Appels met peren vergelijken

Ook de universiteiten en hogescholen ontkomen niet aan het lijstjesvirus. Maar wat heb je eraan als je een stad moet kiezen?

De Engelse premier Benjamin Disraeli onderscheidde drie soorten leugens: `lies, damned lies, and statistics'. Maar als in de negentiende eeuw de obsessie met ranglijstjes zover was doorgedrongen als nu, dan had hij vast de top-10 als `overtreffendste' trap toegevoegd.

Wie staat op nummer één van de hitparade? Wie stijgt met stip? Wie is de hekkensluiter? Meer willen we niet meer weten. Dat daarbij appels met peren worden vergeleken, of zelfs complete fruitschalen, doet er niet toe. Ook de universiteiten en hogescholen ontkomen niet aan het lijstjesvirus. Aan de uitkomsten vallen mij altijd twee dingen op, en dit jaar is daarop geen uitzondering.

Ten eerste, alle gevechten vinden plaats achter de komma. De onderlinge verschillen zijn marginaal. Er zijn in Nederland geen absolute toppers te vinden, maar ook geen hopeloze gevallen. Geen cijfer komt meer dan een paar tienden onder of boven een 7 uit. Een typisch Hollands landschap, zonder hoge pieken of diepe dalen. Dat is ook geen wonder, want met de huidige verdeling van middelen is het onmogelijk om in Nederland een topuniversiteit te maken. Daarom moet je ook niet verbaasd zijn als volgend jaar de lijst weer helemaal door elkaar gehusseld is, omdat een universiteit met veel moeite of geluk een 6,9 naar een 7,0 heeft weten te tillen.

Maar wat niet uit dit saaie lijstje blijkt is dat deze vlakte op grote hoogte ligt. Nederlandse universiteiten scoren namelijk uitstekend op de internationale lijstjes. Natuurlijk komen ze niet in de buurt van elitaire instellingen als Harvard, Princeton en Oxford. Maar ze blijven ver weg van dat grote modderige moeras waarin vele andere universiteiten zijn weggezonken, zoals de American World University die vorig jaar nog als kerstaanbieding een doctorstitel voor 1600 dollar wist aan te bieden. Deze Hollandse hoogvlakte is een opvallend verschijnsel in het internationale onderwijslandschap, waar we veel trotser op zouden kunnen zijn.

Een tweede opvallend punt is dat bij dit soort enquêtes de buitengewesten altijd goed scoren. Voor waarachtig studiegeluk moet je naar de Twentse velden en de terrasjes aan het Vrijthof. Of, zoals dit jaar, naar de grazige weiden in Wageningen. De grote randstedelijke universiteiten bungelen altijd onderaan. Opmerkelijk, want juist die instellingen scoren hoog in de internationale lijstjes.

Ik denk dat hier de aard van het onderzoek zich wreekt. Want het zijn in eerste instantie de eigen studenten die de instelling evalueren. Je kunt je voorstellen dat zo'n zelfonderzoek heel anders zal uitpakken bij de Bond van Tevreden Burgers dan bij de Kritische Consumenten Club. Kleine gespecialiseerde instellingen met een helder beroepsprofiel kunnen hun uniforme klantenkring veel meer duidelijkheid brengen dan grote alleseters. Als ik het wat oneerbiedig mag zeggen, het is een beetje het effect van de EO-Jongerendag: iedereen is blij en gelukkig, vooral omdat men zo lekker onder elkaar is.

Er is op de lijstjes nog meer af te dingen. Uiteenlopende factoren worden gemeten en via een gewogen gemiddelde verwerkt tot een eindcijfer. Maar hoe deze gewichten te kiezen? Hoeveel tennisbanen is een Nobelprijswinnaar waard? Hoeveel soorten tomatensoep in de mensa compenseren een slechte docent? Moeten instellingen zich door dit soort berekeningen laten leiden?

Ik kan mij nog goed een vergadering van mijn mathematisch instituut herinneren, waarin de voorzitter begon met een formule op het bord te schrijven. Hij had namelijk berekend volgens welke verdeelsleutel de universitaire gelden verdeeld werden. We staarden met z'n allen een kwartier naar het bord. Toen vond iemand de beste oplossing: geen enkele student en alleen maar hoogleraren.

Om de karikaturen van de top-10 te vermijden moet je dieper in de cijfers van de Keuzegids duiken, de feiten uit elkaar pluizen en de eigen voorkeuren mee laten wegen. Dan wordt het beeld eerlijker, maar tegelijkertijd ook gecompliceerder. Eigenlijk is het lezen, interpreteren en vooral relativeren van zo'n Keuzegids een uitstekende voorbereiding voor een verdere studie.

Robbert Dijkgraaf is universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam.