal- maar ook een kennisinjectie toegediend, zonder dat ze daarvoor de zeggenschap over de banken uit handen hoeven te geven: de buitenlandse banken hebben immers verre van een meerderheidsbelang.

Dat de Chinese banken behoefte hebben aan kennis over het westerse bankwezen is evident. De instellingen zijn van oorsprong vooral een simpel doorgeefluik van staatsgeld aan staatsondernemingen en pakhuizen waar het spaargeld van de Chinese burgers ligt opgeslagen. De banken bieden particulieren ook nauwelijks meer financiële diensten dan het deponeren van hun spaargeld op een spaarbankboekje.

De Chinese banken kampen verder met zwak management en met diepgewortelde corruptie. Steeds weer komen er rond de internationale beursgang van Chinese banken verhalen van grootschalige corruptie naar buiten, corruptie waar vaak juist de hoogste leiding bij betrokken is. De overheid heeft de banken tot nu toe steeds weer voor de ondergang gered door geld beschikbaar te stellen. De hoop is nu dat buitenlandse banken, met hun moderne management en hun kapitaal, de Chinese banksector gezond kunnen maken waar het de Chinese overheid tot nu toe niet is gelukt.

Voor de buitenlandse banken is dat niet zonder risico. De uiteindelijke zeggenschap over het beleid blijft in handen van de Chinese partner, die daarin weer gedeeltelijk wordt aangestuurd door de Chinese overheid. De overheid heeft naast puur financiële ook maatschappelijke belangen te behartigen, en dat maakt een Chinese bank tot een niet zuiver commerciële partner.

Het is ook de vraag of het de buitenlandse partners wel zal lukken om praktijken uit te roeien als het verstrekken van leningen aan in feite failliete staatsbedrijven omdat de lokale overheid daarop aandringt. Ook de corruptie die zeker in de financiële sector hevig woedt is door buitenlandse partners niet eenvoudig te voorkomen. Daarnaast zijn veel Chinese banken zo groot dat je voor heel veel geld vaak nog maar een heel klein aandeel in een bank kunt kopen.

Het Chinese beleid met de banken nu verschilt niet van wat China eerder deed toen het voor het eerst buitenlandse investeerders toeliet in andere sectoren. Dat moest altijd in de vorm van joint ventures, een constructie die er in elk geval toe leidde dat er sprake was van een zo groot mogelijke kennisoverdracht van de buitenlandse naar de Chinese partner.

Veel buitenlandse bedrijven kwamen er in de loop der tijd achter dat hun Chinese partners andere belangen en objectieven hadden dan het buitenlandse bedrijf, en daarom kozen de meeste bedrijven er al snel voor om zonder Chinese partner te opereren op het moment dat de Chinese wet dat toestond.