Dostojevski en het misdrijf tegen de poëzie

In 12 afleveringen schrijft Willem Jan Otten over de schrijvers en denkers die hem inspireren. In deel 4 de Russische schrijver Fjodor Dostojevski.

In de roman De broers Karamazov komt een hond voor. Hij is de enige vriend van Iljoesjka, een ziekelijke jongen die wordt gepest door zijn vriendjes. Toch voert Iljoesjka, aangezet door een wrokkige, miskende volwassene, de hond een stukje brood waarin verborgen een speld. De hond slikt het door en verdwijnt. Vervolgens keert hij niet weerom. Pas dan beseft Iljoesjka wat hij gedaan heeft. Hij wordt letterlijk ziek van wroeging. Maar zijn hond keert niet weerom. Dan besluiten de vriendjes om een ándere hond naar het ijlende, stervende kind te brengen. Ze zijn gaan beseffen dat ze met hun gepest te ver zijn gegaan. De hond heet Perezvon. Ze zullen doen alsof hij de inmiddels ongetwijfeld gecrepeerde eerste hond is.

Wat volgt is volgens mij één van de hartbrekendste scènes van de wereldliteratuur. Iedereen, ook de doodzieke Iljoesjka, beseft dat Perezvon de hond niet is. En toch wordt Perezvon (die er in zijn kwispelstaartend enthousiasme een enorme pan van maakt) de Hond in Kwestie. Ook voor Iljoesjka, die uitzinnig van geluk en met zijn laatste restje geestkracht gelooft in Perezvon.

Er zijn tientallen scènes te bedenken waarmee je kunt uitleggen waarom Fjodor Dostojevski (1821-1882) een Held van de Geest is, en niet alleen maar een Geniaal Schrijver, maar deze is misschien de bondigste. Dostojevski maakt dat iets wat empirisch gesproken onwaar is waar moet zijn. Bij het lezen begrijp je dat als jij degene zou zijn die tijdens de vertoning had gezegd: jongens, nu even normaal, de echte hond is hartstikke dood, dit is een troostsmoes, dit is Perezvon maar - dat je dan een soort misdrijf gepleegd zou hebben.

Een misdrijf tegen de poëzie, dat in de eerste plaats.

Onuitroeibaar

Het draait bij Dostojevski om geloof, of beter: om geloven. Dat is een onuitroeibare faculteit van de menselijke soort die zij, ongeveer sinds de opkomst van de hidraulische pomp, liever kwijt is dan rijk.

Dostojevski stelt geloven tegenover kennen en bevolkt zijn boeken met mensen die niet kunnen geloven. Niet alleen omdat zij op wetenschappelijke (en zeer eigentijdse) gronden geen godsbewijs meer accepteren, maar ook, wat schrijnender is, omdat zij juist door het geloof wanhopig zijn geworden.

Fameus zijn de eerste woorden die de grootinquisiteur (in De broers) uitspreekt tegen Christus, die even is wedergekeerd: 'Waarom komt U ons hinderen?' In een ademstokkend overtuigend vertoog maakt hij vervolgens duidelijk dat de mensheid in een gewelddadige vertwijfeling wordt gestort door de bovenmenselijke eisen die het christendom stelt.

Neem ook Kirillov, uit Boze geesten. Hij heeft op klassieke Verlichtingswijze God onbestaanbaar gedacht. Vervolgens stelt hij: als het waar is dat op mijn leven niets volgt - geen Oordeel, geen ziel, geen hiernamaals, zelfs niet het ijlste Nirwana - dan kan ik net zo goed nu dood zijn. Sterker: ik moet mijn eigen leven nemen, want ik ben zelf mijn eigen macht, waarbuiten geen enkele macht, of 'zin', is gesteld. Als het alleen nog de doodsangst is die mij weerhoudt, dan mag die zeker God niet zijn: ik moet hem overwinnen.

Kirillov is radicaler, om niet te zeggen fundamentalistischer dan de meeste atheïsten. Vele van hen ontduiken de consequentie van wat ze denken wijselijk door het 'niets' dat op hun leven volgt via een soort sluipweggetje toch tot 'iets' te maken. 'Voortleven in de herinnering', of: 'na mijn dood gelezen worden', of: 'opgaan in het al', dan wel 'in een eeuwige slaap verzinken'. Niets op tegen, maar het geeft aan hoe ongeneeslijk wordt verlangd naar wat Anna Enquist eens 'troostsmoezen' heeft gedoopt - en hoe vreemd het is om mensen die, hoe Perezvons ook, een onsterfelijke ziel als kompas voor hun bestaan nemen, als een soort infantiele achterblijvers te beschouwen. Ik weet niet wie in een grotere leugen leeft - de moderne bioloog die stoer volhoudt dat hij het resultaat is van een blinde dobbelpartij, maar tijdens zijn begrafenis zijn nabestaanden Bach laat draaien, opdat er toch 'iets' ervaren zal worden, - of de dichter Milosz die ten slotte een Heilige Mis liet opdragen omdat hij gestorven wilde zijn in het besef dat hij zijn geest, hoe dan ook, in handen van zijn Schepper had bevolen.

Nee, dan Dostojevski's ongelovigen. Die zetten, net als zijn Stavrogin (Boze geesten), Holbeins genadeloze schilderij van Christus in het Graf op hun bureau en prenten zich in: dit is dan dus een lijk, God is een onverbiddelijk, ijskoud kreng.

Net als mijn eervorige held Borges, wiens oeuvre een catalogus vormt van personages die telkens vanuit één metafysisch denkbeeld leven, is Dostojevski met zijn tienduizend pagina's Russische Bibliotheek een encyclopedist geweest. Hij heeft voor alle denkbare vormen van ongeloof een personage gecreëerd, en ze alle denkbare scènes toebedacht - in het besef dat er op het gebied van de zingeving (of het heldhaftig afwijzen daarvan) niet zoiets bestaat als ideeën alleen. Die zijn pas van belang als ze handeling worden, gedraging, keuze.

George Steiner heeft Dostojevski in z'n eerste, onovertroffen boek Tolstoj of Dostojevski de grootste dramaturg sinds Shakespeare genoemd. Dostojevski heeft nooit voor toneel geschreven. Toch is hij een groter ensceneur dan alle negentiende-eeuwse toneelschrijvers, Ibsen inbegrepen. Hij ziet mensen als realiseerders van hun godsbesef of juist van het ontbreken daarvan, en geeft ze per roman een aantal theaters, of 'arena's' om in te acteren. Hij werkt steeds naar grote scènes toe, compleet met Goed Voorbereide Opkomsten, Souffleurs en Figuren in de Coulissen.

Dit alles omdat iemands geloof of ongeloof pas te begrijpen is wanneer hij handelt. Dat Ivan Karamazov de best-bespraakte anti-christelijke figuur is uit dit oeuvre, dat is één. Iets heel anders is dat hij zelf, nadat zijn liederlijke, maar gelovige broer in een magistrale rechtbankscène ten onrechte voor de vadermoord wordt veroordeeld, kapotgaat aan zijn getob, omdat zijn hersenpan maar blijft malen om zijn ene denkbeeld: 'als God niet bestaat, is alles geoorloofd'. Zijn heldere, antireligieuze stelling - dat God, als hij bestaat, gezien het lijden van onschuldige kinderen, gewetenloos moet zijn (en dus niet kan worden aanvaard) - kan niet voorkomen dat hij zelf door zijn malend bewustzijn geteisterd wordt als door een duivel.

Bestaat de duivel dan wel? Kunnen mensen het écht, leven zonder te ervaren dat er toch 'ergens iets' als geweten bestaat? En waar komt het dan vandaan, het geweten - als alles zonder God geoorloofd is?

Dostojevski's grote wapenfeit is zijn sympathie voor z'n geloofsverzakers. Ofschoon hij tot de zeldzamen behoort die overtuigende (christelijke) gelovigen heeft gecreëerd, bijna heiligen (Sonja in Misdaad en Straf, de Starets en Aljosja uit De broers, de 'zelfmoordenares met de Ikoon' in zijn dagboek, prins Mysjkin in De idioot), toch zijn het de 'anti's' als de moordenaar Raskolnikov (Misdaad en Straf), waar je mee blijft rondlopen. Zelfs wanneer ze verregaand misdadig zijn.

Juist daarom houdt Dostojevski van ze, vreemd genoeg.

Steil medeleven

Wie afgelopen zomer advocaat Wim Anker als Zomergast zag, was getuige van iets Dostojevskiaans. Een vreemde, bijna verbijsterde sympathie voor de zwaarste misdadigers; een existentieel verlangen hen te verdedigen. Niet om ze ongestraft en fluitend huns weegs te laten gaan, maar om hen te verdedigen tegen het oordeel van de goegemeente. Anker zei het niet met zoveel woorden, maar uit zijn fascinerende, steile medeleven kon je het aflezen. De daad is van alle mensen. Het is het menselijk mogelijke. Juist daarom ontstaat er rond Mohammed B. of Ferdi E. steevast dat wat mijn vorige held René Girard een zondebokmechanisme noemde. Het unanieme uitdrijven van de dader, waardoor hij een soort god wordt. Een buitenmenselijk kwaad, dat vervolgens moeiteloos wordt toegedicht aan de religie waaruit de dader, denkt men, stamt. In werkelijkheid is Mohammed een Dostojevski-figuur uit ongeveer Boze geesten: een westerse, van het gehoorzame geloof zijns vaders gevallen man die geobsedeerd is geraakt door iemand die misschien nog wel kwader op God was dan hij zelf, en zeker 1.000 keer zo dapper. En ook Theo van Gogh is door Dostojevski bedacht - in tal van afsplitsingen komt de onstuitbaar woorden kramende provocateur van God in het oeuvre voor.

Zelfs als we moeten straffen verdedigt Dostojevski dat ene, moeilijk te verhapstukken punt: dat het een mens is die de daad beging. Hij wil met iedereen mee, desnoods de hel in, waar het personage de misdaad heeft kunnen plegen.

In dit diepe verzet tegen het oordelen, tegen het idee dat je zelf buiten de maalstroom van het kwaad staat, daarin schuilt voor mij Dostojevski's heroïek. Hij kon in zijn persoonlijk leven (niet in zijn romans!) antisemiet zijn; hij heeft diverse malen zijn hele vermogen vergokt; hij is op het terroristische af polemisch tegen collegae geweest - maar de orde die hij schiep in zijn drama's, stoelde op een geduldig erbarmen. Er was, zo lijkt het, niets wat hij niet durfde te denken, zodra hij zich inleefde in een ander. Hij stelde zich het onmenselijke voor en gaf het om zo te zeggen zijn eigen stem. Hij verdween in zijn figuren, met als resultaat een ongeëvenaarde polyfonie.

Ik ben ervan overtuigd dat hij dit alleen kon omdat hij geloofde dat God moest bestaan, zelfs al was hem de genade van het geloof alleen deelachtig als hij het zich bij een ander voorstelde. Er moet, zo lijkt hij op Perezvonse wijze te beweren, Iemand bestaan die zich alles, alle lijden, alle kwaad, voorstelt en toch houdt Hij van zijn schepping.

Een held lost de paradox niet op, maar zoekt de beproeving, de tegenspraak. Hij schrijft zo dat we beseffen dat er geen punt buiten het strijdperk is. Schone zielen bestaan niet - juist dat is reden om te hopen dat er een God bestaat, zelfs al heeft Hij zijn evenbeelden nog zo vreemd vrij gelaten.

Dostojevski's oeuvre is verschenen in de Russische Bibliotheek van Van Oorschot. Er is zojuist een nieuwe vertaling van De broers Karamazov uit, door Arthur Langeveld. Een klassieke inleiding is Tolstoj of Dostojevski van George Steiner (Bert Bakker,'90). Over Dostojevski's antisemitisme schrijft Charles B. Timmer in het mooie Geld en goed bij Dostojevski (Van Oorschot, '90). De definitieve biografie lijkt die van Joseph Frank te zijn, waarvan het laatste deel in 2002 verscheen (Princeton).