Gods woordvoerder staat met de mond vol tanden

Het protest van soldatenmoeder Cindy Sheehan, aanhoudende tegenslagen in Irak en de orkaan Katrina: de afgelopen zomer kreeg president Bush klap op klap. Voor ex-Republikein en publicist Kevin Phillips was het allang duidelijk, maar nu weet heel Amerika het: 'De zwarte onderklasse is voor Bush niet meer dan een decor en een photo-opportunity'.

De zomer van 2005 is van beslissend belang geweest voor het presidentschap van George W. Bush, zegt Kevin Phillips. Eerst was er het protest van Cindy Sheehan, de moeder uit Californië wier zoon in Irak is gesneuveld. Sheehan sloeg haar bivak op voor de ingang van de Prairie Chapel ranch bij Crawford, Texas, waar Bush zich ieder jaar een maand terugtrekt, en weigerde te vertrekken voor ze van hem tekst en uitleg had gekregen over de zin van de oorlog. Haar aanvankelijk eenzame protest groeide uit tot een beweging die de president van zijn rust beroofde.

En dan was er de orkaan Katrina. Toen New Orleans veranderde in een half-verdronken stad bleef Bush op zijn ranch. Vier dagen lang liet de president die prat gaat op zijn compassionate conservatism niets van zich horen, de vijfde dag klapwiekte hij in een helikopter boven het rampgebied en sloeg hij op een verlaten landweggetje zijn armen om twee waarschijnlijk niet toevallig aanwezige Afrikaans-Amerikaanse kinderen.

Vakantievierder

Phillips: 'De draad die Cindy Sheehan met Katrina verbindt is de vakantie van Bush. Door Sheehan werd hij iedere dag herinnerd aan de oorlog in Irak, waarin hij verstrikt is geraakt. Eerst probeerde hij Sheehan te negeren, maar dat lukte niet. Ze dwong hem tot een tegenoffensief. En dus hield hij een aantal redevoeringen over nut en noodzaak van de oorlog, die niet aansloegen. Dat moet zijn humeur geen goed hebben gedaan. Hij was dus al van slag toen Katrina toesloeg. Volgens mij reageerde hij mede daarom zo traag op de orkaan. Hugo Chávez (de progressieve president van Venezuela, die geen mogelijkheid onbenut laat om Amerika uit te dagen, wat de Republikeinse televangelist Pat Robertson deze zomer tot het voorstel bracht om hem uit de weg te ruimen - MdG) noemde hem 'de koning van de vakantievierders'. Ik ben het nooit met Chavez eens maar nu wel.' Phillips lacht. 'Deze vakantie heeft de president geen goed gedaan.'

Kevin Phillips weet waar hij over praat. In de jaren zestig was hij een tegendraadse whiz kid die, 27 jaar oud, een klassiek boek schreef waarin hij de Republikeinse partij een zonnige toekomst van electorale overwinningen in het vooruitzicht stelde. Terwijl progressieve leeftijdgenoten demonstreerden tegen de oorlog in Vietnam of de tegencultuur omhelsden, wees Kevin Phillips Richard Nixon de weg met zijn profetische werk The Emerging Republican Majority, waarin hij 'een nieuw tijdperk in de Amerikaanse politiek' aankondigde. Het boek verscheen weliswaar net na de verkiezing van Nixon tot president in 1968, maar Phillips had het daarvoor al geschreven - het speelde een beslissende rol in de campagne. Phillips voorspelde in The Emerging Republican Majority het einde van de Democratische coalitie die Amerika sinds Franklin Roosevelt en zijn New Deal had geregeerd. Hij voorspelde ook dat de Republikeinen het Zuiden en het heartland van Amerika zouden veroveren door hun verzet tegen burgerrechten voor zwart Amerika, de explosief groeiende suburbanisatie van blank Amerika en de hardnekkige aantrekkingskracht van het gemeenschapsgevoel zoals dat werd beleefd tijdens kerkbijeenkomsten en op vee- en biermarkten.

Wealth and Democracy

Phillips diende daarna even in de regering-Nixon, verdween tijdens Jimmy Carter en Ronald Reagan uit beeld, om in 1990 een glansrijke comeback te maken met The Politics of Rich and Poor. Opnieuw was hij er in geslaagd een boek te schrijven waaruit gretig werd geciteerd, maar nu door het andere kamp.

De Democraten gingen ermee aan de haal, vooral vanwege de door Phillips geconstateerde groeiende kloof tussen rijk en arm in Amerika. Dat thema werkte hij verder uit in zijn meesterwerk, Wealth and Democracy (2002), een inktzwart boek over de 'culturele berusting in de enorme ongelijkheid tussen arm en rijk'. En over de corruptie van de Amerikaanse politiek; het politieke systeem dreigt volgens Phillips te bezwijken onder de steeds grotere invloed van het bedrijfsleven. Van Wealth and Democracy naar zijn laatste boek was maar een kleine stap. American Dynasty (2004) was een schotschrift tegen de huidige president en zijn voorgeslacht, wier 'machtshonger, nepotisme en morele arrogantie' volgens de auteur slechts worden overtroffen door hun 'heimelijk beleden minachting voor de Democratische en de Republikeinse traditie'.

Phillips (64) is dus zowel een kenner als een criticaster van het Republikeinse beleid van de afgelopen decennia. Zijn teleurstelling in de gop (de Grand Old Party, zoals de Republikeinse partij wordt genoemd) is groot; drie jaar geleden keerde hij de partij de rug toe om zich als onafhankelijk kiezer te registreren. Dat deed hij niet in Washington, waar hij jarenlang woonde, maar in Litchfield in de staat Connecticut, waar hij is neergestreken sinds hij - walgend van Bill Clinton en Newt Gingrich - in de jaren negentig zijn baan van politiek commentator inwisselde voor het onafhankelijke bestaan van publicist. Henry Kissinger, een oude bekende, woont in de buurt. Ze hebben sporadisch contact. Sinds hij permanent in Litchfield woont, schrijft hij gestaag aan een oeuvre dat laveert tussen provocerend pamflet en serieuze geschiedenis. Elf boeken heeft hij inmiddels op zijn naam staan, een twaalfde is op komst. Het gaat, zegt hij, over olie en godsdienst in Amerika.

Onderklasse als decor

Alle reden dus voor een interview, bestaande uit twee telefonische gesprekken. Het eerste vond plaats toen Cindy Sheehan net haar kamp tegenover het vakantieverblijf van de president in Texas had opgeslagen. Het tweede een week na Katrina, de orkaan die volgens Phillips permanente schade heeft aangericht aan Bush' presidentschap.

'Doordat Bush aanvankelijk niets ondernam en daarna in een helikopter klom, heeft heel Amerika opnieuw kennis kunnen maken met zijn karakter', zegt Phillips. 'Zijn hooghartige houding ten opzichte van de zwarte onderklasse is nu tot iedereen doorgedrongen. Vóór Katrina werd de onderklasse door hem, of door zijn adviseurs, op een slimme manier gebruikt. Hij ging er even langs voor een photo-opportunity, bijvoorbeeld door een huwelijk bij te wonen of een praatje te maken met gewone mensen op de veranda. De onderklasse diende als decor, om te laten zien dat hij zijn hart op de juiste plaats heeft. Na Katrina is dat in zijn tegendeel verkeerd. De zwarte bevolking van New Orleans die in zolderkamers en op daken om hulp roept, is nu bewijs voor zijn fundamentele onverschilligheid.'

'Bush kampt daardoor met een groot imagoprobleem. Dat stoelde sinds de terreuraanslagen (van 11 september 2001 - MdG) enkel en alleen op het zelfvertrouwen dat hij uitstraalde. Hij hield zich voor: God heeft een speciale bedoeling met mij, hij heeft mij uit de duisternis naar het licht gevoerd. He lifted me up. Hij waande zich Gods woordvoerder. En hij hield de bevolking voor: ik heb alle vertrouwen in mijzelf, jullie hebben geen reden dat te beschamen. Ik denk dat er van dat zelfvertrouwen weinig meer over is. God heeft zich al een tijdje niet meer tot hem gericht. De bevolking ziet nu weer die andere Bush, de president van vóór 9/11: een verwende man, die de capaciteiten mist om het land te besturen. Alles is deze zomer verkeerd gegaan voor hem. De oorlog in Irak, de steeds hogere benzineprijzen, Katrina. Allemaal kwesties die vragen oproepen waarop hij geen antwoord heeft. In schilderstermen: het portret is nog hetzelfde, maar de omlijsting is veranderd. En daardoor ziet het portret er ineens ook anders uit.'

Tweede termijn

Als ik opper dat het voor Bush maar goed is dat dit tijdens zijn tweede termijn gebeurt, spreekt Phillips dit tegen: 'Nee, het is voor presidenten traditioneel heel moeilijk nog iets van hun tweede termijn te maken als ze in het begin ervan met zoveel tegenslagen worden geconfronteerd. Als Bush dit tijdens zijn eerste termijn was overkomen had hij de aandacht kunnen afleiden door alles op alles te zetten voor zijn herverkiezing. Dat had discipline van hem en van zijn partij gevergd. Als er nu niet snel iets gebeurt waardoor hij weer aan populariteit wint, zul je zien dat partijgenoten afstand van hem gaan nemen. Dat proces speelt zich de komende zes tot acht maanden af. Daarvoor krijg je waarschijnlijk al een gestage stroom van tegenvallende opiniepeilingen. Eén voordeel heeft hij wel: de zwakte van de Democratische partij. Die is structureel. Er is bepaald geen krachtige oppositie.'

Phillips plaatst zichzelf in de gematigde 'Oostkust-vleugel' van de Republikeinse partij. Maar die was in feite eerder uit de partij en van het politieke toneel verdwenen dan hijzelf. De partij is overgenomen door het Zuiden van de Verenigde Staten, met twee ideologische vleugels: conservatief en oerconservatief. Een deel van het electoraat voelt zich daar niet toe aangetrokken, maar de Democraten bieden volgens hem geen alternatief. Beide partijen steunen sinds de jaren negentig 'reflexmatig de mensen met geld'. De Republikeinen doen dit, aldus Phillips, in 99 procent van de gevallen, de Democraten in 85 procent. John Kerry, de Democratische kandidaat bij de vorige verkiezingen, is getrouwd met een miljardair en vergroeid met 'het systeem'. Daar viel dus weinig weerwerk van te verwachten.

Radicalisering

In de jaren zestig leken de Democraten nog voor een ander traject te kiezen. Als reactie op de oorlog in Vietnam en de burgerrechtenstrijd in de Verenigde Staten radicaliseerde de partijbasis onder de presidenten John Kennedy en Lyndon Johnson. Phillips zag het met lede ogen aan en schreef zijn boek The Emerging Republican Majority. Daarin voorspelde hij dat het electoraat in het Zuiden en het Midden-Westen van het land zich door deze ontwikkelingen van de Democraten zou afkeren. Alleen het progressieve Noord-Oosten - de staten in New England - voelden er zich volgens hem wel bij. Dat had hij scherp gezien. Persoonlijk, zegt hij nu, stoorde hij zich destijds aan twee 'karaktereigenschappen' van Democratische tijdgenoten: 'Hun handenwringende houding ten aanzien van vrede en sociale rechtvaardigheid en hun bewondering voor en omhelzing van radicaal linkse randgroeperingen.' Nee, Phillips was in die jaren geen beroepsdemonstrant. Maar dat betekent niet dat hij een voorstander was van de oorlog in Vietnam. Hij vond, en vindt, dat Richard Nixon er veel te veel tijd en energie aan besteedde. Via zijn politieke mentor, voormalig minister van Justitie John Mitchell, probeerde Phillips de president en zijn naaste medewerkers er destijds van te overtuigen Vietnam als 'kwestie' zo snel mogelijk te neutraliseren, zodat Nixon zich zou kunnen wijden aan wat hij beschouwde als zijn grote kans en opdracht: de formatie van een nieuwe Republikeinse meerderheid.

Phillips: 'Ik had het er laatst nog over met Arthur Schlesinger (voormalig medewerker van president Kennedy, het 'intellectuele geweten' van de liberals, en een vriend van Phillips - MdG). Je kunt in Amerika geen nieuwe coalitie bouwen op ontwikkelingen in de buitenlandse politiek. The realignment of politics vindt hier altijd plaats op grond van binnenlandse kwesties. Daar waren we het roerend over eens. Het interessante was dat de Democraten in de jaren zestig een nieuw electoraat probeerden te vormen op onder meer Vietnam, maar dat werkte dus niet.'

Gevlei

Toen Nixon eenmaal in het Witte Huis zat, liet hij zich volgens Phillips beïnvloeden door (zijn veiligheidsadviseur - MdG) Henry Kissinger. Kissinger was geobsedeerd door Vietnam, en hij wist precies hoe hij Nixon moest bespelen: door hem voortdurend complimenten te maken over diens vermeende inzichten in de buitenlandse politiek. Door dit gevlei op hoog niveau wist hij de aandacht van de president te trekken en vast te houden. Tot verdriet van Phillips, die juist inzag dat er in het binnenland grote politieke mogelijkheden lagen. Door een progressieve koers te varen lieten de Democraten immers een groot vacuüm in het centrum achter.

Phillips: 'Er waren destijds veel getalenteerde jonge medewerkers die er net zo over dachten. We konden alleen nergens heen met onze ideeën. Ik werkte voor Mitchell, maar diens invloed was beperkt. In de buitenlandse politiek luisterde Nixon naar Kissinger, in de binnenlandse politiek had hij zijn paleiswacht: (stafchef) Bob Haldeman en (binnenlands adviseur) John Ehrlichman bepaalden wie toegang tot hem hadden.' Fel: 'Zij kwamen uit de zakenwereld, uit de wereld van de reclame. Ik wist toen natuurlijk nog niet van Watergate, maar ik ergerde me destijds al wel dood aan het feit dat ze vlak na de verkiezing van Nixon in 1969 al vooral bezig waren met diens herverkiezing. Alles stond in het teken van balloon drops and tricky little games. Ze hadden geen enkel inzicht in de geschiedenis en waren niet geïnteresseerd in politiek. Ja, wel in het winnen van verkiezingen, maar niet in zoiets substantieels als het formuleren van nieuw beleid waarmee je het electoraat aan je bindt.'

Na ruim een jaar hield Phillips het daarom voor gezien. Hij hield wel contact met Nixon, die hij na zijn presidentschap nog regelmatig zag. 'We praatten nog vaak over politiek. Het waren altijd levendige gesprekken, tot het onderwerp op Vietnam kwam. Als ik dan zei dat we zo snel mogelijk een eind aan de oorlog hadden moeten maken, viel hij stil.'

Religie

Een aanzienlijk deel van het electoraat lag eind jaren zestig dus voor het grijpen. Het is, zegt Phillips, uiteindelijk wel bij de Republikeinse partij terechtgekomen, maar op een andere manier dan hij dacht: via de omweg van religie. 'Daar besteedde ik lange tijd geen aandacht aan', geeft hij toe. 'De geweldige groei van de religieuze beweging sinds de jaren zestig heeft mij, net als veel anderen, verbaasd. Deze groei kan voor een deel, maar zeker niet helemaal, worden verklaard uit frustratie met het politieke spectrum: dit deel van het electoraat voelde zich in de jaren zeventig door geen van beide partijen vertegenwoordigd. In de jaren negentig kreeg de beweging vervolgens een enorme impuls door het presidentschap van Bill Clinton. Evangelisch rechts nam aanstoot aan zijn zogenaamd verdorven karakter. Dat was overigens een ingewikkelde kwestie. Velen die zich aan Clinton ergerden leidden zelf geen moreel hoogstaand leven, maar ze bouwden wel een kasteel rondom morele idealen, een kasteel dat ze vervolgens te vuur en te zwaard verdedigden. We kunnen in elk geval concluderen dat deze moreel-religieuze frustratie op behendige wijze in de richting van de politiek werd omgebogen. Het resultaat heet George W. Bush.'

We weten volgens Phillips nog steeds niet wat het evangelisch behoudende electoraat precies wil. 'Maar dat het een groot probleem is staat vast. Ik las laatst dat een kwart tot eenderde van de Republikeinen zit te wachten op het einde der tijden. Je kunt je er geen voorstelling van maken wat die mensen zich daarbij precies voorstellen, maar het is natuurlijk absolutely nutball stuff.'

'Ronald Reagan had het ook over Armaggedon', zegt Phillips. 'Maar op een andere manier dan Bush. Reagan was zelf niet erg gelovig. Hij ging bijna nooit naar de kerk omdat hij, zoals hij zei, de gemeente niet wilde verstoren'. We schieten in de lach. Phillips: 'Reagan was vaak grappiger dan je denkt en dat soort opmer- kingen kwam vaak spontaan in hem op.' Hij is even stil. 'Reagan keek naar de situatie in het Midden-Oosten, vergeleek die met wat hij in de bijbel had gelezen over het einde der tijden en dacht: Daar zitten overeenkomsten tussen. Daarbij bleef het. Hij vatte het niet zwaar op. Misschien niet verwonderlijk voor iemand die met twee actrices was getrouwd. Bij de religieuze achterban van Bush speelt Armaggedon wel een fundamentele rol.'

De partij van George Bush steunt daarnaast op een fundamentalistisch geloof in de creatieve krachten van de vrije markt. Vóór Cindy Sheehan en Katrina deze zomer toesloegen, hield Andrew Card, de stafchef van de president en de voormalige vice-president van General Motors, een opmerkelijke rede waarin hij 2000 stagiaires die in Washington hadden gewerkt en nu een baan zochten bij de overheid, de weg wees naar een alternatieve toekomst. U doet er beter aan een baan in het bedrijfsleven te zoeken, zei hij: 'Some of you should go corporate. Onze economie zou er niet best voorstaan als we alleen maar ambtenaren zouden hebben.' Een van de belangrijkste assistenten van de president hield zijn publiek van jonge professionals dus voor dat ze hun talenten verspillen door in dienst te treden van de overheid. Een eigentijdse variatie op het beroemde citaat uit de eerste inaugurele rede van oud-president John Kennedy, opper ik: 'Vraag niet of je de regering kunt dienen, zoek een baan in het bedrijfsleven.'

Kevin Phillips lacht als ik die zin aan hem voorleg. Dan, in ernst: 'De rede van Card is een goed voorbeeld van waar deze club voor staat: afbraak van de overheid, plus de volstrekte toewijding aan de praktijk en de filosofie van het ondernemen. Card was vice-president van General Motors voor hij naar Washington verhuisde. Daarna werd hij minister van Verkeer. Als minister diende hij de belangen van de auto-industrie. Net zoals deze regering de belangen van de energiesector dient in de energiewet (die deze zomer is aangenomen - MdG). Die wet is natuurlijk niet serieus te nemen. Als de regering werkelijk wat aan het energieprobleem wilde doen, was zij met drastische maatregelen gekomen, met een nationaal plan van aanpak om alternatieve energiebronnen te vinden voor olie. Maar dat zit er niet in. Dick Cheney, die belast was met het energiebeleid, was niet voor niets een van de drijvende krachten achter de oorlog in Irak. Daar moest de olietoevoer veilig worden gesteld. Deze regering is, net als die van de eerste president Bush, waar Cheney ook deel van uitmaakte (toen als minister van Defensie - MdG), geobsedeerd door olie en het Midden-Oosten. Dat is ook een van de thema's in mijn boek over de Bushes: ze hebben langdurige zakelijke en persoonlijke banden met enkele regimes, vooral Saoedi-Arabië. Het is moeilijk te onderscheiden waar deze belangen eindigen en het landsbelang begint.

'De regering bestaat uit tweederangs zakenmannen. Card, Dick Cheney en Donald Rumsfeld zijn omhoog geklommen door hun connecties, niet door hun creativiteit in het bedenken van nieuwe producten of hun ambachtelijke vermogen om die producten te maken. Het zijn netwerkers, en hun netwerk bestaat uit vriendjes in het bedrijfsleven. Ze gebruiken hun positie in de regering om hun vriendjes te helpen. Die vriendjes verlenen een wederdienst door de Republikeinse campagnekas te spekken. Het publieke belang wordt daarbij uit het oog verloren, maar daar zitten ze niet mee. Deze president komt uit een familie die zich in eerste en laatste instantie bekommert om kapitaal. Alleen geld doet ertoe, en mensen die het bezitten. Je denkt toch niet dat deze mensen wakker liggen van een buschauffeur, en hoe hij rond moet komen van zijn salaris? Of van de slachtoffers van een orkaan? Dat interesseert ze echt niets.'

Gilded Age

In Wealth and Democracy vergelijkt Phillips het huidige tijdsgewricht in Amerika met de zogeheten Gilded Age, het tijdperk op het kruisvlak van de negentiende en twintigste eeuw, toen rijkdom ook het bewijs was van creatief kapitalistisch denken (en godvruchtig leven). Toen, net als nu, stond de politiek onder druk, en werd de wetgeving in Washington niet zelden bepaald door lobbyisten in dienst van entrepreneurs. Of door ondernemers die afgevaardigden en senatoren in hun zak hadden. Die ondernemers, was en is de gedachte, wisten en weten immers beter wat goed is voor het land dan politici, vooral die politici die nooit in de privé-sector hebben gewerkt. Er is alleen een groot verschil tussen toen en nu, zegt Phillips: 'Destijds waren er moedige journalisten, die de misstanden aan de kaak stelden. Ze zijn terecht beroemd geworden. Nu zijn er geen muckrakers meer, terwijl er toch veel schandalen zijn bloot te leggen.' De reden daarvoor is simpel, aldus Phillips: 'Journalisten zijn onderdeel geworden van het systeem. Het is niet goed voor je carrière als je je kritisch en onafhankelijk opstelt. En dan nog iets. Toen ik jong was, werd er gezegd: The public has a right to know. Geen krant of nieuwsorganisatie die dat niet hoog in het vaandel had staan. Die uitdrukking hoor je nu nooit meer. Dat lijkt mij geen toeval.'

Menno de Galan is journalist en redacteur van NOVA.

[streamers]

'Je denkt toch niet dat Bush wakker ligt van de slachtoffers van een orkaan?'

'God heeft zich al een tijdje niet meer tot Bush gericht'

Een kwart van de Republikeinen zit te wachten op het einde der tijden

'De regering bestaat uit tweederangs zakenmannen'