De wereld volgens Condi

Tv-beelden na de orkaan Katrina maakten armoede en raciale ongelijkheid pijnlijk zichtbaar. Het antwoord van de Amerikaanse regering: Condaleezza Rice, de zwarte minister van Buitenlandse Zaken. Waarom zou niet iedere zwarte kunnen wat zij kan?

En dit is de kerk, zegt Ed Ramsey. Er kan zowaar een lachje af. Terwijl we door Titusville reden – de wijk in Birmingham, Alabama, waar Condoleezza Rice is opgegroeid – heeft hij bijna voortdurend zitten mokken. In de jaren vijftig en zestig woonde hier de zwarte middenklasse, vertelde hij, mensen die, ondanks de rassenscheiding waar de stad berucht om was, iets máákten van hun leven. Nu ziet de bejaarde Ramsey, voorzitter van een programma om burgers bij de wijk te betrekken, overal verval. Slecht onderhouden huizen, verwaarloosde kinderen, drugs.

Alleen de Westminister Presbyterian Church op 6th Avenue, naast de bibliotheek, kan zijn chagrijn even verdrijven. Een sober bruin-zwart bakstenen gebouwtje met een puntdak en een rank kruis op de voorgevel. Hier ging zijn tante vroeger ter kerke, vertelt hij, zodoende kwam hij er ook wel. Condi Rice, een vroom meisje, zat er altijd naast haar moeder. Grootvader en vader Rice waren er predikant. Zéér behulpzame mensen, zegt hij. Diepgelovig, statusgevoelig. Geen roergangers in de burgerrechtenstrijd maar anonieme, voorzichtige kameraden.

Wie vanuit 6th Avenue de straat inrijdt waar de familie Rice woonde, Center Way, ziet een sfeervol oplopend laantje met vrolijk geverfde houten huisjes. Toch – volgens Ramsey holt Titusville de laatste jaren achteruit. Hij wijst naar het noorden. Daar is deze week een bende heroïnehandelaren opgerold, mensen wonen er in krotten, sommigen nemen niet meer de moeite het vuilnis op te ruimen. ,,Als ik opnieuw moest kiezen'', zegt hij, ,,zou ik hier niet meer gaan wonen''.

Het gekke is dat er toen, ondanks de bittere onderdrukking door de blanken, meer hoop was voor de zwarte mensen in Titusville dan nu. Zo beroerd als het toen was, zegt hij, kon het niet blijven. ,,Het kon alleen maar beter worden.''

Dirty little secret

Op dat dieptepunt, 14 november 1954, wordt Condoleezza Rice in Birmingham geboren. In de stad heerst totale apartheid: de bussen hebben een schot om zwart en wit te scheiden, in het park zijn aparte fonteintjes voor blanken en zwarten, er zijn witte en zwarte scholen, witte en zwarte wijken. Federale regels verbieden dit racisme, maar het stadsbestuur wil van geen wijken weten. Nergens in de VS is de blanke repressie zo groot. ,,De Ku Klux Klan had weinig moeite aanhang te vinden'', zegt Jim Jacobson, ex-hoofdredacteur van de Birmingham News.

Nog geen jaar is Condoleezza Rice nu minister van Buitenlandse Zaken en weer kampt Amerika met een rassenkwestie. Sinds de orkaan Katrina verkondigen zwarte leiders met toenemende verontwaardiging dat racisme een grote rol speelde bij het uitblijven van hulp voor de radelozen in New Orleans. Opiniepeilingen laten zien dat ten minste tachtig procent van de zwarte bevolking deze opvatting deelt. De populaire rapper Kanye West zette de toon – hij beschuldigde de media ervan in hun verslaggeving over de ramp onverhuld te discrimineren. Als een zwarte eten zocht was hij een `plunderaar', als een blanke eten zocht had hij honger.

Toen was het tijd om de minister van Buitenlandse Zaken in te zetten in het binnenland. Glimlachende `Condi', die op haar vierde haar eerste recital op de piano speelde. Serieuze `Condi', het geniale zwarte meisje dat de apartheid weerstond en door goed te presteren kon bereiken wat ze wou. Zo ziet conservatief Amerika het althans graag. En het kon na Katrina bepaald geen kwaad deze Condi nog eens aan het volk te presenteren.

Katrina – en later ook Rita – had te duidelijk laten zien dat in de VS nog altijd miljoenen mensen in armoede leven. Ontredderd, vervuild en verlaten. En dat de overheid hen zelfs in de kwetsbaarste situatie, met het water aan de lippen, sommigen omringd door ratten in een stadion, dagenlang niet hielp. Dat veel van die mensen bovendien zwart zijn.

Het was live, dus het was echt. Maar terwijl de beelden de wereld overgingen, zei Barbara Bush, de moeder van president George W., dat deze mensen ,,toch al kansarm waren'' – die kon je wel even in een stadion laten zitten. Later corrigeerde first lady Laura Bush haar schoonmoeder zo elegant mogelijk. Een ,,groot deel van onze bevolking'', zei ze, weet niet meer hoe het in de Amerikaanse binnensteden toegaat. ,,Mensen hebben ervan weggekeken.''

Dat kan niet meer, nu de hele wereld de beelden heeft gezien en meer dan een miljoen armen uit New Orleans zich over het land hebben verspreid. ,,Ze wonen tussen de middenklasse in Massachusets, Texas of Washington DC'', zegt Mark Naison, hoogleraar Afrikaans-Amerikaanse studies in New York. ,,Ze zijn onder ons. We kunnen niet meer om hen heen.''

Maar hoe kon de onderklasse worden vergeten in een land waar bijna dertien procent van de bevolking (37 miljoen Amerikanen) volgens het Amerikaanse bureau voor de statistiek onder de armoedegrens leeft? Waar de verschillen tussen rijk en arm al decennialang spectaculair toenemen?

Terwijl het inkomen aan de onderkant van de arbeidsmarkt in twintig jaar met gemiddeld 6,4 procent steeg, gingen mensen aan de bovenkant zeventig procent meer verdienen. De rijkste één procent van de Amerikanen verdiende in 2001 twintig procent van het nationaal inkomen. Weinig landen kennen zulke grote inkomensverschillen. Juist dat maakt het voor veel Amerikanen makkelijk om armoede over het hoofd te zien. Wie een baan en voldoende geld heeft, woont vanzelfsprekend op een plaats zonder armen. En ook buiten die woonwijk, op het werk, in de kerk en op het sportveld zijn Amerikanen het afwijkende steeds meer gaan mijden – individuele sporten zijn bijvoorbeeld populairder dan ooit, zoals socioloog Robert Putnam beschreef in zijn spraakmakende boek Bowling alone.

Ook beleidsmakers nemen armoede eigenlijk al dertig jaar nauwelijks nog serieus, zegt Mark Naison. Hij wijst erop dat armoede zelfs voor Democraten steeds minder interessant werd: ,,Het idee werd: wie niet meekan, moet dat zichzelf verwijten.'' Naison doet onderzoek in getto's. ,,Op sommige plaatsen – Michigan, Detroit – is het zo erg, dat heb je in Europa niet. Behalve in Roemenië misschien.'' Maar ook zijn eigen ontwikkelde vrienden hebben daarvan ,, geen idéé''. De televisie brengt al jaren nauwelijks armoede in beeld, schreef Newsweek, omdat de kijkcijfers dan kelderen. Dagbladen hebben het thema ook laten vallen. De ombudsman van The New York Times signaleerde na Katrina dat zijn krant de laatste jaren alleen incidenteel – en dus veel te weinig – aandacht had voor de armoede in New Orleans.

Zo kon zelfs onder de vrienden van Mark Naison het misverstand ontstaan dat het met de armoede wel zo'n beetje de goede kant opging. Our dirty little secret, noemt Naison de armoede. Volgens tachtig procent van de Amerikanen is de Amerikaanse droom reëel, blijkt stelselmatig uit onderzoek. Jaloezie is even onamerikaans als scepsis. Het format van Idols als levensgevoel: wie ijverig is en zijn talenten goed onderhoudt, wordt op een dag vanzelf ontdekt. Daarna is de sky the limit: zie Condi.

Kleine doodskistjes

Birmingham is in de jaren vijftig een rauwe stad, zegt dominee Abraham L. Woods (77), destijds naaste medewerker van Martin Luther King. Een samenleving is het niet. Mensen zijn er vanaf eind negentiende eeuw gedwongen naartoe gegaan omdat er ijzer en staal wordt gemaakt, niet omdat ze er willen leven. De armoede is groot, de hang naar traditie ook, kerken vormen er de ruggengraat van de maatschappij.

De ouders van Condoleezza Rice zijn – ongebruikelijk voor zwarten die tijd – goed opgeleid. Ze zitten allebei in het onderwijs, en vader is daarbij predikant; ze verdienen veel voor zwarte begrippen. Hun sociale stijging is zeer opmerkelijk – een grootmoeder van Condi heeft nog als slaaf op een katoenplantage gewerkt. Condi is hun enige kind.

De familie Rice krijgt in de zwarte gemeenschap weleens het verwijt te leven als witte negers. De presbyteriaanse kerk waar vader John preekt heeft maar een handvol zwarte leden; 95 procent is wit. De extatische taferelen (,,praise the Lord'') van zwarte diensten komen er niet voor, hier gaat het er koel toe. In 1952 is vader John Rice Republikein geworden (nadat racistische Democraten van Birmingham hem hadden geweigerd). Volgens de blanke dominee Thomas Noon, die onderzoek deed naar de geschiedenis van Titusville, was John Rice erg op status. ,,De keuze voor de kerk en de partij waren signalen: ik sta er goed voor, ik heb de regering niet nodig.''

In de jaren vijftig groeit het zwarte verzet. Zwarten betrekken woningen in witte wijken; als ze niet op dreigementen van de KKK ingaan, worden ze gebombardeerd. Birmingham wordt Bombingham. Martin Luther King kiest de stad uit als speerpunt van zijn strijd en schrijft in 1963 in `Brief uit de gevangenis van Birmingham': ,,De beestachtigheid [van Birmingham] is ruimschoots bekend''.

Bij zijn principieel geweldloze protest, spelen kinderen een steeds grotere rol. Volwassenen die demonstreren worden neergeknuppeld en krijgen 's anderendaags ontslag. Dus gaan de kinderen voorop in de marsen die King organiseert. Sommigen, zoals Freeman Hrabowski, doen mee ondanks de weerzin van hun ouders. Hij komt eenmaal, 12 jaar oud, in de gevangenis terecht. Hij deelt de cel met geharde volwassen gevangenen en als hij vrijkomt is hij niet meer welkom op school. ,,Ik vond dat ik de strijd móest steunen'', zegt hij, inmiddels president van de universiteit van Maryland en een vriend van Condi Rice.

Condi loopt niet mee, zegt Hrabowski. Haar ouders negeren de rassenscheiding liever dan die actief te bestrijden. In ruil daarvoor bouwen ze in de veilige binnenwereld van hun woning een troon voor hun dochter: kijk, meisje, je bent onze koningin. De ongewone kwaliteiten van Condi zijn vroeg aan het licht gekomen. Op haar vijfde kan ze lezen en probeert moeder Angelina haar geplaatst te krijgen op een school. Als dat niet lukt, geeft ze tijdelijk haar baan als muzieklerares op om zich toe te leggen op thuisonderwijs. Familieleden vertellen later dat het er gedisciplineerd aan toegaat. School en muziek wisselen elkaar volgens strakke schema's af. Het verschaft Condi Rice de basis om te slagen als zwart meisje uit het Birmingham van de apartheid. Ik wist, zegt ze later vaak in interviews, ,,dat ik tweemaal zo goed moest zijn''.

De spanningen van Birmingham raken ten slotte ook haar veilige leven. Haar vader neemt zijn dochter op de schouders mee als hij gaat controleren of gearresteerde kinderen na de marsen goed worden behandeld. Begin 1963 – Condi is 9 – wordt het huis van een vriend van de familie, een burgerrechtenadvocaat, door de KKK gebombardeerd. En later dat jaar vinden vier meisjes in de Sixteenth Street Baptist Church de dood na een KKK-bombardement. Het gebeurt op een zondagmorgen, Condi voelt de vloer bewegen als zij tijdens de explosies luistert naar een preek van haar vader, een paar kilometer verderop. Een van de meisjes is een klasgenootje. ,,Ik herinner me vooral de doodskisten'', zegt ze later. ,,De kleine doodskisten.''

Het bombardement is de overwinningsnederlaag van de KKK. Kort hierna tekent president Johnson de Civil Rights Act. De burgerrechtenbeweging heeft gezegevierd. En het zal jaren duren, maar ten slotte – Condi Rice is dan allang vertrokken – normaliseren ook in Birmingham de sociale verhoudingen.

Nicht Connie

Anno 2005 is Condi Rice het vaandel van een conservatieve boodschap: Elke zwarte kan bereiken wat zij heeft bereikt. Overheid en – gevoelig punt – burgerrechtenbeweging hebben geen invloed gehad op haar carrière. In de Condi-methode zijn hard werken, toegewijde ouders en het eenvoudig negeren van discriminatie de sleutels tot succes. Dat is wat ze zelf zegt. En het past in het wereldbeeld van de Republikeinen: individuen bepalen hoe ver ze komen, niet instituties, en de markt is hun speelveld, niet de overheid.

En waarom konden de armen van bijvoorbeeld New Orleans niet wat Condi kan?

Vraag het haar nichtje Connie, die sprekend op Condoleezza lijkt en haar jeugd ook doorbracht in het gesegregeerde zuiden. Verder is ze in alles haar tegenpool. Condi kiest op haar weg naar de top voor de Republikeinen: ze leidt een universiteit, is adviseur van president Bush sr., bestuurt een oliemaatschappij. Nicht Connie kiest na haar afstuderen – rechten, New York – voor harde actie om de positie van zwarten en minderheden te verbeteren.

Ze werkt vanaf begin jaren negentig als advocaat voor de burgerrechtenbeweging. Met een scherpe tong bestrijdt ze in de rechtszaal wat haar nicht altijd heeft genegeerd: discriminatie van zwarten.

Haar klanten zijn veelal de armen, haar successen stapelen zich op. Ze dwingt af dat de stad Los Angeles miljarden investeert in de veiligheid van zwarte buschauffeurs. Ze krijgt voor elkaar dat honderden miljoenen onderwijsgeld voor kinderen met welgestelde ouders, worden overgeheveld naar overbevolkte zwarte scholen in LA. Ze wordt de roerganger achter het Vooruitgang Project, dat waakt tegen discriminatie. En ondanks haar activisme maakt ze op collega's in de advocatuur grote indruk: in 2000 wordt ze gekozen tot een van de tien invloedrijkste advocaten van Californië.

Ze blijft zich niettemin inzetten voor de allerarmsten – voor haar zijn de beelden uit New Orleans geen verrassing. Al geruime tijd zegt ze wat veel armoedeonderzoekers ook zeggen: de overheid heeft de armen dertig jaar links laten liggen. Door haar aanhoudende kritiek treedt ze in Los Angeles steeds vaker naar voren als commentator voor sociale kwesties. De regering-Bush moet het nagenoeg altijd ontgelden. Condi gelooft in de onzichtbare hand van de markt – Connie zegt in 2003: ,,Het is geen onzichtbare hand, het is een onzichtbare penis – en mijn klanten worden altijd verneukt.''

Over haar nicht praat Connie zelden in het openbaar. Ook zij heeft het type opvoeding gehad waarin het racisme werd genegeerd in plaats van bestreden; ook zij is grootgebracht met de gedachte dat niets in de wereld te goed voor haar was. Het creëerde bij haar net als bij Condi een groot gevoel van eigenwaarde. Als je in je eerste veertien levensjaren dagelijks te horen krijgt dat je de koningin bent, vertelde ze een keer, dan kan daarna zelfs het meest brute racisme je niet meer van slag brengen. Het nadeel is wel, zegt Connie Rice, dat je er een laagje teflon van krijgt.

Klassenmaatschappij

Isabel Sawhill schrikt er niet voor terug links Amerika op te zadelen met ongemakkelijke feiten. Ze is armoedeonderzoeker van het Brookings-instituut, een progressieve denktank in Washington. Het belangrijkste inzicht uit haar onderzoek, zegt Sawhill, is dat onverstandig gedrag van veel grotere invloed is op armoede dan een gebrek aan economische kansen.

Verstandig is: eerst naar school, niet trouwen voor je 21e, zo laat mogelijk kinderen krijgen. Dat is precies het patroon dat je aantreft bij de mensen die het goed doen in de maatschappij, zegt ze. De opdracht is volgens Sawhill om mensen, ,,vooral zwarten'', te leren hun gedrag te veranderen.

Amerika is een klassenmaatschappij geworden. Class matters, heette een serie die The New York Times eerder dit jaar prominent bracht. De Wall Street Journal kwam met eenzelfde reeks; het onderwerp leeft. Talent en verdienste zijn niet langer de factoren die bepalen hoe hoog iemands positie in de maatschappij wordt. Afkomst speelt een steeds grotere rol.

De maatschappelijke elite verzekert zich ervan dat hun kinderen het goede (dure) onderwijs krijgen om een carrière op te bouwen, ook als hun talent tekortschiet. De rest is een logische cyclus, zo heeft Sawhill eerder uitgetekend: kinderen van rijke ouders trouwen met kinderen van rijke ouders, ze verdienen goed, planten zich laat voort, en hebben dan het geld en de positie om te investeren in hún kinderen. En aan de onderkant is de situatie omgekeerd: arm trouwt arm, school wordt niet afgemaakt, kinderen komen te vroeg, huwelijken breken, middelen en mogelijkheden om in kinderen te investeren zijn afwezig. Zo maken ook arme kinderen met talent nauwelijks nog kans hun positie te verbeteren: mensen in de VS mogen er nog massaal in geloven – maar in werkelijkheid wordt de Amerikaanse droom nauwelijks nog gerealiseerd. Zeker niet door zwarten.

Safe negro

Birmingham, Alabama, zal Condi Rice niet meer als een dochter in de armen sluiten. De stad, symbool van zwarte onderdrukking, vecht nog altijd met zijn verleden. Driekwart van de bevolking van Birmingham is zwart, zegt onderzoeker Horrace Huntley, maar negentig procent van de economie is in handen van de witten. ,,We zijn niets opgeschoten.'' Een kwart van de bevolking is arm en de toekomst belooft weinig goeds: van de mensen tot 18 jaar leeft ruim eenderde in armoede. De historische plaatsen in het centrum zijn keurig opgepoetst. Maar er komt niemand naar kijken.

De mannen van de burgerrechtenbeweging zijn op leeftijd. Praten over Condi Rice doen ze niet graag. Bij zwart of wit, links of rechts – populair is ze nergens. Zíj heeft makkelijk praten. Zíj had middenklasse-ouders die elke cent aan hun enige kind besteedden, zegt dominee Thomas Noon. Haar ouders waren al witte negers, zelf is ze de excuus-neger van de witte machthebbers geworden, zegt dominee Woods. Zij is een safe negro, zegt Horrace Huntley, onderzoeker van de burgerrechtenbeweging. ,,Ze loopt nooit uit de pas.''

Dat zou ze eigenlijk wel moeten doen, zegt Vincent Harding. Hij was een vriend van Martin Luther King en werke later als hoogleraar theologie in Denver samen met de vader van Condoleezza Rice. Door haar als voorbeeld stellen wordt een valse indruk gewekt, zegt hij. ,,Alsof iedereen Condi kan zijn. Maar de werkelijkheid is: bijna geen zwarte krijgt de káns een Condi te zijn.''

Rectificatie / Gerectificeerd

In De wereld volgens Condi (1 oktober, pag. 35) stond dat een grootmoeder van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Condoleezza Rice, als slaaf op een katoenplantage heeft gewerkt. Dat was een overgrootmoeder.