De goede zoon

De neuroloog Oliver Sacks (72) was vorige week te gast in Groningen. Een gesprek over de invloed van een autobiografie op je herinneringen en de invloed van herinneringen op de terugblik op je leven.

Oliver Sacks houdt tijdens het leven on the road vast aan een paar gewoontes van thuis. De ene is dat hij zijn psychoanalyse niet wil onderbreken. Als hij op reis is belt hij tweemaal per week met zijn therapeut in New York. Komende januari zal hij veertig jaar in behandeling zijn. De andere gewoonte is het dagelijkse uur zwemmen. 's Ochtends begeleidde een medewerker van Studium Generale hem naar een openluchtbad in Groningen. Aan de rand van het bad had hij beleefd gevraagd wat de Nederlandse mores waren. Linksom? Rechtsom? Rechte banen? Na het antwoord dat we in Nederland maar wat doen, ging Sacks te water en trok een serie baantjes in, naar verluidt, `een krachtige borstcrawl'.

Na het zwemmen en vóór de twee uur strikte afzondering die hij steevast voor zijn lezingen reserveert, neemt hij de ruimte voor een gesprek over tijd, herinneringen en ouderdom. Veertig jaar Amerika zijn niet helemaal aan Sacks voorbij gegaan. Hij verschijnt met een oranje petje op en coole sportschoenen. Maar met het petje af en de schoenen onder tafel zit onmiskenbaar de Engelsman tegenover me die hij van geboorte is (zie kader `familietaak'). Er is geen spoor van een Amerikaans accent. Sacks spreekt bedeesd, zacht en precies.

In het nawoord van zijn autobiografie Oom Wolfraam schrijft Sacks dat een vriend hem in 1997 een pakketje stuurde met een scheikunde-catalogus, een afbeelding van het Periodiek Systeem en een staafje wolfraam dat prompt op de grond viel en een tik liet horen die hij onmiddellijk uit zijn jeugd herkende. Dit was voor hem een Proustiaans moment dat herinneringen losmaakte aan de tijd dat hij bezeten was van scheikunde. Maar hoe kon zo'n kleine aanleiding de impuls geven voor wat uiteindelijk een autobiografie zou worden?

Sacks: ``Toen ik vijftig was had ik nooit zelfs maar overwogen mijn autobiografie te schrijven. Maar tegen mijn zestigste verjaardag merkte ik dat er spontaan herinneringen naar boven kwamen, herinneringen die vijftig jaar of langer in mijn geheugen hadden gesluimerd, aan gebeurtenissen, personen, voorwerpen waaraan ik sinds mijn jongensjaren nooit meer teruggedacht had. Toen ik eenmaal over oom Wolfraam begon te schrijven was het net als, eh, urineren: ik kon er niet meer mee ophouden.''

Een autobiografie wordt vaak gezien als het intiemste literaire genre. Maar u lijkt van het schrijven een beetje teamwerk gemaakt te hebben, met bevriende chemici die proeven uit uw jeugd nog eens opvoerden, uw assistente Kate Edgar die allerlei mineralen, apparaten, magneten en kristallen in huis haalde, broers en neven die u hielpen in uw geheugen te graven. Dat moet bijna de aanblik van een archeologische opgraving hebben geboden.

Sacks: ``Ik kan niet goed over dingen nadenken als ik ze niet in mijn handen kan houden, ze niet kan manipuleren, eraan voelen, ruiken. Om die herinneringen terug te halen, moest ik die spullen van mijn jeugd weer om me heen hebben. Ik heb bij antiquariaten oude catalogi en jongensboeken over scheikunde besteld, ben naar natuurmusea gegaan, heb oude foto's van mijn ouderlijk huis opgezocht, allemaal om die associaties op gang te helpen.''

Als je leest over die jongen die eindeloos in de weer is met scheikundeproeven en weet dat hij neuroloog is geworden, zou je het type neuroloog verwachten dat zijn leven doorbrengt in het laboratorium, een hersencartograaf misschien.

``Ik heb ooit wel geprobeerd een laboratoriumman te zijn, ik heb een tijdje neurochemie gedaan. Maar dat werd een mislukking. Ik ben onhandig, brak apparatuur, maakte uitslagen zoek, verloor monsters. Op een gegeven moment was het: Sacks, get out! Ga alsjeblieft patiënten onderzoeken. Dat deed ik vanaf 1966 en ik vond het heerlijk. De reden dat ik niet snel een deel twee van mijn autobiografie zal schrijven is dat na mijn vijftiende een periode volgde waarin ik mijn bestemming, mijn stem, nog niet had gevonden. Ik zal nog eerder een deel drie schrijven.''

Hebt u in de neurologie iets gevonden dat te vergelijken is met het Periodiek Systeem?

``Het genoom, hoor je wel eens zeggen, maar daar ben ik het niet mee eens. In de biologie zit veel meer toeval en grilligheid. In een stuk wolfraam zijn alle moleculen gelijk, met wolfraam weet je waar je aan toe bent. Bij dieren en planten is juist de variatie essentieel, er is veel minder voorspelbaarheid.''

U schrijft dat u niet naar Nachtgesang van Schubert kunt luisteren zonder dat `met bijna ondraaglijke scherpte' weer in gedachten komt hoe uw moeder bij de piano stond te zingen. Waarom `ondraaglijk'?

``Omdat ik dan besef dat ze weg is, dat dit het verleden is, dat je niet terug kunt naar het verleden, dat ze dood is, dat die tijd dood is, maar ook omdat er een ondraaglijke smartelijkheid is in de muziek van Schubert. Na haar dood kon ik een tijdje alleen maar muziek van Schubert verdragen.''

De meeste mensen proberen die muziek dan een tijdje te mijden.

``Nee. Ik denk dat ik haar zo opnieuw probeerde op te roepen, haar niet kon laten gaan. Ze stierf in 1972 en dat was een intens jaar voor mij. In 1993 wilde mijn uitgever een jubileum vieren door zijn auteurs elk een jaar uit het bestaan van de uitgeverij te laten beschrijven. Dat verzoek kwam toen ik in de auto op weg was naar Canada. Van vrienden die bezorgd waren over mijn geschrijf onder het rijden had ik een taperecorder gekregen en ik begon met het inspreken van mijn herinneringen aan 1972. In die tijd werkte ik aan Awakenings in een flat in Londen. 's Avonds las ik mijn moeder voor wat ik had geschreven, haar reacties waren erg belangrijk voor me. Het was een jaar van verlies en schepping. Toen ik klaar was met 1972 ging ik door met 1973 en tegen de tijd dat ik bij de grens kwam was ik bij 1989. Ik had gedacht dat ik te weinig tape zou hebben, maar dat was niet zo: de latere jaren werden steeds korter. Ik had steeds minder te vertellen. De lengte liep vrijwel lineair af. Waarom is dat? Komt er steeds meer herhaling in je leven? Sla je minder van je ervaringen op als je ouder wordt? Is het de intensiteit waarmee je leeft als je jong bent? Ik kan niet goed kiezen tussen deze hypothesen.''

Heeft het schrijven van de autobiografie u anders over het geheugen laten denken?

``Ik geloofde om te beginnen al niet dat herinneringen berusten op het simpelweg heractiveren van hersensporen. Herinneringen zijn reconstructies en hoe je ze reconstrueert hangt onder meer af van je leeftijd. Ik had er wel rekening mee gehouden dat ik veel vergeten zou zijn. Maar dat er ook herinneringen waren, hele levendige herinneringen, die niet zozeer gereconstrueerd bleken alswel volkomen gefabriceerd, zoals die over de brandbom, verrastte me wel.'' (Zie kader `zelfbedachte bom'.)

Denkt u wel eens terug aan de koers die uw leven professioneel gesproken heeft genomen?

``Ja, recent nog, in de trein naar Groningen. Ik was in een melancholieke stemming en ik had net de autobiografie van Eric Kandel gelezen (een neurofysioloog die naam maakte met metingen van celactiviteit). Kandel vond al snel zijn bestemming, hij wist wat hij kon en wat hij wilde. Zo'n bevredigend lineair leven was voor mij niet weggelegd. Het leven van een dokter is anders dan dat van een onderzoeker. Ik ben afhankelijk van mensen die aankloppen, opbellen, me schrijven. Er zit veel minder coherentie in mijn leven.

``Ik ben geloof ik wel een goede dokter voor mijn patiënten geweest. Een paar dagen geleden zag ik mevrouw Herbst. Ik heb goed geluisterd, suggesties gedaan, ik ben een goede neurologische vakman. Mijn beide ouders waren goede dokters en zij zouden zien dat ik ook een goede dokter ben, al hadden ze gemengde gevoelens over veel dingen die ik deed. In 1970, toen Migraine verscheen, kwam mijn vader op een ochtend mijn kamer binnen, bleek, bevend, met de Times in de hand: `Je staat in de krant!' Hij was ontzet. Er stond een stuk over mijn boek in, het werd evenwichtig en briljant genoemd, maar mijn vader vond dat een arts niet in de krant hoorde te komen. Er was toen een krachtige medische ethiek, met de verboden A's: adultery (overspel), alcohol, addiction, en ook advertisement. Mijn vader vond het pijnlijk dat ik onze naam in een groter publiek had gebracht. Ik heb nog steeds twee zeer hardnekkige freudiaanse versprekingen: ik lees vaak punish voor publish en betray voor portrait. Ik heb altijd een gevoel van ongepastheid gehouden over het naar buiten brengen van verhalen over patiënten. Dat kan alleen met de uiterste discretie.''

Uw vader heeft tot 1990 geleefd, is hij nog anders over uw werk gaan denken?

``Later werd hij welwillender, milder. Misschien deed ik ook wat híj graag had gedaan, hij was een goede brievenschrijver en kon mooi vertellen. Hij was misschien wel trots op mij, ik was ook trots op hem. Hij was bescheiden, te bescheiden. Je had in Engeland twee lagen in de geneeskunde. Je had de huisartsen, dat waren de werklieden, en je had de specialisten, die zich sociaal en intellectueel boven gewone dokters verheven voelden. Maar mijn vader was een buitengewone diagnosticus, hij zag dingen die specialisten over het hoofd hadden gezien. Toen hij negentig werd zeiden ze tegen hem: stop nou met die huisbezoeken. Maar hij zei: ik stop met de rest en ga door met de huisbezoeken. Hij is bijna 95 geworden. Hij legde zeventig jaar ervaring en toewijding in die huisbezoeken.

``Ik verliet Engeland om bij mijn ouders en de rigide medische hiërarchie vandaan te komen. Ik wilde ruimte, ik voelde iets van ressentiment tegenover mijn ouders. Er is een boze `ondertekst' in Oom Wolfraam. Maar naarmate je ouder wordt begin je dat anders te zien. Ik heb een grote sympathie voor mensen die gewoon goed hun werk doen en dat deed mijn vader. Het was geen gemakkelijke tijd en ik was ook geen gemakkelijke zoon. Ik was hen in zekere zin voorbijgestreefd en dat beangstigde me en dat moet ook hun hebben beangstigd.''

Dan was u toch juist een goede zoon door te vertrekken?

``That's a way to put it.''

Douwe Draaisma is hoogleraar geschiedenis van de psychologie in Groningen en auteur van onder meer `Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt - Over het autobiografisch geheugen' (Historische uitgeverij 2002)