Ik stop

Hasna El Maroudi (20) stopt met haar Spunk-column. Sinds ze eerder op deze plaats over Berbers schreef, wordt ze regelmatig bedreigd

Maandag. Terwijl ik half onderuit gezakt geniet van de muziek op mijn mp3, bekijk ik de andere treinpassagiers. Een zakenman leest zijn NRC terwijl een student door zijn Sp!ts bladert. Dan hoor ik plots wat gejoel boven het geluid van mijn muziek uitstijgen. Een groepje Marokkaanse jongens komt de coupé binnen. Op de vlucht voor de conducteur nemen ze schuin tegenover me plaats. Geïrriteerd (ik kan mijn muziek niet meer degelijk horen) zucht ik flink. Van ellende zak ik nog verder in mijn stoel weg.

Mijn gezucht wordt me overduidelijk niet in dank afgenomen. Vijf kwade hoofden draaien zich naar me toe. Boven het gezang van Stevie Wonder hoor ik hun gescheld. ,,Dat is die kankerhoer van die column.'' Terwijl ze onderling verder schelden en bedenken wat ze gaan doen, druip ik af naar een andere coupé, eentje dichtbij de conducteur. Snel doe ik nog een schietgebedje `laat ze alsjeblieft niet in Rotterdam uitstappen'. En gelukkig, de goden zijn me goed gezind. De jongens stappen uit in Den Haag. Eén van de macho's geeft nog een harde tik tegen mijn raam, maar daar is alles mee afgedaan.

Dinsdag. Ik heb toegezegd telefonisch deel te nemen aan een radiogesprek op de NMO, de Nederlandse Moslim Omroep. De uitzending is in zijn geheel gewijd aan de Amazigh-bevolking. Voor mij een uitstekende kans om nogmaals duidelijk te maken wat wel de bedoeling, en wat vooral níet de bedoeling van mijn column was. Na een vurige aanval van `de andere kant' word ik simpelweg uit de lucht gehaald. Ik werd de grond in getrapt en kreeg geen kans om een weerwoord te geven.

Woensdag. Half verdoofd door acht uur school loop ik de metro uit, wanneer ik iemand mijn naam hoor roepen. Het is een oude Marokkaanse vriendin die ik al een tijdje niet gezien heb. Na een snel ,,Hoe is het met je ouders, broers en zussen?'' stapt zij over op `wat ze nu weer heeft gehoord'. Buiten de tekst ,,geen slimme zet'', ,,je bent de lul'' en ,,hoe kon je nou zo dom zijn?'' zijn het de woorden ,,ze zijn naar je op zoek meid, kijk je goed uit?'' die me echt raken. Zij kreeg van verschillende mensen al de volle laag, simpelweg omdat ze mij kende.

Donderdag. In het computerlokaal op school bekijk ik snel mijn e-mail. Na zes mailtjes van kwade Berbers netjes te hebben beantwoord, besluit ik de overige niet te lezen. Wanneer ik 's avonds depressief besluit toch iedereen netjes antwoord te geven, schrik ik me wezenloos van de bedreigingen. `We maken je af, hoer' en `Als ik je op straat zie trap ik je in elkaar' zijn slechts enkele voorbeelden.

Vrijdag. Het is koopavond in Rotterdam. Grote groepen hangjongeren staan hier en daar te praten op de Lijnbaan. Ik haast me naar de boekenwinkel wanneer een jongen me aanhoudt. ,,Ben jij niet dat meisje van die column in de NRC?'' Knikkend probeer ik langs hem heen te lopen. Snel grijpt hij me aan mijn arm en spuugt in mijn richting. Ik weet zijn gore kwakje net te ontwijken, en hobbel snel verder.

Zaterdag en zondag. Ik denk rust te hebben. Ik moet werken in een restaurant waar zelden Marokkanen komen. Terwijl ik zondagavond de bar sta schoon te maken trilt mijn telefoon in mijn broekzak. Een sms van een oude vriend. ,,Die column van jou kan echt niet, trut. Ik hoef je nooit meer te zien.''

De schrik zit er bij mij goed in. Maanden geleden stonden de kranten al vol met leuzen als `je kunt niet meer zeggen wat je wilt', maar ik wilde en kón daar niet aan toegeven. Nu kan ik niet anders. Ik baal dat ik zo'n grote groep mensen tegen me in het harnas heb gejaagd, alleen maar omdat zij mijn stijlmiddel niet begrepen, we waren het immers eens. En op dit moment kan ik niet anders dan bezwijken onder de druk. Ik durf niet meer te schrijven wat ik wil. Met gemengde gevoelens en een brok in mijn keel stop ik.