HET GEHEIM VAN LEICESTER

In 2011 is Leicester waarschijnlijk de eerste zwarte stad van Groot-Brittannië met een Aziatische burgemeester en een gemeenteraad met moslims, Hindoes, Sikhs en een handjevol christenen.

Toch zijn er nog nooit etnische rellen geweest, zoals in andere Engelse industriesteden.

Na de aanslagen in Londen nam ook hier de spanning toe, maar de harmonie werd (nog) niet verbroken.

Kunnen wij hier wat van leren?

Veertig jaar geleden stond Leicester, in de Engelse West-Midlands, nog op de kaart als welvarende industriestad. Het was rijk door zijn schoenen- en textielfabricage en beroemd om zijn Imperial schrijfmachines, de naam in goud op zwart. De schrijfmachinefabriek staat er nog, maar maakt allang geen schrijfmachines meer. De schoenen- en de textielfabricage zijn verdwenen naar de lage-lonenlanden, met uitzondering van de textielateliers die ondernemende Indiërs in de stad gevestigd hebben. Leicester (285.000 inwoners en twee universiteiten) is nu beroemd om iets anders. Volgens demografen zal het bij de volgende jaartelling, van 2011, de eerste zwarte stad in het Verenigd Koninkrijk zijn. Geen blanke, Britse stad meer, maar de woonplaats van een meerderheid van migranten en in Engeland geboren 'minderheden' in alle schakeringen van bruin tot zwart.

Nu al is Leicester cultureel de meest diverse gemeenschap op de Britse eilanden. Sinds 1987 vaardigt de stad een Aziaat af naar het Lagerhuis. In 2011 zal de stad vermoedelijk een Aziatische burgemeester en wethouders hebben en bestuurd worden door een gemeenteraad met overwegend Afro-Caraïbische West-Indiërs (christenen), Somaliërs (moslims), tweede of derde generatie-Punjabi's en -Gujarati's (Hindoes, Sikhs en moslims) en tweede of derde generatie-Bangladeshi's en -Pakistani (moslims). De Engelsen met hun witte gezichten en hun christelijke gedachtegoed zullen zich hiernaar hebben te schikken. Leicester is waarschijnlijk de voorloper van veel industriesteden in Europa, ook in Nederland. Kunnen wij wat van Leicester leren?

Met die vraag gingen we op pad. De eerste keer, dit voorjaar, bood de stad een beeld van ogenschijnlijke harmonie, waar andere Engelse steden met afgunst en bewondering naar kijken. Maar toen kwam 7 juli. Vier gewone jongens uit Leeds en Luton reisden met een rugzak vol explosieven naar Londen en bliezen zichzelf en 52 medeburgers op in drie metrotreinen en een bus. Twee weken later, op de 21ste, deden vier jongens uit Londen een vergelijkbare poging, maar de ontstekingsmechanismen faalden. Sindsdien is de sfeer in Groot- Brittannië gespannen. Iedereen met een Aziatisch uiterlijk, moslim, Sikh, Hindoe of agnost, weet dat hij extra scherp bekeken wordt.

'Van nu af aan spelen we het spel anders', zei premier Blair en kondigde een tien punten-plan aan om met behulp van de moslim-gemeenschap een einde te maken aan de vervreemding die veel jonge moslims kennelijk voelen van de Britse samenleving. De Moslim Council of Britain, een gematigde, maar conservatieve koepel van 400 islamitische moskeeën en andere gesprekspartners van de regering, heeft in grote lijnen zijn zegen gegeven aan het plan. De Raad belooft bijvoorbeeld controle op de kwaliteit van imams en op de inhoud van hun boodschap. Maar juist daarom beschouwen veel jongeren onder de 1,6 miljoen moslims in Groot-Brittannië diezelfde Moslimraad niet als de vertegenwoordiger van hun belangen. In het hele land is de discussie over Britishness inmiddels in volle hevigheid losgebarsten. De moslimjongeren voelen zich bedreigd door de opvatting van veel 'inheemse' Britten dat het uit moet zijn met de multiculturele samenleving en dat iedereen 'Britse normen en waarden' moet aanhangen. De jongeren eisen van de mcb dan ook een strijdbaarder opstelling.

Tegen die achtergrond keren we terug naar het vredige Leicester. Wat is er veranderd? Ja, men is geschrokken, maar van de spanningen die elders in het land voelbaar zijn, is hier nog steeds weinig te merken. Iedereen herhaalt wat we de vorige keer in koor te horen kregen: Leicester is in dat opzicht uniek. Hoe is dat mogelijk? Wat is het geheim van Leicester?

Geschoolde middenklasse

Overal in de Midlands en verder naar het noorden liggen steden met hetzelfde industriële verleden als Leicester, even troosteloos verlaten, even bevolkt door de nazaten van vroegere arbeiders uit voormalige Britse koloniën die in die grote fabrieken werk vonden. Bradford, Burnley, Oldham, allemaal waren ze de afgelopen vijftien jaar toneel van ontwrichtende en aanhoudende rassenrellen, voor het laatst in de zomer van 2001. In Leicester vond in die tijd slechts één incident plaats, toen een paar moslimjongeren een joodse begraafplaats schonden. Moslimleiders grepen meteen in.

Een aantal zegslieden in Leicester vertelde ons bij wijze van grap dat de ingewikkelde etnische, culturele en religieuze puzzel in de stad valt samen te vatten als 'de Hindoes haten de moslims, de moslims haten de Hindoes en iedereen haat de Somaliërs'. Maar zelfs na de aanslagen op de Twin Towers in 2001 was er in Leicester geen publieke agressie tegen moslims, zoals elders in Engeland en Europa. En na de voor vele Indiërs even ontwrichtende aanslag op de Hindoetempel in Gujarat, een jaar later, ontstond er in Leicester geen zichtbare vete tussen Hindoes en moslims. En de dag na de tweede serie aanslagen in Londen kwamen in Leicester ruim duizend mensen opdagen voor een 'verzoeningsdemonstratie'. Daarmee leek de druk voorlopig van de ketel.

Professor Richard Bonney is van huis uit dominee in de Anglicaanse kerk, maar nu directeur van het Centre for the History of Religious and Political Pluralism aan de Universiteit van Leicester. Vorig jaar publiceerde hij From Qu'ran to Bin Laden, een boek over het concept 'jihad' in verschillende islamistische gemeenschappen en de manier waarop moderne moslimterroristen dat misbruiken. Bonney schrijft de uitzonderingspositie van Leicester toe aan een combinatie van feiten: vooruitziend beleid van het gemeentebestuur dat in de jaren zeventig en tachtig met de massale instroom van Aziatische immigranten uit Oeganda en andere Afrikaanse staten werd geconfronteerd; de omstandigheid dat die Aziaten veelal uit geschoolde middenklasse bestonden en uiteindelijk ook aan 'puur geluk tot nu toe'. Maar mochten er meer terreuraanslagen volgen, dan houdt ook hij zijn hart vast voor de onderlinge verhoudingen. Er zijn grenzen aan elke tolerantie.

'Leicester heeft vanaf het begin een ongelooflijke veelvoud aan multiculturele overlegorganen ontwikkeld', zegt Bonney. 'Er zijn vertegenwoordigende organisaties voor elke denkbare groepering, plus formeel interreligieus overleg en wat dies meer zij. Dat betekent dat spanningen meteen een uitweg kunnen vinden. Maar als je goed kijkt zitten in die organisaties steeds dezelfde mensen. In feite leven mensen hier gewoon langs elkaar heen, ieder in zijn eigen buurt, ieder binnen zijn eigen cultuur. Multicultureel is niet intercultureel en dat baart mij zorgen. Want daar moeten we het op den duur toch van hebben.'

Sari-winkels

Belgrave Road, met zijn identieke zijstraten vol eenvormige rijen arbeiderswoningen, is niet langer een Coronation Street maar Klein-India. Langs de zogeheten Golden Mile wemelt het van de juweliers, sari-winkels, curry-restaurants in vele variëteiten en newsagents waar stapels kranten in krullerig schrift naast de Engelse Times en de plaatselijke Leicester Mercury liggen uitgestald. Wandelend door het aan Belgravia grenzende volkspark zien we één blanke vader met zijn zoontje voetballen. Verder is het één gewemel van bruine jongetjes die cricket spelen, met één slaghout voor een hele groep.

In deze wijk scheiden de geesten zich bij een internationale cricket-wedstrijd volgens gecompliceerde patronen van aanhankelijkheid. Ibrahim, een moslim-kind van Indiase ouders die dertig jaar geleden uit Malawi naar Leicester zijn gekomen, is bij een cricket-wedstrijd India-Pakistan voor Hindoe-India, 'want ik ben van Indiase afkomst'. Speelt Engeland tegen een ander nationaal team, dan is hij voor Engeland, 'want ik ben Engels'. Als het Engeland tegen India is? 'Dan ben ik voor allebei.' En Engeland tegen Pakistan? 'Voor Engeland natuurlijk.'

Een voormalige Methodistenkerk, een kast van een gebouw in foeilelijke oranjerode baksteen, heet nu trots het Belgrave Community Centre. Hier verzamelen zich de lunchclubs, de kaartclubs, de tafeltje-dekjes en de kleine meisjes die Aziatisch dansen leren. Eenzame oude dames, die geen woord Engels spreken, keuvelen hier met streekgenoten in het Hindi of Punjabi. Oude mannen doen hetzelfde in hun eigen kring. Wie niet voor zichzelf kan zorgen, wordt gehaald en gebracht met een busje op kosten van de belastingbetaler. Geen stad heeft zoveel buurthuizen als Leicester: elke wijk zijn eigen buurthuis, voor zijn eigen groep. Belgrave Road voorziet de Hindoes en de Sikhs, Spinney Hill de daar huis-aan-huis wonende moslims, Braunstone de blanke onderklasse van arbeiders die niet meer werken en nergens meer in geloven.

In het buurthuis van Belgrave maakt een videoteam (afdeling culturele zaken van de gemeente) opnamen voor een project 'gesproken geschiedenis' dat het verleden van de Aziatische gemeenschap voor het nageslacht moet bewaren. Subsidie komt uit nationale loterijgelden, steun van het East Midlands Economic Network.

Mr Harish, midden veertig, heeft voor de opname zijn nette pak aangetrokken. De interviewster vraagt gedetailleerd naar zijn ervaringen: waar hij is geboren (Oeganda), waar zijn ouders oorspronkelijk vandaan komen (Gujarat in India), welke herinneringen hij heeft aan Oeganda, onder welke omstandigheden hij naar Engeland kwam.

Als hij mocht kiezen, zegt Mr Harish, zou hij zo weer in Oeganda geboren willen worden. Hij acht zich very fortunate dat hij is opgegroeid in Jinja, '10 mijl van de bron van de Nijl en een uitnemende plaats om te wonen: je had er suikerfabrieken, zoutfabrieken en olie en mijn moeder zei altijd: als je je vinger in de grond stopt, dan groeien er morgen takken uit'. Zijn Indiase en Afrikaanse onderwijzers op de school van de plantage-eigenaar kan hij nog bij naam noemen: 'Ik zegen ze in gedachten: Mrs Da Costa voor Engels, Mr de Souza die zo mooi ?uit speelde. Hun discipline was hard, maar dat was juist goed.'

Toen Idi Amin alle Aziaten het land uitgooide, 'hadden wij het geluk dat we naar Engeland konden komen. Van Engeland wist ik niets behalve Simon Templar en de Saint.' Twee jaar woonde hij in een kampement voor Britse Aziaten en zwoegde in elke baan die hij kon krijgen, om zijn schulden af te lossen aan het familielid dat zijn reiskosten had voorgeschoten. Maar Mr Harish noemt de Britse opvang van Oeganda's Aziaten nog steeds 'prijzenswaardig'. 'Ik zeg nog altijd tegen mijn kinderen: wees blij dat je hier woont, want je krijgt een opvoeding op kosten van de belastingbetaler. In Afrika is een goede opvoeding heel duur en niet iedereen kan die betalen, zeker niet mijn vader die een winkel had en acht kinderen. Maar ja, tegenwoordig worden kinderen al jong ondergedompeld in technologie: video's, plasma-televisies, luxe-dingen. Dat leidt soms tot misdadig gedrag, want status is voor hen belangrijk. Die kinderen hebben geen respect, geen respect voor hun eigen cultuur. Daarom is mijn jeugd in Oeganda een droom voor me, een goede droom die maar kort heeft geduurd.'

Als Mr Harish is vertrokken, zegt cameraman Bharat Valand, een jonge Hindoe: 'Iedereen heeft hier twee culturen: één voor thuis en één voor buiten. Die voor buiten laat je zien aan anderen, aan je vrienden op school. Als je Leicester vergelijkt met andere steden, dan is het bijzondere hier dat er zo gehamerd wordt op open minds. Op mijn lagere school zaten veel Aziaten, maar ook Jamaicanen en blanken. Vanaf de eerste schooldag was het om die reden féést: al die verschillen, in uiterlijk, in soorten eten, in feestdagen en rituelen, werden gebracht als iets fantastisch, als iets waar andere mensen jaloers op waren. Zo leer je al als klein kind wennen aan mensen die anders zijn. Dat integreert je. Het is de enige manier: zo vroeg mogelijk beginnen. Ik was laatst in Skegness en dat was een schók! Daar wonen geen minderheden. Daar werd ik op straat nageroepen!'

Ongevraagd zegt later die week de joodse lerares die op het maximaal gemengde Moat Community College voor een hele klas moslim-teenagers de geheimen van het grootwinkel-bedrijf staat uit te leggen, precies hetzelfde: 'Ik voel me als jodin in Leicester veiliger dan in een blanke middenklasse-omgeving, die zogenaamd zo niet-racistisch is, maar nog nooit is blootgesteld aan anderen dan zijzelf.' Daar staat het verhaal tegenover van de orhodoxe rabbijn Schmuly, voorman van de kleine joodse gemeenschap in de stad: 'Ik zie eruit als een jood, ik kleed me als rabbijn, ik ben in mijn gezicht gespuwd en gestompt en uitgescholden door moslims hier. Het enige goede is dat er in Leicester mechanismen zijn die dat soort gedrag meteen signaleren en inperken.'

Men laat niets doorzieken in Leicester, zegt de rabbijn.

Knuffel-imam

Ons oorspronkelijke plan was om onder te duiken in drie wijken: de blanke arbeidersgemeenschap van de buitenwijk North Braunstone, de Hindoewijk rond Belgrave Road en de moslimwijk Spinney Hill. Twee jaar geleden publiceerde de Society for Intercultural Understanding Leicester een onderzoek naar de mate van cultureel begrip tussen de bewoners van deze buurten. Tweeduizend bewoners kregen de volgende vragen voorgelegd:

'Moet de ene cultuur mengen en interactie hebben met de andere?' en 'Heeft u in enig opzicht iets gemeen met een andere cultuur?'

De resultaten waren onthullend: met uitzondering van de moslims van Spinney Hill bleken de inwoners in meerderheid voorstander van culturele interactie. Maar als het op de praktijk aankwam, ontkende de blanke arbeiderswijk Braunstone iets gemeen te hebben met andere culturen, terwijl Spinney Hill en Belgrave daarover geen mening zeiden te hebben. De onderzoekers concluderen dat het, vooral in de blanke arbeiderswijk, nog heel wat moeite zal kosten om mensen te activeren.

Maar ons simplistische plan om de opvattingen binnen de verschillende wijken ter plekke te testen, blijkt onuitvoerbaar. Mensen zijn beleefd, maar gesloten. Noch in Braunstone, noch in Spinney Hill is spontane toegang mogelijk op lager niveau dan dat van de plaatselijke 'leiders' van de gemeenschap - al dan niet zelfbenoemd. Dat betekent dat we ons aanvankelijk door een brij van naar elkaar verwijzende gezaghebbers heen moeten worstelen, waarbij het voor moslimleiders vaak lastig blijkt open te spreken met een vrouwelijke journalist.

Sheikh Ibrahim Mogra hoort niet tot die categorie. De 39-jarige imam is een innemende, welbespraakte, naar zijn ambt geklede moslim die geniet van zijn toenemende contacten met de media en zijn rijzende ster-status. Hij is de knuffel-imam van Leicester, die graag door de Muslim Council of Britain naar voren wordt geschoven als het aanvaardbare gezicht van de geloofsgemeenschap. Na de aanslagen was hij meteen één van de gesprekspartners van de regering, een positie die hem verdacht maakt bij een deel van de moslim-achterban. Achter de schermen moet Mogra vaak vechten om zijn ambtsgenoten te overtuigen van het nut van zijn activiteiten. Of het nu de bbc is die in een moskee wil filmen, of Nederlandse journalisten die over de integratie van moslims in Leicester willen praten: het is bedreigend, het is lastig en het is vreemd.

Bij onze eerste ontmoeting, de afgelopen winter, bespraken we het Nederlandse incident van de imam die minister Verdonk geen hand wilde geven. 'De imam had gastvrijheid moeten laten prevaleren boven het veroorzaken van een incident en de minister had zich niet in zo'n confronterende situatie moeten laten manoeuvreren', was toen Mogra's commentaar. Enkele maanden later werd Mogra door minister Verdonk naar Nederland gehaald om haar te adviseren over de wenselijke opleiding van imams. Zijn advies is simpel: het is prima om de opleiding van imams en van hun werkzaamheden te controleren en inspecteren, maar de religieuze inhoud moet aan moslims zelf worden overgelaten. 'Je kunt theologen opleiden volgens bepaalde vereisten, maar je kunt een dominee niet vertellen wat hij 's zondags in de preek moet zeggen.'

Vanmorgen krijgen we van Ibrahim Mogra een rondleiding door de gigantische, gloednieuwe, in de zon blinkende Masjid Umar. De moskee, met zijn koperen koepel en zijn minaret, overschaduwt met gemak de fiink uit de kluiten gewassen negentiende-eeuwse St. Philip's Church aan de overkant. De woonbuurt van keurige huizen-met-voortuintjes is veranderd in een wijk van huizen met parkeerplaatsen voor de erkers: moslimgezinnen hebben het niet zo op tuintjes. De kerkbestuurders van St. Philip's hebben een deel van de hal verhuurd als wijkcentrum-plus-kinderopvang. De kerkruimte zelf is na een zegenrijke brand met het geld van de verzekering gemoderniseerd en kleiner en functioneler gemaakt. Toch durven de moslimmoeders die hun kinderen komen brengen en halen veelal nauwelijks de drempel over. Het kerkbestuur heeft het kruis moeten camoufleren omdat het gebouw anders niet 'intercultureel' gebruikt kon worden.

Groot is de tegenstelling tussen dat nieuwe, triomfantelijk oprijzende religieuze uitroepteken voor de islam, wiens gelovigen op hoogtijdagen soms tot buiten op de stoep moeten bidden, en het gedateerde kerkgebouw met zijn slinkende congregatie van enkele tientallen. De zondagsdienst in St. Philip's heeft een hoog doe-het-zelf-gehalte, waarbij de vrouwelijke deeltijd-dominee op en neer snelt van altaar naar orgel en weer terug. De gemeenteleden zijn dol op dominee Diana Johnson, maar vragen zich bezorgd af wat er met hun kerkgemeenschap zal gebeuren als zij over twee jaar zestig wordt. Johnson geeft grif toe dat één stevige griepgolf haar bejaarde congregatie met gemak kan halveren. Een collega van haar, presiderend over vier leeglopende binnenstadskerken, schetst een toekomst waarbij christelijke geloofsgemeenschappen zullen terugkeren naar hun allereerste begin: samen bijeen in een huiskamer, met misschien een rondreizende dominee voor de geestelijke voeding. Het ene jonge gezin dat we op zondagmorgen bij de kerkdienst in St. Philip's aantreffen, wordt door de gemeente dan ook gekoesterd en vertroeteld.

Madrassa

In de moskee aan de overkant zetten Britse schoolkinderen op excursie van de grammar school uit een nabijgelegen provincieplaats - geen niet-blank gezicht te bespeuren - hun sportschoenen in de schoenenkast. De meisjes frunniken met de sjaaltjes waarmee ze hun hoofd moeten bedekken. In een hoek van de immense hal zit een collega van Mogra op de grond voor een halfgeopende deur, een boek opengeslagen op de knieën. Hij praat door de kier naar binnen. Daar zitten geheel in het zwart gehulde vrouwen, die van deze sjeik koranles krijgen. Uit religieuze fatsoensoverwegingen mogen leraar en leerlingen - andermans echtgenotes - elkaar niet zien.

Mogra vertelt de schoolkinderen over de madrassa, de koranschool, waar moslimkinderen na hun normale school elke dag een aantal uren naartoe gaan. De bommenleggers van de Londense aanslagen zijn wellicht beïnvloed op zulke madrassa's, soms tijdens familiebezoek in Pakistan, soms omdat militante imams als die van de beruchte Finsbury Park-moskee in Londen jarenlang hun fundamentalistische gang konden gaan. Volgens professor Richard Bonney zitten moslimkinderen op madrassa's in het algemeen te lang vast in het leren van rituele koranteksten in een Arabisch dat ze niet begrijpen of spreken. 'Daardoor missen ze de aansluiting met het leven van alledag en de relevantie voor de maatschappij waarin ze leven'.

Mogra legt de bezoekende klas uit wat een madrassa voor hem is. 'Zoiets als een zondagsschool, alleen moeten we dat hier zelf doen, want Engelse scholen kunnen kinderen niet het Arabisch van de koran leren lezen.'

Later die week bezoeken we zo'n koranschool. We mogen pas binnenkomen als Mogra's zuster, die een van de jongere klassen lesgeeft, haar gezichtssluier voor heeft. In een andere klas presideert een mannelijke docent over twaalf grotere kinderen die alleen of in groepjes de koran reciteren, wiegend als orthodoxe joden bij de Klaagmuur. 'Het helpt ze in het ritme komen en het helpt ze onthouden', zegt Mogra. 'Mijn kinderen doen het soms ook bij andere onderwerpen.' Het verwijt van Richard Bonney maakt hem boos. Het is niet waar, zegt hij. Een schoolhoofd van een islamitische school in Leicester zegt later iets soortgelijks: 'Ik vind dat de Engelse staatsscholen kinderen juist slechter toerusten voor hun verdere leven. Wat die aan morele en spirituele waarden meekrijgen om later juist in het leven te kunnen staan, is pover. Dát systeem laat kinderen in de steek.'

In de moskee wijst Mogra de schoolkinderen op de Arabische welkomstgroet boven de deur ('Our Lord, open the doors of your mercy for us'). 'Wel 2.500 mensen komen hier elke dag naartoe. Dit is het Huis van Allah. Vijf keer per dag zijn er gebeden en dat bidden, dat is onze jihad.' Het woord valt als een bom. 'Jihad heeft niets te maken met vechten of doden, jihad is je best doen, worstelen om een beter iemand te worden.'

Mogra zegt dat hij bezoekers ontvangt in de moskee om te laten zien dat moslims in Leicester niets te verbergen hebben, dat ze zich niet willen afsluiten van de rest van de wereld en dat ze ook openstaan voor het democratisch proces. 'Sinds 9/11 zijn er een heleboel mensen die moslims geen goede mensen vinden. Dat is erg oneerlijk, want 99,9 procent van ons gelooft in vrede en wil vriendschap met joden, met Hindoes, met christenen en ook met die mensen hier die niets geloven.' Maar voor wie spreekt hij, als hij zegt: 'Alle door mensen gemaakte wetgeving is van God gegeven en daarom hoef je je daar als moslim niet van af te wenden. Wij zijn bezig ons te engageren. Maar onze deelname aan de westerse wereld is nog recent. Geef ons tijd en we omhelzen de democratie net zo!'

Als ik hem na de aanslagen in Londen nog eens opzoek, zegt hij dat het anders was dan na 9/11. 'Mensen hebben ons sindsdien veel beter leren kennen.' Ik leg hem de kritiek van sommige van zijn geloofsgenoten voor, die zeggen dat hij en zijn collega's van de Britse Moslimraad spionnen worden voor de Britse inlichtingendiensten. 'Wij weigeren dat te zien als spioneren. Iedere moslim heeft de zedelijke en burgerlijke plicht om het kwaad in eigen gelederen uit te roeien. En wanneer die antieke imams van het platteland langzamerhand uitsterven, zul je dat van de jongere imams ook steeds meer horen.'

Ook over het debat over Britishness heeft Mogra uitgesproken opvattingen: 'Ik bén Brits! Het is een heilloos debat. Moslims die zich houden aan de wetten van dit land kunnen niet verplicht worden hun identiteit op te geven, zich een bulldog aan te schaffen en zich lam te zuipen in het weekeind om hun Brits-zijn te benadrukken. Zij zijn Brits op hún voorwaarden. Ze gaan naar de moskee, ze kleden zich anders, maar de ene identiteit is niet superieur aan de andere.'

Hoe langer we in Leicester zijn, hoe wantrouwiger we worden. Wie we ook spreken, de toon is er een van meedogenloos optimisme. Neem schoolhoofd Freda Hussain, directeur van een havo-vwo-school van ruim duizend leerlingen, verdeeld over zeventien etnische groepen, achttien talen en tien religies. We weten dat er buiten deze school onlangs een vechtpartij is geweest tussen Somaliërs en West-Indiërs, waarbij de politie tussenbeide moest komen. Oorzaak: vermeend gebrek aan respect voor een meisje door een jongen uit de andere groep.

Als je daar met haar over probeert te praten, zegt ze: 'Wij bespreken dat met de betrokkenen, maar we benadrukken dat soort dingen niet. Wij wijzen binnen deze school altijd op de positieve aspecten in het leven van de leerlingen. Niemand heeft een achterstand, iedereen heeft een opportunity. Wie een andere moedertaal meebrengt, is een talenwonder. No-hopers ? Kansloze jongeren? Die kennen we hier niet. Wij schrijven niemand af.'

Een verwarrende hoeveelheid bijspijker-uren, speciale behoeften-bijeenkomsten, ouders-binnen-de-school-halen-sessies en deel-onderwijsmogelijkheden wordt over ons uitgestort. Duur? O zeker, maar Freda Hussain kent inmiddels alle subsidiepotjes die er bestaan. 'Het geld krijg ik altijd bij elkaar!' Trots van de week is een Somalische leerling, net twee jaar in Leicester, die zojuist is toegelaten tot de befaamde kostschool Eton en om die reden met foto tot in de landelijke kranten heeft gestaan, als een voorbeeld van wat immigranten in dit land kunnen bereiken. Freda Hussain of haar school zien we in tien dagen Leicester viermaal met iets positiefs vermeld in de Leicester Mercury: de Somaliër die naar Eton mag, een groep leerlingen die een liefdadig initiatief heeft ontplooid, een klas die een prestatie heeft geleverd, een leerling die een reizende anti-oorlog-tentoonstelling van het British Museum naar de school heeft weten te krijgen.

Zelfs de Leicester Mercury, die aan het begin van de jaren zeventig-immigratiegolf van Aziaten nog racistische doemartikelen schreef over 'golven immigranten' die de plaatselijke blanke bevolking uit hun huizen zouden verdrijven en zich zouden mengen met hun blanke dochters, diezelfde Leicester Mercury slaat nu ook bewust een onverdeeld positieve toon aan. De krant heeft een multicultureel panel dat tevoren inzage krijgt in artikelen en ingezonden brieven die mogelijk aanleiding zouden kunnen geven tot rassenhaat. We vragen ons af: is het geheim van Leicester misschien dat iedereen weigert een conflict een conflict te noemen? Dat collectief de blik gericht is op een positieve uitkomst van een riskant experiment, dat niet mág mislukken?

Praatjes maken

Het is zondagmiddag, het is koud en het regent. Twee politie-agenten te voet doen hun ronde over de St. Matthews-estate. Dit is de buurt waar de gemeente nieuwkomers zonder inkomen - asielzoekers, vluchtelingen en ander los goed - als eerste onderbrengt. Het is geen vrolijk oord: wat nieuwbouw, een schamel rijtje armelijke winkels, lelijke betonnen galerijflats rond zowaar een parkje. Kinderen en jonge jongens hangen rond, twee Afrikanen drinken zich op een bankje suf aan bier. De politie heeft hier een eigen mini-buurtbureau van vier man. Het zit in hetzelfde gebouw als het gezondheidscentrum, handig. Want de politie wordt door de meeste nieuwkomers niet van nature als vriend gezien. Het beleid is dus veel gedag zeggen en praatjes maken.

Dit is de buurt waar in de afgelopen twee jaar ten minste 10.000 Somaliërs zijn neergestreken, bijna allemaal streng-islamitisch, bijna allemaal met een Nederlands paspoort. Auto's met Nederlands nummerbord laden wekelijks huisraad uit, en jonge Somaliërs lopen rond in voetbalshirts van clubs uit Nederland. Als we op straat mensen aanspreken krijgen we antwoord in het Nederlands met Tilburgs of Nijmeegs accent. Die rare bijzonderheid maakt ons allemaal aan het lachen en verbroedert zo dat de fotograaf toch die mensen mag fotograferen, die eerst resoluut werden afgeschermd.

Na nieuwkomers als Bosniërs en Kosovaren in de jaren negentig en een recentere influx van Irakezen, Afghanen, Zimbabweanen en Koerden, vangt Leicester ook deze Somaliërs op. Ze hebben sinds hun komst al drie eigen moskeeën gesticht - in voormalige pubs - maar ook bijna veertig kleine bedrijven opgezet, van een reisagentschap dat reizen naar Mekka verzorgt, tot groentezaken, telefoonwinkels en een meubelbedrijf. Keer op keer krijgen we van Nederlands sprekende Somaliërs uitgelegd: Nederland is een mooi land, Nederland is een gastvrij land, maar Nederland zegt tegen Somaliërs vooral wat ze allemaal niet mogen en niet kunnen.

'Mijn kinderen willen dokter worden, zij zeggen: dat kan niet. Zij zeggen niet: je moet door die deur gaan om dat wel te kunnen', legt een Somaliër uit. De perceptie is: Somaliërs worden in Nederland bij voorbaat gedumpt door het systeem. In Engeland is meer hulp, van overheid en particulieren, en het opzetten van een eigen bedrijf is doodsimpel. De directeur van een economisch ontwikkelingsbureau Business to Business, Abdul Osman, zal dat later beamen: zijn organisatie, die drijft op een subsidie uit het Europees Sociaal Fonds, heeft een Somalische functionaris in dienst genomen die ervoor zorgt dat - een voorbeeld uit vele - een Somalische arts niet langer de vloer aanveegt in een ziekenhuis, maar nu bij de bloedbank werkt en noodzakelijke kwalificaties haalt om zijn eigenlijke werk te kunnen hervatten. Anderen beginnen een bedrijf.

Dat laatste trouwens zéér tot ongenoegen van de West-Indiërs, die, zegt gemeenteambtenaar Paul Winstone, in de veertig jaar dat ze in de buurt wonen misschien één bedrijf per jaar hebben geopend. West-Indiërs zijn van nature geen ondernemers, terwijl Somaliërs ambitieus zijn voor zichzelf en voor hun kinderen.

Er zijn dus vechtpartijen geweest, over territorium, over vrouwen, over de manier waarop de Somaliërs neerkijken op Afro-Caraïbiërs, die ze vanuit hun streng-islamitische opvattingen zien als goddelozen die hun geld verdienen met prostitutie en geen 'respect' betonen voor hun Somali-vrouwen.

'Maar we willen het ook weer niet dramatiseren', echoot Winstone de generale toon van met-zijn-allen-komen-we-daar-wel-uit. 'Daar moeten we gewoon wat beter bemiddelen, als we eenmaal door hebben wie daar namens wie spreekt. Wij zijn hier in Leicester tenminste gespaard voor spanningen tussen zwart en blank. De British National Party maakt hier geen enkele kans. Hier gaat het om spanningen tussen oude en nieuwe gemeenschappen en zulke processen hebben we eerder tot een goed einde gebracht.'

Winstone citeert een peiling waarin een meerderheid van 60 tot 70 procent zich plaatselijk uitsprak voor verdere bevordering van de multiculturele samenleving. 25 procent van de ondervraagden noemde zichzelf 'erg' of 'een beetje' racistisch. Volgens Winstone zijn dat 'de oudjes: die sterven vanzelf uit'.

Ratten

Aan Braunstone, de stadsuitbreiding voor arbeiderswoningen, op wel tien kilometer afstand van wijken als Belgrave en Spinney Hill, kun je nog zien dat de planners daarmee de aardigste bedoelingen hadden. De wegen door de wijk zijn breed en omzoomd door bomen en er is - alweer - een enorm park. Toch is dit een van de armste wijken in heel Engeland, een buurt van blanke no-hopers. Wat de gemeente hier aan huurhuizen heeft, is ze kort geleden óók gaan gebruiken voor immigranten. De buurt werd tevoren gewaarschuwd: als deze nieuwkomers het leven zuur zou worden gemaakt, dan liepen de bestaande huurders kans uit hun huis gezet te worden.

'Ik zag een verhuiswagen voorrijden, ik zeg: Ik zou hier niet intrekken, mate, want het sterft hier van de ratten', zegt Eddie, een werkloze man die in zijn tuin aan een boot schuurt. 'Heb ik meteen een straatverbod aan mijn broek. Maar er zítten ratten, nog steeds. En de gemeente doet er niets aan!'

Het straatbeeld is blank en stemt niet vrolijk. Drank en drugs, graffiti en vernielingen, een gebouwtje van de sociale dienst, ingepakt binnen puntige hekken en prikkeldraad.

De fish-and-chips-shop wordt gerund door twee bange Turken, de newsagent is een Pakistaanse familie, maar de Chinese take away en andere Aziaten zijn vertrokken en hun winkels zijn dichtgetimmerd. Ook hier is een wijk- politiebureau, maar het ziet eruit als een vesting, met enorme keien voor de toegang uit angst voor ram raiders, joy-riders die graag een gevel in puin rijden, vooral als er een geldautomaat in zit. 'Waar ik de pest over inkrijg', zegt Bill Law, een buurtbewoner, 'is dat ik voor het eerst in mijn leven naar de sociale dienst moest voor een uitkering en dat alle gezichten in de rij bruin of zwart waren. Dát zit de mensen hier dwars. Zij alles. Wij niets.'

Hij heeft in die zin gelijk dat de overheid pas in 1997 aandacht begon te besteden aan de problemen van haar inheemse bewoners. Sindsdien is er veel geld gestoken in de renovatie van het huizenbestand, maar de buurt is ontevreden. Te veel van dat geld, zeggen de plaatselijke vertegenwoordigers, is aan de strijkstok van de fat cats in de woningbouwvereniging blijven hangen. De huizen vertonen nog steeds mankementen. En voor de jeugd is er nog steeds niets, maar dan ook niets te doen.

Badminton

Een slotoordeel hangt soms af van kleine dingen. Bijvoorbeeld van de opmerking van Diana Johnson, de innemende dominee van de St. Philip's kerk, die zegt dat zij met andere geestelijken op de ochtend na 9/11 in de Umar-moskee stond om de plaatselijke moslims te vertellen dat zij hen niet verantwoordelijk hielden voor wat er gebeurd was in New York. 'We konden vanaf dat moment niet meer op onze tenen langs elkaar heen lopen, wat we zó lang hadden gedaan'. En van haar opmerking dat de overdonderende aanwezigheid van die moskee aan de andere kant van de straat ook een positief effect heeft gehad op haar en haar geloofsgemeenschap. 'Waarom zijn wij christenen zo lauw? Waarom geloven wij wat wij geloven?'

En dan was er die ontmoeting met het eindproduct van geslaagde integratie: het moslimgezin dat binnen één generatie uit zijn oude wijk geëmigreerd is naar de middenklasse-voorstad, met een tuin én een auto voor de deur, met kinderen die én naar voetbal en rugby gaan, én naar de koranschool, om de grootouders in de binnenstadswijk tevreden te houden. 'Maar niet elke dag!'

Met Fazila Hajat(40), een part-time ergo-therapeute, echtgenote van Faisal, jurist in lokale overheidsdienst, en moeder van Tahir (13) en Amirah (10), staan we aan de rand van een modderig voetbalveld en schreeuwen aanmoedigingen naar het team van Amirah. Die speelt de sterren van de hemel en maakt bijna een goal. Anderhalf uur geleden nog werd ze in lang zwart en met een hoofddoek om door haar oma afgeleverd bij een koranschool in de binnenstad, daar waar Fazila en haar drie zusters en vijf broers zijn opgegroeid. Bij oma en opa binnen mochten we wel fotograferen. In Amirah's koranschool niet.

'Ik wil niet', zegt moeder Fazila, 'dat religie mijn kinderen weerhoudt van wat ze willen doen. En ik wil dat ze opgroeien met blanke kinderen. Daarom zijn wij hierheen verhuisd.'

Ze noemt de talloze momenten dat moslim-vrouwen zich beperkt voelen: 'Als wij iets willen organiseren, moeten we dat eerst vragen aan de mannen. Via de moskee. Waarom is dat? Als de mannen een voetbaltoernooi organiseren, kun je als moeder niet zien hoe je zoon een medaille krijgt. Waarom? Ik mag geen badminton spelen, maar nergens is iets anders waar vrouwen fysiek fit kunnen blijven. Mijn schoonvader zou een toeval krijgen als hij wist dat ik naar Aziatische dansles ga. Dat ik zelfs naar muziek luister! Waarom moet ik me onzichtbaar maken? Waarom zouden wij niet een echt gezin mogen zijn, waarin mannen en vrouwen dingen samen doen?'

Fazila's vader heeft ons eerder een stapel wervende lectuur meegegeven met titels als De rechten van ouders, Vrouwen en kleding en De weg naar een gelukkig huwelijksleven. De dienstbaarheid van de vrouw wordt daarin ruim geïllustreerd, maar Fazila is schamper over de dubbele moraal van haar vader.

'Mijn vader zegt in zijn werk dingen tegen een vrouw als 'Hallo love, hoe gaat het vandaag?' En ik zou zelfs niet met een man mogen praten? Nee, mijn heldin is mijn moeder. Al haar dochters hebben iets van zichzelf gemaakt, tegen de wil van mijn vader en tegen de stilzwijgende veroordeling van de buurt in.' Als ik haar voor dit verhaal de bescherming van anonimiteit aanbiedt, kijkt ze me aan of ik het nóg niet heb begrepen. 'Noem mijn naam! Ik spreek uit naam van al die vriendinnen van vroeger die op hun plaats zijn gebleven. Ze zijn jaloers. Ze zouden allemaal willen dat ze hetzelfde hadden gedaan. En mijn moeder, die mij een spijkerbroek liet dragen onder mijn lange kleren, omdat ik zei dat ik niet wilde zijn als mijn vriendinnen die hem pas stiekem aantrokken als we in de stad waren. Je moet je eigen vervulling zoeken als persoon en je niet laten regeren door anderen, want dat kan God nooit hebben gewild.'

Als ik de familie na de aanslagen opnieuw opzoek, is vooral Faisal somber over de toekomst. Hij gelooft niet zo in het vermogen van de moslims om écht iets te doen aan het radicale element in hun gelederen. 'Ze kunnen niet eens omgaan met drank- en drugsgebruik. Dat ontkennen ze liever. Wij hebben geen mensen die de statuur hebben om bepaalde praktijken aan de kaak te stellen. In de moskee gaat het debat op dit moment over de vraag wat ons door de regering wordt opgelegd, niet over de vraag wat we zelf kunnen doen. Dus breekt er straks voor moslims en andere minderheden een periode van een nieuw McCarthyisme aan: Bewijs dat je onschuldig bent. Dat zal mensen meer verdelen dan wat ook.'

[streamers]

'De Hindoes haten de moslims, de moslims haten de Hindoes en iedereen haat de Somaliërs'

De dominee geeft grif toe dat één stevige griepgolf haar bejaarde congregatie kan halveren

'Wij kunnen niet verplicht worden ons een bulldog aan te schaffen en ons lam te zuipen in het weekend'

'Mijn kinderen willen later dokter worden, maar in Nederland zegt men: dat kan niet'

'Je moet je niet laten regeren door anderen, want dat kan God nooit hebben gewild'

Hieke Jippes is journalist in Groot-Brittannië.

Justin Jin is fotograaf. www.justinjin.com